Leesfragment: Revisor 8 (2015)

27 november 2015 , door Marente de Moor
| | | | |

Op 8 januari verschijnt het nieuwe nummer van Revisor. Bij ons een voorpublicatie uit 'De troostmachine', het verhaal dat Marente de Moor voor dit nummer schreef.

'In zijn bijziende moment van ontwaken bleef Paul Zomerman nog heel even kind, maar het besef van ouderdom haalde het jongetje in met de doffe pijn van jicht, en op zijn troostzoekende hand antwoordde de andere helft van het bed koel en onbeslapen.'

N.B. Kom 3 februari naar de lancering in NRC Café. Zie ook onze voorpublicatie uit De Moors vorige roman, Roundhay, tuinscène.

De troostmachine

‘Alle vogeltjes in de bomen slapen al. Waarom jij nog niet?’
‘Maar ze zingen!’
‘Dat is slaapzingen. Hoor je wel? Het is zachter dan gewoonlijk.’
Zijn moeder probeerde het na te doen. Haar snavel was buiten de lijntjes gestift en de brede poriën om haar neus vormden een kattensnoet.
‘Waar wacht je op? Oogjes dicht.'
In zijn bijziende moment van ontwaken bleef Paul Zomerman nog heel even kind, maar het besef van ouderdom haalde het jongetje in met de doffe pijn van jicht, en op zijn troostzoekende hand antwoordde de andere helft van het bed koel en onbeslapen.
‘Balto?’ begon hij zacht, ‘Balto!’
Geen reactie. De hond was beneden gebleven. Nu stuitte zijn vingers op de kauwstaaf, die hij had klaargelegd in de hoop dat Balto hem die nacht gezelschap zou houden. Maar zelfs de poes was niet gekomen, en toen hij zich oprichtte om zijn bril van het hoofdeinde te pakken, vloog een duif weg van de dakkapel.
In de lente was zijn moeder na een koortsig rouwen om de dood van haar met 93 punten bekroonde blauwgrijze ara in coma geraakt. Sinds de artsen hem hadden verteld van het verband tussen haar longontsteking en die van de papegaai, vond Paul dat het strak opgemaakte ziekenhuisbed haar vasthield als een vogel, het witte kopje ontsnappend uit de lakens, het zingen gesmoord met een mondmasker. Hij bezocht haar om de dag. Vandaag. Moedeloos liet hij zich weer op het kussen zakken. Veel liever bracht hij de ochtend door in het stadspark. Met brood voor de damherten zou hij wachten op Lucia, de vrijwilligster die hem had uitgelegd dat het ezelpaartje twee hengsten waren die elkaar regelmatig bestegen, dat tien procent van de rammen homoseksueel was, dat het tijd werd dat we eens leefden en lieten leven, en nog veel meer wat Paul niet kon onthouden omdat hij naar haar tepels keek die allebei keurig, als muzieknootjes, onder een Bretonse streep van haar truitje pasten.
Beneden klaarde zijn humeur op, want daar trof hij opnieuw de aankoop die hem was ontschoten, al was hij de avond tevoren een uur bezig geweest het ding in elkaar te schroeven. Een schommelstoel. In zijn eigen ochtendzonnetje was de herfstprint op de bekleding nog mooier dan in de winkel, waar hij zich tureluurs en smetvrezig in het showmodel van een 21 m2 modelwoning had teruggetrokken. Balto keek hem strak aan. ‘Jij komt zo aan de beurt,’ zei Paul. ‘Even uitproberen. Zie je? Je hoort niets als je schommelt, moet je het natuurlijk niet te hard doen. Misschien toch viltjes onder plakken, maar die trekken altijd zoveel haren aan. Jouw haren.’
In het huis van zijn grootouders stond vroeger een schommelstoel. Niemand die er gebruik van maakte behalve hij, op zijn hurken op het ribfluweel voer hij als schipper Bontekoe over de wilde baren, tot hij een keer werkelijk zeeziek werd en de koffietafel onderkotste. Nu had hij er dus eindelijk zelf een. Een moderne, geruisloze. Starend naar de deinende huizen aan de overkant, voelde Paul dat er woorden opkwamen waarmee hij weer gedichten kon schrijven. Het was echt een goede aankoop.
‘Heb je Jonkertje al gezien?’
Geen antwoord.
‘Ach, ze heeft toch niet weer de hele nacht buiten gezeten? Zoek haar, Balto, zoek!’
Pas bij het geluid van de brokken in zijn bak zou Balto overeind komen, maar aan kwispelen deed hij niet, zelfs niet als hij zijn baasje een dag niet had gezien. In het begin riep Paul hem wel eens als hij thuiskwam. Dan gehoorzaamde de hond, maar bleef staan bij het eerste oogcontact, dat Paul diep vermoeid toescheen.
‘Goed, Balto, dit is het plan,’ zei hij terwijl hij de paté voor de poes doormidden sneed. ‘Nu een blokje om, dan ga ik naar het bezoekuur en daarna haal ik jou op voor het park. Misschien zien we Lucia wel. Lucia!’
Als hij haar naam maar vaak genoeg uitsprak, zei zijn moeder vroeger, als ze voor Sleevrouwe stonden, zou de Maagd vanzelf binnen zijn bereik komen. ‘Als je iets maar vurig genoeg wenst en het je hartstochtelijk, tot in de kleinste details, voorstelt, wordt het gewoon waar. Strek je hand maar uit!’ Maar Paul deed dat nooit, hij kreeg het vreselijk benauwd van de kaarsenzee en was opgelucht als ze de kerk verlieten. Tussen hem en Lucia, had hij opgemeten, zat nooit minder dan honderdtwintig centimeter, waardoor ze onmogelijk op een elegante manier tastbaar voor hem kon zijn. Hij moest het van zijn blik hebben, zijn ‘droefogen met paardenwimpers’, zoals een vrouw eens had opgemerkt, en hopen dat Lucia die eens meer dan alleen kameraadschappelijk zou beantwoorden. Dat ze hém zou zien, en niet meteen door de knieën zou gaan voor Balto, hem, aan het andere eind van de lijn, tot zijn schoenen reducerend. Ze had ook steeds zo’n verdomde haast. Ze was in de weer, met prikkeldraad, mestemmers, hooibalen, sloeg zijn hulp af met een kordaat ‘ça va!’ en floot onafgebroken, zo luid dat woorden geen kans kregen. Hij kwam niet uit de verf. Voor haar was hij enkel Balto’s baasje, ook al nam hij ’s nachts, nerveus en afgepeigerd door zijn verbeelding, zijn lid ter hand terwijl hij aan haar dacht, niet eens aan haar tepeltjes, maar aan de aardige woorden die ze hem zou kunnen gunnen.
Op de Meester Ulrichweg liet Balto een reeks warme keutels achter die Paul wegplukte met een van die zwarte plastic zakjes van de gemeente, zo deed hij dat ook in het park en Lucia had dat een keer gezien; ze had haar duim opgestoken. Goed zo, Paultje Poepraper. Hij keek naar de gladde pels over de gekromde rug en vroeg zich af waaraan deze hond, die meer leek te poepen dan hij at, zoveel vertedering verdiende. Het was een nogal lelijk uitgevallen kruising boxer-labrador. Zijn moeder had hem als pup uit de dierenwinkel gehaald, in de hoop dat Paul hem manieren bij zou brengen, maar die minachting was er vanaf het begin. Hondenboeken boden geen uitsluitsel. Paul registreerde zich op hondenforum.nl, maar op begrip van de andere baasjes hoefde hij niet te rekenen. De hond trof nooit blaam, het was zijn schuld, hondenonbenul, dierenbeul, sommige mensen, reageerde een vrouw, zou verboden moeten worden een dier te nemen, terwijl een ander, ‘mamma van Woezel & Diesel’, schreef dat ze gewoonweg misselijk van hem werd. Maar hoe Paul het ook probeerde, het lukte hem niet om de onschuld te erkennen van dit wezen, dat hem buiten negeerde maar binnenshuis beloerde met die speciaal voor hem gereserveerde scepsis.
‘Lucia. Bij Lucia kijk je nooit zo,’ zei hij tegen het achterlijf dat zich langs hem door de voordeur wurmde. Wat zou er gebeuren als hij zonder Balto naar het park zou gaan? Zou Lucia dan niet vanzelf op hem zijn aangewezen? De Herstelzorg lag direct naast het park, hij zou na het bezoekuur een krantje kunnen meenemen voor op het bankje bij de volière, of waar Lucia dan ook op dat moment bezig zou zijn. Het weer werkte alvast mee. Het was een droge, warme herfstdag, op de Hertogsingel kreeg hij schouderklopjes van de zon. Hij werd gepasseerd door de vriendelijke dame met de beagle, die hem zonder hond niet herkende. Hij probeerde een liedje te fluiten, hoewel hij niet wist welk, waardoor hij steeds opnieuw moest beginnen, en toen stond hij opeens voor de Herstelzorg en versteende hij, alsof er cement door zijn mond naar zijn maag stroomde en de adem in zijn longen greep. Hij wist exact wat hij ging zien. Zijn moeder, in stand gehouden door de prevelende apparatuur, was al maanden aan geen enkele verandering onderhevig, zelfs de onderdelen die al dood waren, zoals haar nagels en haren, waren dezelfde gebleven. Soms sperde ze in paniek haar ogen open, maar daarmee zag ze niets, had de arts hem verzekerd: de bollen zaten in de kassen als relikwieën in hun houder. Ze vertoonde deze griezelige reflex steeds vaker, en Paul bleef bezwerend op haar inpraten, opdat die oogleden maar vooral gesloten bleven.
‘Alles is goed, mamma,’ zei hij terwijl hij zijn hand op haar warme hals legde. Haar hartslag sjokte nog gehoorzaam verder. ‘Doe geen moeite. Ik hoor je wel. Ik zal je zeggen, het is mooi weer. Blijf maar liggen. De blaadjes vallen al van de bomen. Zo meteen ga ik naar het park. Ik had bedacht om eens zonder Balto te gaan. Waarom? Ik had je al verteld van dat meisje, Lucia. Lucia, de dierenverzorgster. Precies. Balto trekt alle aandacht naar zich toe. Alles gaat steeds maar om hem, terwijl ik ook wel eens over iets anders wil praten met haar. Vind je dat stom? Gelukkig. Ik wist wel dat je het zou begrijpen.’
Op de ontluchtingskap voor het raam landde een kraai. Paul hield van kraaien, het was leuk zoals ze je in de gaten hielden en ze hadden hun eigen besognes, zoals mensen. Deze had een duivenveer in zijn bek, die hij op verschillende manieren neerlegde en weer oppakte. Op het houten bruggetje over de Jeker had hij drie dagen achtereen een kraai bezig gezien met een kleine walnoot, hij geloofde zeker dat het dezelfde kraai en dezelfde noot was, dat dit een taak was waar het dier zich met alle tijd van de wereld van moest kwijten. Mensen zochten zich rot naar hemelse gebaren en oerknallen, maar uiteindelijk waren de antwoorden gewoon in de aardkorst bij elkaar te scharrelen.
‘Nee, nog niet,’ antwoordde hij zijn moeder. Haar huid was gaaf voor haar leeftijd, het leek zelfs wel alsof ze er jonger op was geworden, alsof dit coma de schoonheidsbehandeling was waar ze altijd van had gedroomd. Hij streek een lok achter haar oor.
‘Ik zing het nog wel even uit. Het is nu toch niet het goede seizoen om te solliciteren, bovendien, wie moet er dan voor Balto zorgen? Het is zwaar met Balto alleen, mamma. Ik wou soms...’
‘Een hele goede morgen!’
De kraai vloog weg. Arts Nuytten was niet eens een grote man, maar zijn manier van doen was kolossaal. Paul herkende in hem een kind met wie iedereen vriendjes wilde worden, ook al moest hij altijd winnen, onderbrak hij aarzeling met flauwe grappen, kladde hij in andermans tekening. Als een geluidstechnicus rommelde hij aan zijn moeder, schroefde dingen vast, luisterde, maar alleen uit de machine kwamen signalen, en toch zei hij dat het goed met haar ging.
‘Meneer Zomerman,’ begon hij, terwijl hij zich zo’n beetje op de bedrand liet zakken – geen comfortabele pose, maar eentje die gemoedelijkheid moest uitstralen, ‘we hebben het hier al eens over gehad, hè. Er zijn verpleegtehuizen die hierin veel beter zijn dan wij.’
Waarin beter, wilde Paul hem toeschreeuwen, een beter menu voor de sondevoeding soms? Maar de monoloog die volgde was niet bedoeld om onderbroken te worden, de eindeRedactie- loze bijzinnen werden hem met dwingende modulaties toegediend, terwijl Paul allang wist waar ze heen gingen; met moeders lijf naar Zorgcentrum Zonderhoop te Zeist, wie weet deed ze onderweg wel een virus op, dan was het snel bekeken. Daar kwam die zin weer:
‘Statistisch gezien is de kans dat ze nog ontwaakt nihil.’
Buiten, voor de uitgang, kwam Pauls repliek. Weloverwogen, scherp, terecht. Maar hij moest zijn woorden inslikken omdat hij vanaf de Tongerseweg werd aangestaard. Studenten – de schaduwen van deze stad. Het was alsof ze je altijd beloerden, met die lege blik tussen hun sluike haren, ’s nachts hoorde je ze schreeuwen, maar hij had nog nooit eentje gesproken. Snel stak hij de straat over naar het park. Zonder Balto kwam hij hier eigenlijk nooit. Nu kon hij wandelen zonder naar beneden te moeten kijken, zijn armen schudden, die vrij waren van een gespannen lijn, en eindelijk, ongehinderd door de bemoeienis van andere honden en hun baasjes, weer eens op het bankje bij de berenkuil gaan zitten. Beren zaten er allang niet meer, hun plaats was tien jaar geleden ingenomen door een bronzen beeldengroep. Veertien dieren en een meisje, getiteld: De halfautomatische troostmachine. Paul was er vanaf het begin op gesteld geweest. Het meisje treurde aan de zijde van een levensgrote, gevelde giraffe, terwijl in de loopgeul enkele uitgestorven diersoorten voor zich uit staarden. De Tasmaanse buidelwolf, de franjeaap, de blauwbok, de reuzenalk en de Caribische monniksrob zag hij nog staan, maar de rest van de beelden was weg. Gestolen. Paul herinnerde zich zelfs de echte beren nog. Op het laatst was alleen nog het mannetje over, Jo, die in de stenen diepte zijn rondjes liep zonder omhoog te kijken. Het stonk er altijd verschrikkelijk. Maar ook nu lagen er vuilniszakken te rotten, en het mechaniek waarmee het meisje de giraffe moest strelen, was kapot. Aangeslagen liep hij weg.
Over het bruggetje, in het andere deel van het park, werkte Lucia. Zwikkend op haar kaplaarsjes, stelde hij zich voor; voorovergebogen, zodat haar bruine pijpenkrullen voor haar gezicht vielen. Balto is dood, bedacht hij opeens. Ze zou overeind komen en hem indringend aankijken. Dan moest hij zijn blik niet afwenden, maar medelijden opwekken met zijn droefogen. Ze pakte zijn hand.
‘Ik kan het nog niet bevatten. Hij is gestikt...’
Nee, dan zou ze vragen waarom hij niet beter heeft opgelet, of ingegrepen.
‘Ik kan het nog niet bevatten. Kanker...’
Dan heeft hij hem dus laten inslapen, terwijl ze Balto donderdag nog zag rennen in het park. Hij moest slachtoffer zijn, niet schuldig.
‘Ik ben er ondersteboven van. Wat? Waarschijnlijk een epileptische aanval, hij kreeg er al een tijdje medicijnen tegen. Het gebeurde ’s nachts, ik sliep. Hij was stilletjes naar beneden gegaan. Ik trof ’m ’s ochtends aan... je hebt geen idee... tong uit de bek, in zijn eigen braaksel... Verschrikkelijk, ik zie het nog zó voor me. Ik weet niet of ik dit ooit te boven kom, weet je. Het huis is zo leeg zonder hem.’
Gezien de teneur van zijn leven zou natuurlijk juist dit verhaal werkelijkheid worden, zou hij bij thuiskomst Balto dood vinden, op een lijvige kant gedreund zoals de giraffe, maar nog zacht en warm, een draad van kwijl van zijn bek naar de vloer. Paul zou verteerd worden door schuldgevoel. Hij wankelde. Hij moest rechtsomkeert maken, nu. Op het Tongerseplein zette hij het op een rennen, wat hij lang niet had gedaan, en bij de voordeur liet hij van paniek zijn sleutels vallen. Daarachter was het stil.
‘Balto? Balto!’
Hij stormde de woonkamer in. Balto lag in zijn mand. Eén wenkbrauw opgetrokken. Maar midden in de kamer, in een zee van witte plukken schuimrubber, lag iets wat Paul moeizaam herkende als het kapot getrokken karkas van zijn schommelstoel.
’s Nachts droomde hij dat hij door een wolf werd gegeten. Ook weer zoiets. Niet met huid en haar verslonden, maar geproefd, beginnend bij het hielbot, dat het beest kraakte als een droge wortel, naar boven, met een paar trefzekere happen uit de ribbenkast, zodat zijn lever bloot kwam te liggen. Het was niet onprettig. Hij schrok wakker en ontdekte de geconcentreerde gestalte van Balto aan het voeteneinde.
‘Wat wil je, moet je eruit?’
Konden ze best wel even doen. Het was pas kwart over twee, om drie uur kon hij weer in bed liggen en met frisse longen de slaap opzoeken. Toen hij opstond om zich aan te kleden, kwispelde Balto en draaide hij om zijn as, alsof de nacht hem met een andere hond had bezield. De volle maan had er zeker iets mee te maken. Koud en grijs stond ze boven de kerk te peinzen, over de nachtbrakers die brullend als blinde welpen door de stad doolden. Bij de ingang van het Aldenhofpark zat de man van wie Paul zich al een tijdje had afgevraagd of hij een zwerver was. Hij droeg altijd hetzelfde okerkleurige jack maar had verder niets bij zich, wat vreemd was voor een zwerver. Geen tas, alleen een hondje, dat onbewogen naast hem zat alsof ze iets hadden om op te wachten. ’s Ochtends groette hij hem wel, maar nu deed Paul alsof hij hem niet herkende, omdat op dit intieme uur het ijs sneller kon worden gebroken dan hem lief was. In het gras naast de stadswal liet hij Balto los. De muur leek hem nu verschrikkelijk hoog, en uit het zevenhonderdjarige vocht tussen de stenen groeiden planten die hij nooit eerder had opgemerkt. Wat hij ook nooit had gezien waren de schimmels, die een tekening vormden op de stenen. Het leek wel een weerspiegeling van het maanoppervlak. Was dat toeval? Hij keek over zijn schouder omhoog. Nee, geen toeval, maar ongelooflijk. Het was een exacte kopie, met Tycho in de juiste verhoudingen tot een heel helder afgetekende Mare Imbrium. Hij greep naar zijn broekzak om een foto te maken, maar hij had zijn telefoon niet meegenomen. En waar was dat beest.
‘Balto?’
Er stond iets op de oever van de Jeker wat hem zou kunnen zijn. Als hij het maar uit zijn kop zou laten! Paul vloekte. Hem wassen zou hem zeker een uur nachtrust kosten. Als hij daarna nog de slaap kon vatten...
‘Balto, nee!’
Daar klonk de plons van een gestrekt hondenlijf in het water. Balto peddelde een rondje, hees zich aan de overkant op de oever en liet zich daarna in de modder vallen. Paul wilde niet schreeuwen in deze nacht. Maar de hond wachtte rustig met zich uitschudden tot hij vlak naast hem stond.
‘Ik haat je.’
Balto sloeg aan. Hield niet meer op. Elke blaf hakte als een steenbeitel door de nacht. Paul probeerde de bek te grijpen, maar toen ontsnapte er uit de diepte van het dier zo’n buitenaards geluid dat hij het liefst hard was weggerend.
Uren later, nog klaarwakker in zijn bed, stelde hij zich voor hoe hij erbij had gelegen als hij Balto daadwerkelijk had achtergelaten. De Sint Jan sloeg zeven uur en hij had nog steeds niet geslapen. Hij had de hond zo’n beetje afgeveegd en in de badkamer opgesloten, maar juist toen de slaap kwam aangesukkeld, schelde het gejank tegen de tegels. Later probeerde hij zichzelf tot rust te manen met de gedachte aan Lucia, maar zij verscheen alleen misprijzend aan hem. Hij kon maar beter opstaan. In de ochtendschemer volgde hij een modderspoor van pootafdrukken en zwarte plassen waar Balto was gaan liggen, en dat was werkelijk overal. Hij kwam uit bij de schommelstoel, waarvan hij alweer was vergeten dat hij aan flarden was gerukt. Balto zelf lag ernaast, met zijn neus op een poot in een droom die zo te zien alleen uit geuren bestond. Hij was schoon opgedroogd. Hij wel. Paul maakte een uitsmijter die hij opat met zijn spiegelbeeld in de ruit. Hij zag er miserabel uit. De wallen onder zijn ogen waren opgezwollen, alsof hij de hele nacht in zijn kussen had liggen huilen. En van die gedachte begon hij onbedaarlijk te snikken.
‘We gaan zo,’ snotterde hij tegen de hond, die overeind was gekomen. ‘We gaan zo, laat me nog maar even.’

[...]

 

Copyright © 2014 Marente de Moor

Uitgeverij De Bezige Bij

MINDBOOKSATH : athenaeum