Leesfragment: Slaap zacht, Johnny Idaho

03 januari 2015 , door Auke Hulst
|

Op 8 januari verschijnt Slaap zacht, Johnny Idaho, de nieuwe roman van Auke Hulst. Wij brengen alvast een uitgebreid fragment. 'Hij vindt het diertje even landinwaarts, in de beschutting van bosschages. Het is een vogel met slechts de suggestie van vleugels. De veren zijn blauw en groen, het lijf heeft de vorm van een sierkussen, de snavel is robuust - het is bijna een stripfiguur. Gerson port met de punt van zijn schoen in de vogel. Een zak natte kleren. Dood. En mooi. En tragisch.'

 

Johnny Idaho is een Amerikaanse tiener die volgens 's werelds databases niet bestaat. Hij heeft maar een doel voor ogen: de Archipel bereiken, een zwaarbewaakte eilandstaat in de Stille Oceaan. Daar werkt onder meer de Nederlandse CEO Willem Gerson, een vijftiger die door ziekte geconfronteerd wordt met de beperkingen en mogelijkheden van rijkdom. In het geheim financiert hij de onderzoeksgroep van de Japanse biomedica Hatsu Hamada, hopend op het ultieme medicijn: onsterfelijkheid. Drie mensen, uit verschillende windstreken, komen samen in een nieuwe wereld. Wat drijft ze? En op welke manier zijn ze onlosmakelijk met elkaar verbonden?

Slaap zacht, Johnny Idaho is een grootse roman die hedendaagse thema's als economische apartheid en mind control koppelt aan menselijke gevoelens als liefde, wraak, angst voor de dood en de hunkering naar het eeuwige leven.

Maandag

Er heeft een diertje door de sneeuw gelopen. De sporen zijn er nog, maar het diertje is weg.
Willem Gerson gaat door zijn knieën, krakend als opwindspeelgoed – zijn wijsvinger volgt een afdruk in de vorm van een drietand. Welke diersoorten zijn er ook weer op dit eiland losgelaten? Geen idee… Hij heeft ooit de prospectus bekeken, een gelikte virtual reality-presentatie, maar fauna had hij niet essentieel geacht. Een ‘bonusfeature’.
Een tijdje blijft hij op zijn hurken zitten. De sneeuw is donzig, bijna warm – er zit een hint van as en bloed in. Hij bestudeert kort zijn eigen hand: de gezwollen aderen, een enkele levervlek, de grijze haartjes. In zijn luchtwegen: het prikken van metaal. Het zal wel een vogel zijn, denkt hij, zijn aandacht weer bij het spoor. Geen fuut of wintertaling. Iets exotisch. Niet dat hij vogels uit elkaar kan houden – god, nee. Dat kon hij vroeger niet eens, toen hij met meisjes bier dronk in Hollandse duinen en de tijd nog niet op zijn schouders tikte.
Er strijkt licht over het lakenwit van het gazon. Hij kijkt om, betrapt. De villa – faux jaren-dertig, rieten dak, houten veranda, uitbouw met binnenzwembad – komt raam voor raam tot leven. Het is de enige woning die vanaf hier te zien is; heuvels, duinen en bomen beperken het blikveld, conform zijn wensen. Een paar kilometer verderop splijt een kunstmatige berg de te lage hemel. De sneeuwkanonnen zwijgen, overbodig geworden door een onverwachte winter. Een parelketting van straatlantaarns wikkelt zich rond de flanken.
Met een hand op zijn knie komt hij weer omhoog. Dat kost meer moeite dan hij wil toegeven. Wie klaagt bestendigt redenen tot klagen… Hij negeert het licht en volgt de pootafdrukken een steeds nabijer verleden in. Straks zal verse sneeuw het spoor weer uitwissen – de bui is boven hem al in de maak. Alleen dieren en losers kunnen ongezien blijven, dat weet hij. Gerson verafschuwt gebrek aan ambitie, maar de bijbehorende anonimiteit moet bevrijdend zijn. Hoe lang heeft hij zich niet uit de naad gewerkt om zich boven de middelmaat te kunnen verheffen, met nalating van carbon footprints, kruimels van cookies, quotes in de financiële pers, opinies in hoofden van bekenden en vreemden, lijken in kasten? Te lang. En niets wordt vergeten of afgedekt met sneeuw.
Zijn gedachten drijven af naar de receptie waarvan hij even na middernacht in kennelijke staat is teruggekeerd: het onophoudelijk zien en gezien worden in de vlietende wereld van het hoge afbreukrisico. Hij denkt aan de Ogen en de weblenzen die hem registreerden, filmden, deelden. Zou iemand iets aan hem zijn opgevallen? Pijn en haast? En zouden concurrenten – binnen en buiten het bedrijf – die waarnemingen meenemen in hun strategische overwegingen?
(‘Alles Gucci?’ Man, die stem… Gerson had staan dralen bij het lopend buffet, hand in zijn broekzak, zoekend naar een codeïnepil, toen Walker-Smith zich aan hem had opgedrongen, volumeknop op elf, het smoelwerk schuimend van consumptief krediet. Een lange man in Hugo Boss, snor- en haatdragend. ws was eindbaas van wat ze in de wandelgangen ‘in vitro finance’ noemden, de kruisbestuiving van toxische financiële producten. De ware alchemie! Hij zei iets over de braakwaardigheid van het vingervoedsel en verwachtte een vergelijkbaar bon mot ter bevestiging en aanmoediging. Gerson was weggelopen zonder een woord te zeggen.)
Hij beklimt een duin en daalt af naar de waterkant. De sneeuw is verwaaid en tegen de duinenrij opgeklommen. Even staat hij stil om zijn handen te warmen aan zijn adem – het water van de Pacific kromt zich in de wind. Aan de overkant hangt een ontstoken atmosfeer boven wolkenkrabbers die elkaar in de schaduw moeten stellen. Dat is Upside, het zakelijk hart van de Archipel. Tussen dat eiland en Executive, de enclave van mensen als hijzelf, liggen defensiewerken, verraden door een ring van schuim. En dat zijn slechts de zichtbare barrières. Maakt het Executive tot een gevangenis? Nee. Wat binnen en wat buiten is, wordt bepaald door omstandigheden. Executive is buiten, de rest van de wereld is de gevangenis. De rest van de wereld en het eigen lichaam.
Hij vindt het diertje even landinwaarts, in de beschutting van bosschages. Het is een vogel met slechts de suggestie van vleugels. De veren zijn blauw en groen, het lijf heeft de vorm van een sierkussen, de snavel is robuust – het is bijna een stripfiguur. Gerson port met de punt van zijn schoen in de vogel. Een zak natte kleren. Dood. En mooi. En tragisch.
‘Je had harder moeten vechten, vriend,’ mompelt hij. ‘Leven is willen.’
De wind speelt door de veren.
Hij weet niet of de aanblik van het dier hem kwaad maakt of verdriet doet – gevoel is ingewikkeld. Misschien is dit wel wat ze barmhartigheid noemen. Ja, besluit hij. Dat dus. Hij vlijt zich naast de vogel neer – sneeuw smelt onder zijn billen, die al snel nat en koud worden. De alcohol en de pillen maken dat hij zich er nauwelijks aan stoort. Hij neuriet een rocksong van lang geleden.
Een paar minuten later klinkt het kraken van sneeuw. Hij kijkt om. Sara’s silhouet.
‘Je schoenen,’ zegt ze.
Hij werpt een blik op het suède; haalt zijn schouders op.
‘Wat ben je aan het doen? Kom toch naar bed.’
Geen reactie.
Sara kijkt over zijn schouder naar de vogel. Ze zegt iets over de tuinman wat hij maar half opvangt. Gerson heeft hem vrijaf gegeven. ‘Hij kan nu toch weinig uitrichten,’ zegt hij. ‘De grond is stijf bevroren.’
‘Onbetaald, mag ik hopen.’
‘Hij had het erover dat hij naar het vasteland zou gaan. Hij heeft daar familie.’
‘Dat hebben ze allemaal.’ Ze slaat haar armen om haar lichaam, huppend tegen de kou. Zelfs dat doet ze elegant. ‘Hij zit gewoon op Downside te gokken. Dat zit in hun genen. Waarom heb je je oortje niet in? Ik heb je geroepen.’
Gerson tilt de vogel op – het lijkje is nog warm. Sara trekt een vies gezicht. De zoom van haar nachthemd piept onder haar winterjas uit, haar voeten zwemmen in de te grote cowboylaarzen die hij ooit, half voor de grap, in Utah heeft gekocht. Big Boss Hogg. Zelfs ergernis lijkt Sara niet ouder te maken – geen rimpel op dat gelaat, geen grijze haar tussen steriel zilverwit uit een potje. ‘Wat moet je met dat beest?’ vraagt ze.
‘Ik kan niet op de naam komen.’
‘Dus?’
‘Ik woon hier. Het is idioot dat ik dat niet weet.’
‘Alsof je weet welk merk sanitair we hebben,’ zegt ze, met nadruk op ‘we’.
Gerson slaakt een zucht die hij met rente retour krijgt. Hij kan haar de vijandigheid moeilijk kwalijk nemen, en toch doet het pijn. Zij behoedt hem.
Sara haalt een scherm uit haar jaszak, maakt een foto, drukt op het glas. Direct floept informatie tevoorschijn. Ze houdt hem met gestrekte arm het toestel voor, als een arrestatiebevel. Onder een zonnig filmpje staat:

De Takahe of Zuidereilandtakahe (Porphyrio hochstetteri) is een loopvogel die alleen voorkomt op Nieuw-Zeeland. Nadat in 1898 de laatste vier bekende exemplaren werden gedood, leek de Takahe uitgestorven. In 1948 werd de vogel herontdekt. De Takahe is levenslang monogaam. De overlevingskans van de kuikens is redelijk, maar de Takahe produceert zo weinig eieren dat interventie nodig is om de soort voor uitsterven te behoeden.

‘Takahe,’ zegt hij. Het woord voelt buitenaards.
‘Ik hoop niet dat-ie nu weer is uitgestorven.’ Een wrang grapje, maar haar stem lijkt goddank een paar graden opgewarmd. Ze hurkt en legt een hand op zijn schouder – de geur van slaap en pasgewassen beddengoed, een vleugje asperge in haar adem. ‘Hebben ze ’m afgeschoten?’
Jachtopzieners reguleren de fauna van Executive, slachtpartijen die Gerson wil horen noch zien, zolang de klus maar geklaard wordt. Hij komt omhoog, loopt naar de waterkant en laat de Takahe in zee zakken. Salueert – een dronkenmansgebaar. Dansend op de golven drijft het beest weg. Dan pas bedenkt hij dat het vast zal lopen op de kering en waarschijnlijk zal blijven aanspoelen, wegdrijven en weer aanspoelen tot het vergaan zal zijn, of opgevreten door dieren waarvan hij evenmin de naam kent.

 

© 2015 Auke Hulst
Auteursportret © Andreas Terlaak

MINDBOOKSATH : athenaeum