Leesfragment: Stad in brand

27 november 2015 , door Garth Risk Hallberg
| |

Op 30 oktober verschijnt Stad in brand van Garth Risk Hallberg (City on Fire, vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema). Bij ons een voorpublicatie. 'De sirenes en de verkeers- en radiogeluiden die vanaf de drukke avenues komen aangewaaid klinken als de herinneringen aan sirenes, verkeers- en radiogeluiden. Achter de ramen van andere flats worden tv's aangezet, maar niemand neemt de moeite de jaloezieën dicht te doen. En opnieuw krijg ik het gevoel dat de scheidslijnen van mijn leven - die tussen verleden en heden, buiten en binnen - bezig zijn te vervagen. Dat ik wellicht nog verlossing zal vinden.'

Oudejaarsavond 1976, vlak voor middernacht. New York staat op scherp. Te midden van het vuurwerkspektakel klinkt vanuit Central Park een pistoolschot. En dan nog een.

De zoektocht naar de dader brengt een aantal onvergetelijke personages bij elkaar, uit allerlei uithoeken van de stad: Regan en William Hamilton-Sweeney, de gebrouilleerde erfgenamen van een van de grootste fortuinen van de stad; Keith en Mercer, de mannen die hen, in voor- en tegenspoed, liefhebben; Charlie en Samantha, twee tieners uit de voorsteden, aangetrokken door de New Yorkse punkscene; een obsessieve journalist; diens idealistische buurvrouw en de rechercheur die probeert te achterhalen wie van hen mogelijk betrokken is geweest bij het schietincident. Al deze levens zijn met elkaar verbonden. Wanneer het licht uitvalt tijdens de beruchte black-out van 13 juli 1977, worden al deze levens voorgoed veranderd.

N.B. Wij bespraken City in Fire ook op Athenaeum.nl. Lees de recensie.

 

Proloog

In New York kun je alles thuis laten bezorgen. Dat is in elk geval het principe van waaruit ik werk. Het is het midden van de zomer, het midden van het leven. Ik bevind me in een verder verlaten appartement in West Sixteenth Street, waar ik zit te luisteren naar het vredige gezoem van de ijskast in de kamer hiernaast, en al bevat het ding alleen maar een half pakje boter uit de vroege Middeleeuwen dat mijn gastheren hebben achtergelaten toen ze afreisden naar de kust, ik kan binnen veertig minuten zo ongeveer alles eten wat mijn hartje zou kunnen begeren. Toen ik nog een jongeman was – een jongere man, moet ik zeggen – kon je zelfs drugs thuis laten bezorgen. Visitekaartjes met een Manhattans telefoonnummer en die verweesde woordjes bezorging aan huis erop, of, iets gebruikelijker, allerlei bullshit over therapeutische massage. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat ooit vergeten was.
Maar ja, de stad is veranderd, of de mensen willen andere dingen. De bosjes die de transacties van de hosselaars op Union Square aan het oog onttrokken zijn verdwenen, net als de telefooncellen van waaruit je je dealer kon bellen. Toen ik er gistermiddag heen wandelde om er even uit te zijn, was er een stel moderne dansers bezig in slow motion opwinding te creëren onder de opgeleefde bomen. In wijnkleurig licht zaten gezinnetjes keurig op plaids. Ik zie dat tegenwoordig overal, openbare kunstuitingen die je nauwelijks kunt onderscheiden van het openbare leven, bestippelde auto’s die over Canal Street rondcruisen, krantenkiosken die zijn versierd met linten alsof het cadeautjes zijn. Alsof je je dromen gewoon als opties in het keuzemenu van mogelijke ervaringen kunt zetten. Merkwaardig genoeg leidt dit rationaliseren van werkelijk ieder verlangen – de overdaad van deze tegenwoordig toch al zo overdadige stad – er vooral toe dat waar je werkelijk naar smacht nou net niet op straat te vinden is.
Waar ik persoonlijk naar heb gesmacht sinds ik zes weken geleden aankwam is dat mijn hoofd op een bepaalde manier zou aanvoelen. Destijds zou ik dat gevoel niet onder woorden hebben kunnen brengen, maar nu denk ik dat het zoiets is als het gevoel dat alles nog elk moment zou kunnen veranderen.
Ooit was ik een ras-New Yorker, zwartrijder, vuilnissnuffelaar, iemand die bij wildvreemden in de stad binnenviel, en dat gevoel was de grondtoon van mijn bestaan. Als dat gevoel dezer dagen de kop opsteekt, is dat alleen maar bij vlagen. Maar goed, ik heb ermee ingestemd tot eind september op dit huis te passen, en hoop dat dat genoeg zal zijn. Het heeft de vorm van zo’n bouwblokjeshuis uit een primitief videospelletje: slaapkamer en zitkamer aan de voorkant, dan een eetgedeelte en de grote slaapkamer, plus de keuken die er als een staart aan is vastgeplakt. Terwijl ik aan de eettafel met deze prologische opmerkingen zit te worstelen, daalt buiten achter de hoge ramen de schemering neer, waardoor de asbakken en de stapel paperassen voor me eruit gaan zien alsof ze van iemand anders zijn.
Mijn lievelingsplekje bevindt zich echter achter een zijdeur van de keuken, een veranda op palen die zo hoog zijn dat ze van een strandhuis op Nantucket zouden kunnen zijn. Houtwerk in de kleur groen van parkbankjes met daaronder een tapijt van bladeren van twee stakerige Japanse notenboompjes. ‘Binnenplaats’ is het woord dat zich aan me opdringt, al zou ‘luchtkoker’ ook dienst kunnen doen. Hoge flatgebouwen sluiten de ruimte in zodat niemand anders er kan komen. De witte verf bladdert van de bakstenen aan de overkant af, en op avonden waarop ik geneigd ben mijn project maar helemaal op te geven loop ik in plaats daarvan naar buiten om het licht te zien opklimmen en verzachten naarmate de zon verder wegzakt aan alweer een regenloze hemel. Ik laat mijn mobiel trillen in mijn broekzak en kijk hoe de schaduwen van takken naar dat verre blauw reiken, waarover een zich verdikkende condensatiestreep trekt. De sirenes en de verkeers- en radiogeluiden die vanaf de drukke avenues komen aangewaaid klinken als de herinneringen aan sirenes, verkeers- en radiogeluiden. Achter de ramen van andere flats worden tv’s aangezet, maar niemand neemt de moeite de jaloezieën dicht te doen. En opnieuw krijg ik het gevoel dat de scheidslijnen van mijn leven – die tussen verleden en heden, buiten en binnen – bezig zijn te vervagen. Dat ik wellicht nog verlossing zal vinden.
Er is op deze binnenplaats immers niets wat er niet ook al in 1977 was. Misschien is het niet het jaar van nu, maar dat van toen, en moet alles wat volgt nog komen. Misschien flitst er een molotovcocktail door het donker, misschien schiet er een journalist van een tijdschrift over een kerkhof, misschien zit de dochter van de vuurwerker nog op een besneeuwd bankje haar eenzame wake te houden. Want als de feiten ergens op wijzen, is het op het feit dat er niet zoiets bestaat als één stad. En als die wel bestaat, is hij de som van duizend variaties, die zich allemaal om dezelfde plek verdringen. De wens is daarbij misschien de vader van de gedachte, maar toch stel ik me onwillekeurig voor dat de raakpunten tussen deze plek en de stad die ik ben kwijtgeraakt nog steeds een gevoelige lading hebben en de littekens hebben achtergelaten waarnaar ik tast wanneer ik mijn hoofd langs de brandladder omhoog laat gaan, naar het blauwe vierkant vrijheid daarboven. En jij, die zich daar ergens bevindt: ben jij niet op de een of andere manier hier bij me? Ik bedoel, wie blijft er niet dromen van een andere wereld dan deze? Wie van ons is – als dat betekent dat we de krankzinnigheid, de onbegrijpelijkheid, de volslagen nutteloze schoonheid van de miljoen ooit-mogelijke New Yorks loslaten – zelfs nu bereid alle hoop te laten varen?

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum