Leesfragment: Stadium IV

27 november 2015 , door Sander Kollaard
| |

Op 13 februari verschijnt Stadium IV van Sander Kollaard. Wij publiceren voor. ‘Ze sloot haar ogen en luisterde. Ze hoorde het geluid van metaal op metaal: een visser die iets aan zijn boot repareerde. Ze hoorde het geritsel van een dier, een vos misschien, of een haas, in de velden rond het haventje. Ze hoorde het geluid van een kledder meeuwenpoep die uiteenspatte op de kade. Toen, na een stilte, hoorde ze een man zingen, een visser, iemand met een eenzame stem en een eenzaam lied dat ze al na de eerste tonen herkende.’

Sarie en Barend maken plannen om na hun pensioen met een nieuwe camper een trektocht door Europa te maken. Maar voordat het zover komt, blijkt Sarie een ernstige vorm van kanker te hebben. Terwijl Barend er alles aan doet om het lot te bezweren, ziet Sarie af van verdere behandeling. Met nog maar kort te leven stelt ze voor om alsnog op reis te gaan, naar Zweden, waar zij elkaar ruim veertig jaar eerder ontmoetten en waar hun geluk begon.

In het idyllische zomerlandschap waar ze indertijd verliefd werden, moeten ze nu afscheid nemen. Herinneringen, de schoonheid van het Zweedse Öland en hun gedeelde verleden vormen de grondtoon van deze roman, waarin twee mensen hun liefde in onmogelijke omstandigheden staande proberen te houden.

 

De blik van boven (proloog)

Op weg naar Öland vloog Nils Holgersson in de nek van Maarten de gans achter Akka aan over een zee als een spiegel zo glad. Het bracht hem in de war. Hemel en aarde vervloeiden. Hij wist niet meer wat boven en onder was en dacht dat ze de hemel in vlogen. De buiken die hij onder zich zag, herkende hij niet als de weerspiegeling van de vogellijven in het blauwe water van de Oostzee: hij dacht dat de vogels op hun rug vlogen. En toen ze Öland naderden en in de mist verdwenen die van het eiland opsteeg, witte warrelwolken, raakten ook de ganzen de kluts kwijt, totdat Akka het doffe geluid opving van het mistkanon dat op de zuidelijke punt van het eiland werd afgeschoten, en weer precies wist waar ze waren.
Toen Sarie in de koudste weken van de winter van 1968 de kaart van Öland openvouwde, zag ze een langgerekte scherf, afgebroken van de Zweedse oostkust. Ze vermoedde een geschiedenis van schollentektoniek, een verhaal over de plooien en rimpels die de trekkende ingewanden van de planeet in haar huid achterlaat, maar herinnerde zich ook hoe Selma Lagerlöf een oude herder liet vertellen dat Öland is ontstaan uit het vergane lijf van een reusachtige vlinder. Turend naar de kaart zag ze inderdaad dat vlinderlijf, rank en elegant, maar ook machteloos en verminkt zonder de vleugels. Ze vond het een aantrekkelijk beeld omdat het herinnerde aan die wondermooie metamorfosen, het eitje, de rups, de pop, en dan de vlinder – het leven op zijn allerlichtst: de onwaarschijnlijke kleuren en patronen, dat aandoenlijke gedwarrel, de levensduur van maar enkele dagen of weken. Öland: een in zee verzonken, door afzetting van kalk gemummificeerd vlinderlijf, dat van lieverlee begroeid raakte, bevolkt, bebouwd.

*

Nils en de ganzen kwamen terecht op de zuidelijke punt van het eiland, Södra Udde, de plek waar het mistkanon werd afgeschoten. Na een paar dagen vervolgden ze hun reis, gevoed en uitgerust, naar het noorden, over de lengte van het eiland. Sarie volgde de reis van de vogels met haar vinger op de kaart. Zo’n beetje op een derde van het eiland zag ze aan de oostkust het haventje van Bläsinge liggen. Selma Lagerlöf schrijft er niets over maar Saries vinger bleef er dralen omdat het haventje de komende zomer haar bestemming was.
Ze haalde de kaart naar zich toe en keek goed. De plattegrond van het haventje deed haar denken aan een merkwaardige, hoekige hap uit de kust. Het leek een eenzame plek, ongemakkelijk op de grens van een oud cultuurlandschap en een nog veel oudere zee, wringend met beide. Het schermde zich van de zee af met een naïef dammetje, min of meer dwars op de dubbele havenmond. Het landschap – velden, akkers, een paar stroken bos – keerde het met volmaakte onverschilligheid de rug toe. Zo lag het daar in een vreemd isolement, een geografisch fremdkörper, alsof een kwaadaardige vis een beet uit het vlinderlijf had genomen – een beet die vervolgens was volgestroomd met water zodat een dubbele inham was ontstaan, in het gareel gebracht met kades, de kades bebouwd met schuurtjes en loodsen en rekken waar de vissers hun netten ophingen.
Sarie, huiverend in haar trui, de Hollandse winter in valse bloemen op de ruiten, bracht haar gezicht dichter bij de kaart en probeerde te horen wat er te horen zou zijn. Het ruisen van de zee, het suizen van de wind, de roep van een vogel. Ze stelde zich voor dat ’s ochtends in alle vroegte de dieselmotoren van de vissersboten te horen waren. Afhankelijk van seizoen, weer en tijdstip zou het geluid van de motoren dreigend, eenzaam, onverschillig, kwaad, opgewonden of vrolijk klinken. Ze sloot haar ogen en luisterde. Ze hoorde het geluid van metaal op metaal: een visser die iets aan zijn boot repareerde. Ze hoorde het geritsel van een dier, een vos misschien, of een haas, in de velden rond het haventje. Ze hoorde het geluid van een kledder meeuwenpoep die uiteenspatte op de kade. Toen, na een stilte, hoorde ze een man zingen, een visser, iemand met een eenzame stem en een eenzaam lied dat ze al na de eerste tonen herkende.

Jag sjunger en visa i vinden
och hoppas att vinden för
min sköna den visan mot kinden
och i hennes öra strör
och hennes hjärta rör

*

Decennia later, in haar gifdromen, herinnerde Sarie zich hoe haar moeder het verhaal over Nils voorlas. Met de herinnering kwamen beelden van velden en meren en wolken en een fluitende wind en de zachte, veilige veren van Maarten de gans. Ze hoorde haar moeders stem, haar voorleesstem, die levendiger was dan haar gewone stem, hoger en klankrijker. Soms kwam de rechterhand los van het boek om een gebaar te maken dat bij het verhaal paste – een opgestoken wijsvinger bij gevaar of een inzicht, de imitatie van een vleugelslag bij het opstijgen, een vuist bij spanning of onrecht.
Met de herinnering aan haar moeder en het jochie in de nek van de gans volgde meer: herinneringen aan die zomerweken op Öland, verbluffend scherp, alsof het gif dat haar niet meer zou genezen wel de kracht had de kwabben, lobben en ventrikels van haar geheugen schoon te spoelen. Bij vlagen werden haar herinneringen zo hallucinerend echt dat ze draaide in haar bed, kreunde, lachte, riep, fluisterde. Ze rook de zee, het wier dat gestaag aandikte op de strandjes en de tot kokhalzens toe verstikkende geur van een half vergane vis, groot als de onderarm van een man, begraven in dat wier. Ze herinnerde zich hoe Barend op Södra Udde een foto van haar nam, naast het mistkanon waar Selma Lagerlöf over schreef: als jonge vrouw van achttien, de halflange blonde haren opwaaiend in de wind, de rechterhand boven haar ogen tegen de zon. En ze zag weer het labyrint op Blå Jungfrun, de zebrakont van in elkaar draaiende spiralen van keien, aangelegd op een kale rots die afliep naar zee – het labyrint dat dwong tot dwalen maar geen moment de vaart uit Barends pas haalde.
In haar dromen keerden ook de koeien terug. Ze was ze vergeten maar daar waren ze opeens weer – iets waar ze dankbaar voor was. Als het tegen de avond afkoelde steeg hun geur op van de velden rond het haventje, nooit meer dan vlagen ervan – de zwemen van stront, gras en melk waren vaak al verdreven door de zeewind voordat ze de neus bereikten. Ze keek naar de dieren vanaf het bruggetje bij de tweede havenkom – de smalste van de twee, waar de zomergasten met hun bootjes lagen –, altijd weer verwonderd want het was zo’n gek gezicht: koeien aan zee. Dat leken de koeien zelf ook te vinden want als ze opkeken van het grazen dwaalden hun ogen steevast naar het water, en dan keken ze minutenlang. Soms wierpen ze een onverschillige blik om zich heen, naar hun moeders en dochters, hun zusters en nichten, naar de velden, de hagen en de stenen muurtjes, en een enkele keer naar het torentje van Norra Möckleby, ver weg. Maar altijd wendden ze de blik weer naar die blauwe vlakte en keken ze opnieuw, minutenlang, als geobsedeerd. Waarom keken ze? Wat zagen ze? Sarie vroeg het zich af, tevergeefs, te jong nog, en verloor zich in een vermakelijke fantasie: ze stelde zich voor dat de allereerste koeien ook zo hadden uitgekeken over zee en dat ze dat waren blijven doen, generatie na generatie, millennium na millennium, en dat daarom hun gang zo deinend was, hun neus zo nat, en hun ogen volgelopen met dromen. Nu, decennia later, de dood nabij, stelde ze de vragen opnieuw en dit keer vond ze wel een antwoord, alsof het gif niet alleen haar herinneringen liet opklaren maar ook haar inzicht. De koeien zagen niets. Ze keken naar iets dat wezensvreemd was, onbereikbaar voor hun begrip, en dus zagen ze niets. Ze kenden het gras, de muurtjes, de hagen, elkaar, maar niet die blauwe vlakte. Zo waren ze ziende blind: ze keken naar de zee en zagen een ontzagwekkend niets dat steeds opnieuw de aandacht opeiste, juist omdat het niets was.

 

© Copyright 2015 Sander Kollaard
Auteursportret © Susanna Erlandsson

Uitgeverij Van Oorschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum