Leesfragment: Ter voorbereiding op het volgende leven

27 november 2015 , door Atticus Lish
| |

Op 7 september verschijnt Ter voorbereiding op het volgende leven van Atticus Lish vertaald door Anne Jongeling. Bij ons alvast een fragment. ‘Ik had geluk. De rest is teruggestuurd, alle dertig mensen, behalve ik. Mijn neef vroeg asiel voor me aan. Een paar vrouwen waren al eerder gedeporteerd. Ze komen terug, een keer, twee keer, drie keer. Ze gaan naar het schiereiland van Yucatan, steken de grens over naar Arizona. Zwaar, zwaar. Daar is de woestijn, en wij zijn riviermensen. De taal van mijn dorp is Watergras.’

In de restaurantkeukens in de onderbuik van New York zwoegt Zou Lei, een illegale immigrante uit de woestijn van China. De constante angst voor de immigratiedienst overschaduwt haar bestaan. Voor Zou Lei is hard werken geen keuze, geen stap op weg naar de Amerikaanse droom maar een constante strijd om te overleven, om de honderd dollar per week bijeen te sprokkelen die ze betaalt voor haar hoekje in het piepkleine appartement dat ze deelt met vele andere illegalen. Tijdens een van haar schaarse pauzes loopt Zou Lei drievoudig veteraan Skinner tegen het lijf. Skinners traumatische ervaringen in Irak hebben diepe psychische wonden achtergelaten, en de enige manieren waarop hij zijn demonen weet te bedwingen zijn alcohol en zijn lichaam tot het uiterste drijven in de sportschool. Ondanks de taalbarrière herkennen de twee iets in de ander, en er ontstaat een relatie die een glimp hoop biedt in hun beider harde bestaan. Maar de realiteit in dit New York is allesbehalve een sprookje, en de omstandigheden zijn allesbehalve ideaal.

Met Ter voorbereiding op een volgend leven heeft Atticus Lish een verpletterend debuut afgeleverd; zowel een j'accuse als een liefdesbrief aan New York City, een indringend portret van de onderkant van New York, waar de Amerikaanse Droom voor immigranten en oorlogsveteranen onbereikbaar lijkt.

1

Ze kwam via Archer, Bridgeport, Nanuet, werkte in jeans en spijkerjack bij een afslag van Interstate 95 en wachtte onder een viaduct, met een plastic tas, teenslippers en een telefoonnummer, het zakje chips allang leeg, licht in het hoofd.
Ze pikten haar op aan de snelweg bij een witte barak naast een hamburgertent, autobanden in de bomen. Er stopte een Dodge Caravan met een Monkey King-poppetje op het dashboard en ze stapte in. De mannen brachten haar naar een motel en zetten haar in een kamer met een stuk of vijf andere vrouwen uit Hokkien en een liter oranje frisdrank. De hele nacht hoorde ze vrachtwagens af en aan rijden en het gebonk van de airco.
Ze kreeg een petje en een shirt met een bedrijfslogo waar de baklucht was ingetrokken. Ze zeiden allemaal dat ze hard moest werken want de baas zag alles. Ze spraken elkaars dialect niet, dus hun voertaal was Engels. Op haar eerste werkdag gleed ze met haar versleten slippers uit in een plas vet. Ze liet de bestelling vallen en de noedels glibberden als wormen over de vloer. ’s Avonds lag ze klaarwakker met opeengeklemde tanden naar de muur te staren.
De Amerikanen parkeerden voor de deur van het restaurant, hun pick-ups tikkend in de zon, en slenterden in hun tanktops en bandana’s zwijgend naar binnen. Ze leunden met een elleboog op de toonbank, wezen met een dikke vinger op de menukaart en zeiden: Dat daar. De zwarten hielden het bedrag dat ze wilden uitgeven pasklaar in hun hand, opgevouwen dollarbiljetten en kleingeld.
Is dit genoeg voor kippenvleugels? Wat kan ik hiervoor krijgen?
Ze kon oké zeggen. Als ze naar een gerecht op het menu wezen, snapte ze dat. In Nanuet wilden ze onbeperkt schransen. Haal hier nog wat van. Oké. Ze wist dat ze moest opschieten en snel iets halen, dat ze hard moest werken, veertien uur per dag, tien of elf dagen achter elkaar, dan kregen ze vrij. Vrij om te roken, zei de baas, want dat klonk beter dan scharrelen in de vuilnisstortplaats ten zuiden van de rivier.
In hun motelkamer stond de tv de hele dag aan. Om hun Engels te oefenen. Ze zaten op de grond, in de gloed van het blauwe licht bewogen hun monden mee. Ongelooflijk, zeiden ze bij de beelden van de eindeloze supermarktschappen en de snelle auto’s. Deze dinsdag op Fox. Een sombere dag in Irak. Ze zag soldaten met nachtkijkers en radioantennes langs kleihutten door de woestijn sluipen, het soort hut waarin ze zelf had gewoond.
Kameel. Ze wees. Goed beest.
Veel te lastig, zeiden ze. Niet te doen. Kop van hardhout.
Iemand geeuwde.
Moet je eindeloos oefenen.
Als hun werkdag erop zat, staken ze de parkeerplaats over waar de laatste auto stond te wachten, de bestelbus die hen naar het motel reed. Het eten dat ze voor de chauffeur meenamen, legde hij op de krant die hij had opengeslagen bij de nieuwspagina over Hongkong. Op de snelweg zag ze de nacht aan zich voorbijschieten, opgedeeld in duistere bossen en stukken hemel. Hij had een gouden ketting en een Green Card en hij reed met de lichten uit om de politie te ontlopen.
De vrouwen kwamen uit Begin met Verheerlijken, Vier Ontmoetingen, Geschakelde Berg en Oprecht Bewonderd. Zij zei dat ze ten zuiden van de rivier had gewoond.
Maar je komt van elders, zeiden ze.
Ik ben Chinees, net als jullie.
Je ziet er niet Chinees uit.
Als de zon erop stond kon je zien dat Zou Lei’s haar bruin was en niet zwart. Er zat een slag in. Haar neus was spits en haar ogen Siberisch.
Ons China is een groot land, zei ze maar.
Je klinkt alsof je uit het noorden komt.
Uit het noordwesten.
Een etnische minderheid, dat is ze, zei er een.
Leer me je taal.
Dat heeft geen zin. We hebben Mensenveranda, Vredige Stroom, Stil Meer, Richting Zuiden, Katoenomheining, Zhangpu, Bijeenkomst van de Vrede, Shantou, Gewone Stilte, Hooggeplaatst, Samyap, Jungcan, Weidse Vrede, Drie Provinciën, Verwant-aan-het- Zhang-familie-dialect, en honderden andere. Welke moeten we je leren?
Zou Lei dacht even na. Hoe zeg je de hemel is hoog? Ze wees glimlachend naar het vlekkerige dak van de wagen. Hemel is hoog en aarde is weids.
Sommigen knikten en ontblootten glimlachend hun slechte tanden. Waar, helemaal waar, zeiden ze in koor, en er slaakte er eentje een zucht.
Wat ze wel leerde was bestellingen opnemen. De fortune cookies zaten in een mandje onder de kalender van het Jaar van de Geit en de kleine tempel van kunststof. Servetten, rietjes en eetstokjes lagen naast elkaar op de plank. Geef iedereen een plastic vork, hoe dan ook. Als de klant binnenkomt vraag je wat hij wil. Dan roep je de bestelling naar de keuken achterin: kip-broc, rund-broc, rund-peul, drie stoom, zo afgekort gaat het sneller.
Niemand hoefde haar te leren dweilen of de vuilnis buiten zetten of oneetbare delen van de groenten wegsnijden. Ze zagen dat ze een harde werker was. Het meeste wat ze haar voordeden kende ze al. Ze waste haar kleren op haar knieën in de badkuip, wrong ze uit met haar gekloofde, boertige, paars verkleurde handen en hing ze aan de douchestang tussen de druipende kleren van de anderen, vochtige spijkerstof met glitters en vervaagde cartoonprints. Op de toonbank legde ze een stuk karton op de bodem van de papieren zak, draaide de lipjes van een piepschuim bakje vast en zette die op het karton. De overige bakjes met eten werden met een kartonnetje ertussen op elkaar gestapeld. Ze niette het menu aan de zak vast en gaf de gespierde jongen met het lange blonde haar en rode honkbalpetje zijn bestelling. Je wordt steeds sneller, zei hij, ik heb je geklokt.
Baas zei dat de vrouwen iemand nodig hadden die op ze lette, als een soort grote zus die hem op de hoogte hield. Hij liet ze een leus uit hun hoofd leren – het is geen kwestie van tijd, het is een kwestie van geld – die ze duizend keer per dag snel achterelkaar moesten opzeggen.
Wat betekent het? vroeg ze.
Dat is niet van belang. Belang is onbekend.
Een van de vrouwen was geestelijk labiel, ze had lange perioden van zwijgzaamheid, en dan zei ze dat de politie van Guangxi haar tot een abortus had gedwongen.
Toen het kouder werd, kropen sommigen bij elkaar. Ze bivakkeerden bij de verwarming, hun natte kleren druipend op de douchestang, allemaal ziek, hoestend en brakend in de afvalbak.
Op tv zagen ze meisjes surfen op de golven, achter het stuur van een vrachtwagen zitten, boksen en de marathon rennen onder de zon. Als er nieuwe voorraden werden afgeleverd, sjouwde Zou Lei zakken rijst naar binnen. Dat vonden de vrouwen maar niets. Dat was mannenwerk, voor de kok en zijn neef. Sloof je niet zo uit. Zou Lei zei dat ze de lichaamsbeweging nodig had. ’s Nachts deed ze situps. Ze nam de krant mee die in de bestelbus lag en zocht naar personeelsadvertenties in andere staten.
Ze ging naar Riverhead en werkte daar de rest van de winter, ze logeerde in een La Quinta met een groep vrouwen die Drie Lichten en Mandarijn spraken. Ze kookten om beurten op een elektrisch plaatje.
Amerika is een goed land, zei een oudere vrouw. We zijn met een vissersboot de oceaan overgestoken. De waterpolitie heeft ons opgepikt en op een eiland nabij San Francisco vastgehouden. Dat heeft me gered, want ik was onderweg doodziek geworden. Ik had geluk. De rest is teruggestuurd, alle dertig mensen, behalve ik. Mijn neef vroeg asiel voor me aan. Een paar vrouwen waren al eerder gedeporteerd. Ze komen terug, een keer, twee keer, drie keer. Ze gaan naar het schiereiland van Yucatan, steken de grens over naar Arizona. Zwaar, zwaar. Daar is de woestijn, en wij zijn riviermensen. De taal van mijn dorp is Watergras. We wonen op vijftig kilometer van Oud Veld en daar verstaan ze ons niet eens.
Ze bleef een jaar in Archer en zes maanden in Riverhead. Het seizoen van de varkensgriep was voorbij en de strijd tegen het terrorisme was nu wereldnieuws, het werd nog lastiger om een Green Card te krijgen. Ze bladerde door en zag een foto van een naakte gevangene, languit op de vloer, met een zwarte kap over zijn hoofd. Op de volgende pagina bestudeerde ze de advertenties: bouwvakker, naaister, medewerker restaurant, schoonheidssalon, salaris op basis van ervaring.
Ze ging naar Nanuet waar ze een shirt met een ander bedrijfslogo kreeg en een ander petje. Hier woonden de vrouwen in een stacaravan die op betonblokken rustte, en die betonblokken lagen weer op dennentakken. Er was een drooglijn voor hun wasgoed. Op haar rookdag liftte ze naar het winkelcentrum, rende de snelweg over, sprong over de vangrail en tuurde door de etalageruiten naar gymschoenen Made in China.
Baas droeg altijd een armband van jade en hij reed in een smerige Chevrolet Astro. Ze moest zijn auto wassen, achter bij de plek voor laden en lossen, bij de afvalcontainers, de hekken, het bos. Sproeiend met de tuinslang keek ze achterom en droomde van rennen tussen de bomen.
Het jaar daarop, in de volgende staat, zat ze in een motelkamer met acht vrouwen die een codetaal gebruikten, zelfs in hun eigen dialect. Toen ze vroeg uit welk dorp ze kwamen, zei een van hen Kaneelboom. De rest draaide zich naar haar om en vroeg waarom ze hun geheimen verraadde aan een vreemde.
Ze hadden een oudere zuster, Sophia, die bepaalde wanneer de tv aan mocht. Als er werd aangeklopt, mochten ze alleen opendoen als Sophia er was die zei: Het is oké.
Na een poosje had Zou Lei door dat een zeilboot in hun rijmende slang geld naar China overmaken betekende. Een kreet was een telefoon, een kraai een illegaal en Andy de politie.
Er kwam een man langs met een donkere zonnebril en een drakentatoeage op zijn pols. Hij kwam maandverband afgeven. Baas houdt van muziek, zei hij. Everything I do, I do it for you. Ken je dat liedje?
Op een dag dat Sophia weg was, liet Zou Lei het kamermeisje binnen, vroeg waar ze vandaan kwam en hoe haar werk was.
Honduras, zei het meisje, ze had een tatoeage van een kruis op haar hand. Ze waren ongeveer even oud.
Zou Lei glipte de badkamer in en kwam terug met een stel handdoeken, die ze in de waszak stopte. Gracias, grijnsde het Hondurese meisje.
Je werk, verdien je goed? vroeg Zou Lei.
Nee, niet veel. Poquito geld. Heb je werkvergunning?
Raad eens, zei Zou Lei. Wat denk je?
Nee. Ze giechelden.
Maria leerde haar de boks. Zou Lei liet de advertentie in de Sing Tao zien waarin stond hoe je een burgerservicenummer kon krijgen.
Ze klopte aan bij een werkplaats waar ze acht uur per dag koppelingsschijven in kartonnen dozen moest verpakken. Haar best betaalde baantje tot dusver – negen dollar per uur minus belasting. Tussen de middag at ze rijst met kalkoen uit een tupperwarebakje terwijl de Amerikanen in hun overalls en bandana’s in de rij voor de cateringwagen stonden. Ze bewaarde haar geld op haar lichaam, altijd samen met haar mobiel en valse id, spullen die ze onder geen beding mocht verliezen.

Halverwege augustus werd ze bij het verlaten van een Spaanse buurtsuper opgepakt.
Rustig. Heb je iets in je zak? Iets scherps? Koest maar, rustig. Een jonge Spaanse man in een sportshirt duwde haar armen omhoog en keek over haar schouder terwijl hij haar zakken doorzocht. Hij gespte het tasje om haar middel los en gaf het aan zijn collega met het half zichtbare pistool onder zijn sweater. Ze had net haar cheque in de buurtsuper geïncasseerd en haar ogen lieten het tasje niet los. Heb je een tolk nodig? Ik voel je hart tekeergaan. Cálmate, kom. Rustig aan, hè? Spreek je Spaans? Waar kom je vandaan? China? Ben je een Chinita?
Waarom ben ik niet weggerend?
Ze doorzochten haar kleren en pakten haar geld af, boeiden haar met tiewraps en stopten haar in een bestelbus met een andere gevangene, uit Salvador. Het duurde de hele middag. Hé, jij daar, mama, ben je soms verlegen? Ze hadden mensen uit Hokkien, Cambodja, Guatemala. Ze zetten haar in een kleine ruimte met glaswanden en een roestvrijstalen bank, betonnen vloer en tl-verlichting, de hele avond was het een komen en gaan van meisjes totdat zij aan de beurt was. Ze wreef over de moeten die de kunststof bandjes in haar vlees hadden achtergelaten.
Een blank meisje met uitgelopen mascara gromde dat die eikels haar maar beter voor de verjaardag van haar zoon konden vrijlaten.
Midden in de nacht kwamen ze haar halen. In de weerspiegeling van de glaswand zag ze dat een Amerikaan met een snor haar in de gaten hield. De intercom werd ingeschakeld. Ja, jij daar, ga staan. Ze gehoorzaamde. De deur ging open. Hij wenkte haar met gekromde vinger. Ze liep de cel uit. Alle gangen in deze gevangenis waren donker en ze wist niet wat er ging gebeuren. Er was niemand behalve deze adjudant en verderop in de gang stond een man voorovergebogen de vloer te dweilen, met een vreemd soort gelatenheid over zich alsof hij er niet was, en ze besefte dat hij een gedetineerde moest zijn.
Trek die aan. De adjudant wees op een wasmand met versleten oranje overalls. Ze vroeg waar ze zich kon omkleden want dat zei hij er niet bij. Hij wees naar een toiletruimte, waar ze de deur achter zich op slot deed en even alleen was met de wastafel, de spiegel, de porseleinen toiletpot en de tegels. Uit de radio op zijn bureau klonk een commercial voor auto’s. Ze trok snel haar spijkerbroek uit, vermeed haar spiegelbeeld, ritste de – mouwloze – overall dicht en stapte weer snel het toilet uit, haar blote armen kouder dan de rest van haar lichaam. Ze overhandigde hem haar spijkerbroek alsof het een cadeau was.
Hij pakte haar arm vast en leidde haar dieper het gebouw in, zijn schoenzolen zwaar op de geboende vloer door zijn gewicht, haar slippers rap klepperend ernaast. Ze gingen een hoek om. Ze kon de radio niet meer horen. Er was hier geen licht en het rook er naar dieren. De adjudant bleef voor een groot zwart raam staan. Hij ontsloot de deur naar een enorme, donkere ruimte, wel zo groot als een gymzaal, met een betonnen vloer. Ze kon nog net de genummerde cellen onderscheiden. Ze draaide zich om en vroeg wat ze moest doen. Die daar. Nummer zeventien, zei hij en hij sloot haar op. Ze voelde hem weggaan. Met haar opgevouwen deken in haar armen zocht ze met samengeknepen ogen naar haar celnummer. Boven was nog een verdieping. In haar krappe cel, achter een deur met een laag scheepsverf, voelde ze de omtrekken van een stalen constructie. Een brits. Ze ging liggen. Haar ogen wenden aan het duister. Ze zag graffiti op de muur. Ze stond op en deed de deur dicht. Er zat geen slot op. Ze lag in het donker met gesloten ogen te luisteren.

 

© Atticus Lish, 2014
© Vertaling uit het Engels: Anne Jongeling, 2015
© Nederlandse uitgave: Hollands Diep, Amsterdam 2015

Hollands Diep Uitgevers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum