Leesfragment: Vallende vorst

27 november 2015 , door Désanne van Brederode
| |

1 september verschijnt Vallende vorst van Désanne van Brederode. Lees hier een voorpublicatie. 'Kon hij zich zichzelf voorstellen, liftend door de woestijnachtige binnenlanden van Spanje (het rauwe, zongeblakerde koninkrijk van de omgevallen vraagtekens) en daarna woest verliefd kussend, met een donkerharige danseres, gekleed in zo’n wijde flamencojurk met zwarte en bloedrode stroken die hij kende van de verpakking van de scherp ruikende Maja-zeepjes in het badkamerkastje bij zijn oma? Kon hij zich ook de meest absurde situaties inbeelden met dezelfde ernst waarmee hij nog geen kwartier ervoor zijn geheugen aan het werk had gezet?'

Drie mannen van middelbare leeftijd. Grote verwachtingen hebben ze nooit gekoesterd. Hard werken zit in hun aard, ze kennen hun talenten en tekortkomingen, en ze zijn op hun best in hun rol van toeschouwer-op-afstand. Of zijn ze in die rol geleidelijk gaan geloven? Moet er niet toch eens een daad worden gesteld, voor iemand die hen werkelijk nodig heeft? Drie mannen die elkaar niet kennen, geven gehoor aan een nieuwe roeping. De een werpt zich op als helper van een vriendin die langdurig door haar geliefde is bedrogen, de ander redt een motorrijder, de derde verliest zich in een project voor oorlogsslachtoffers. Maar dat hun passie hen juist kwetsbaar maakt voor de ambities van anderen, dat hebben ze, bij al hun bedachtzaamheid, toch nooit voorzien.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Stille zaterdag. Lees het fragment op Athenaeum.nl.

 

1

Het was een van die koude, toverachtige nachten tussen Kerstmis en de jaarwisseling, en Caspar zat in zijn werkkamer. Zijn computer was al uit. Een paar jaar geleden zou hij zich op een moment als dit hebben afgevraagd of hij gelukkig was, maar die vraag leek niet meer aan de orde; alsof je eroverheen groeide, zoals je eerder in je leven over jeugdpuistjes en natte dromen heen was gegroeid. Over onverklaarbare botpijnen en plotselinge aanvallen van vraatzucht, soms al een halfuur na de lunch of het avondeten.
(Stop daar nou toch eens mee. Blijf met je handen uit die broodtrommel, die ijskast. Het is verdorie niet meer aan te slepen. Zijn moeder had destijds niet begrepen hoezeer hij zich voor zijn onbedwingbare honger had geschaamd. Voor het gerommel in zijn ingewanden. Voor de dof kloppende, zware brood-en-fruitpap in zijn maag die, meer nog dan hart en longen, nodig leek om zijn bloed warm, dun en stromend te houden – en hemzelf rechtovereind.)
Gelukkig was Caspar niet. Ongelukkig evenmin. Misschien was hij gaandeweg vergeten welke emotie er bij het woord ‘gelukkig’ hoorde. Zijn leven was gelukt. Dat wel. Min of meer. Weinig echte zorgen, zeker niet langdurig. En nog veel minder last van dwingende wensen of verlangens.
Het stemde hem tevreden dat hij eindelijk alleen kon zijn, met een al bijna lege maag nu, nuchter, zonder zelfs maar behoefte aan een glas water, terwijl iedereen sliep.
Of in ieder geval stil in bed lag, in het donker, met daarbij dan de hoop in slaap te vallen.
De lichten in de huizen aan de overkant van de straat waren gedoofd. Zijn bureaulamp brandde; de bundel licht viel precies op het toetsenbord van zijn computer. Letters, cijfers en leestekens hadden iedere functie verloren – een klein, zwart, liggend kunstwerk, iets tussen een schilderijtje en een reliëfhoutsnijwerk in, want plat, maar ook weer niet helemaal.
Iets waar je naar kon staren zonder dat het object ooit een geheim zou prijsgeven; er leek zelfs geen logische verklaring voor de glans die op sommige toetsen wel en op andere niet was aangebracht, als een dunne laag vernis.
Alles was toeval, willekeur. Net als hijzelf. Even onbelangrijk als de hoofdletter A. Of: even belangrijk. Caspar keek naar de T, het dunne streepje van de I, het rondje dat een O moest voorstellen, en naar het getal 1 en het uitroepteken, die samen één toetsje moesten delen, en hij vroeg zich af of er op Spaanse computers en laptops een speciale toets zat voor het vraagteken-op-zijn-kop dat hij zo vaak in Spaanse teksten had gezien en waarvan hem de betekenis nooit duidelijk was geworden. Maar hij had er ook nooit iets over opgezocht, laat staan dat hij er iemand naar had gevraagd.

Dertig jaar geleden, dus in de periode waarin hij aldoor maar dwangmatig had moeten eten, terwijl hij toch triestig mager was gebleven, was hij in de nacht van eerste op tweede kerstdag begonnen met wat hij het jaar erop al durfde te beschouwen als een geheime, zij het volkomen onschuldige eenpersoonstraditie.
Het idee was simpel: eerst probeerde hij zich tot in detail zomaar een dag uit de voorbije zomervakantie voor de geest te halen. Hoe was hij wakker geworden, en waar? Wat had hij na het ontbijt ondernomen? Met wie? Wat had hij gezien, gehoord, geroken, geproefd, aangeraakt, gefantaseerd, gedacht? Had hij gefietst? Gezwommen? Gevoetbald, getennist, in gras of op een strand gelegen, op een handdoek, een deken, een ligstoel? Had er ergens muziek geklonken, had hij zijn walkman op gehad? Stond er ergens een radio aan, luisterde hij half-en-half mee met zijn vader, naar het verslag van een etappe van de Tour de France? Had hij een kruiswoordpuzzel gemaakt, een boek gelezen? Op de achterkant van een envelop een landschapje, een enkele plant of boom, een stripfiguurtje getekend, uit zijn hoofd, met balpen, gewoon om maar iets te doen te hebben? Om niet te veel te hoeven denken aan een bepaald meisje? Welk meisje? Meerdere meisjes? Een vrouw? Een lerares, een buurvrouw, iemand uit een winkel? Gingen ze een dag op stap? Kasteel, museum, pretpark, boottocht? Waar hadden ze ’s avonds gegeten? En wat? Hoe was de avond verlopen, welke kleren had hij gedragen, hoe had de stof aangevoeld, hoe was het gesteld met zijn huid, met zijn haren? Plakten ze? Roken ze naar zeewater, zweet of chloor? Had hij voor het slapengaan nog gedoucht? Was het op een bepaald ogenblik gaan onweren, was hij tot zijn spijt toch even angstig geweest, had hij de slaap niet kunnen vatten door geluiden uit de buurtuinen, het blaffen van een hond, het zoemen van een mug, dicht bij zijn gezicht?
Het was de veertienjarige Caspar er niet om te doen geweest zich de stemming, de essentie van een hele zomervakantie voor de geest te halen. Evenmin om het terugvinden van een speciale dag die hij wilde blijven onthouden. Het had hem simpelweg een geruststellende gedachte geleken dat hij midden in de winter, rond Kerstmis, een voorbije dag in juli, begin augustus, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat kon herbeleven, van uur tot uur, zonder daarbij aantekeningen of foto’s nodig te hebben.
Hij bouwde de verdwenen dag zelfstandig weer op, en vooral: vrijwillig. Er moest enige denkinspanning bij komen kijken, en het resultaat diende verwant te zijn aan een film, een documentaire, eerder dan aan een impressionistisch schilderij. Levensecht. Geloofwaardig. Niet uitsluitend mooi of aangenaam. Dus zeker geen idylle, geen idealisering achteraf.
Na deze kleine nachtmeditatie had hij zijn verbeelding de opdracht gegeven om in één moeite door vooruit te blikken, in de richting van een zomerdag in het jaar dat op het punt van aanbreken stond. Kon hij met dezelfde precisie, dezelfde feitelijkheid, een dag die nog zou kunnen komen... verzinnen? Zonder zich geremd te voelen door het ontbreken van kennis over de vakantieplannen van zijn ouders – en zonder zelfcensuur toe te passen daar waar zijn fantasie ruimschoots de grenzen van al het mogelijke en waarschijnlijke overschreed?

Kon hij zich zichzelf voorstellen, liftend door de woestijnachtige binnenlanden van Spanje (het rauwe, zongeblakerde koninkrijk van de omgevallen vraagtekens) en daarna woest verliefd kussend, met een donkerharige danseres, gekleed in zo’n wijde flamencojurk met zwarte en bloedrode stroken die hij kende van de verpakking van de scherp ruikende Maja-zeepjes in het badkamerkastje bij zijn oma? Kon hij zich ook de meest absurde situaties inbeelden met dezelfde ernst waarmee hij nog geen kwartier ervoor zijn geheugen aan het werk had gezet?
Kon je jezelf toekomsten herinneren die nooit zouden bestaan, niet over een halfjaar, niet over anderhalf jaar, en dan ook nog eens uitgevoerd in dezelfde extreem fijnkorrelige helderheid waarin de beelden van een halfjaar geleden zojuist hadden kunnen verschijnen? Kon hij in gedachten een jongen worden die uiterlijk weliswaar in alles op hem leek, maar die er heel andere vrienden op na hield dan hijzelf, met wie hij avonturen beleefde waarvan hij ‘in het echt’ alleen maar zou gruwen? Hoe was het om rond een slordig kampvuur te zitten met plat pratende leeftijdgenoten in leren jacks, de opgevoerde, nu moegeraasde brommers als wachters in de rug, bierdrinkend, rokend, om later om beurten te lurken aan een (door hem?) gestolen fles rum, een trechtervormige reuzenjoint, en dan over seks te praten op een manier die... Op een manier die het steelse loeren naar de blootbladen in de rekken bij de sigarenkiosk tot een zielig therapeutisch spelletje voor smetvrezende, levensbange kleuters maakte? Kon hij dan ten minste in zijn verbeelding begrijpen wat hij een geslaagde vakantiedag zou hebben kunnen vinden, of nog zou kunnen gaan vinden, gesteld dat hij innerlijk anders zou zijn afgesteld?
Was het denkbaar dat hij de komende zomer op uitnodiging van iemand die hij nu nog niet kende, iemand die hij voor het gemak maar even zelf van een gezicht en een naam voorzag (Abel, of Joshua, en anders, heel degelijk: Gert) een festival voor evangelisch geïnspireerde jongeren zou bezoeken, en mee zou juichen en zingen en bidden, de armen wuivend in de lucht, de tranen van ontroering als openbarstende zeepbellen in zijn keel?
Ja. Het was denkbaar. Ook dat was denkbaar. Alles leek zelfs eenvoudiger denkbaar, voorstelbaar, invoelbaar dan op alle andere dagen en nachten van het jaar. Alsof er in de nachten net na Kerstmis een wonderlijk opwekkend, tintelend fluïdum in de lucht hing dat de verbeelding niet slechts leniger maakte, oprekte, meer verstuivingskracht gaf, maar dat jouzelf ook losweekte uit de tijd.
Je bleek een meester over je eigen verleden, zweefde erboven, en je kon na een korte aanloop over voorbije herfstdagen, weken en maanden terugspringen naar een gele, zonnige dag die in alles het tegendeel scheen van deze indigo ijsnacht. Niets was er vervaagd, of verdampt, of weggewaaid; je kon de ruisende, vettige warmte met vingertoppen aanraken – en daarnaast werd je bevrijd, als de eerste de beste slaaf, uit het dodelijk saaie verhaal over je leven tot nu toe. Wat in het gedachte-experiment immers wél verdampte waren wetmatigheden als oorzaak en gevolg, en ‘Je kunt nou eenmaal niet op meerdere plekken tegelijk zijn’, en ‘Een keuze voor het ene betekent doorgaans ook een keuze tegen een heleboel andere zaken’, en ‘Het heeft geen zin om je in dingen te willen bekwamen waarvoor je toch geen aanleg hebt’, en ‘Iemand met de talenten, de opvoeding, de scholing en de ervaringen die jij hebt meegekregen, kan natuurlijk nooit aan lagerwal raken en anders: mislukken’, en meer uitdrukkingen van zulke verstikkende realiteitszin, waar je buiten de stille nachten in de kersttijd natuurlijk heus wel wat aan had.
Dat was wat hij zocht, jaarlijks, in deze midwintertijd: het gevoel niet alleen te zijn bepaald door de omstandigheden en de tijd, maar net zo goed iemand te kunnen blijven worden.
Een beter mens? Dat nog niet eens.
Het ging hem om de ervaring van wordingskracht zonder meer. Een wankel evenwicht, een beweeglijk midden, een as, een donker dieptepunt, een ijkpunt, steeds pal tussen twee hoogzomerse dagen in.

 

Copyright © 2015 Désanne van Brederode

Uitgeverij  Querido

MINDBOOKSATH : athenaeum