Leesfragment: Via Roma. De geschiedenis van Rome in 50 straten

27 november 2015 , door Willemijn van Dijk
| |

17 november verschijnt Via Roma. De geschiedenis van Rome in 50 straten van Willemijn van Dijk. Wij publiceren voor. 'Het Colosseum wordt dag in dag uit omcirkeld door een constante stroom stadsverkeer en toeristen, bij het Pantheon moet je in dikke rijen aansluiten en ook het Forum Romanum kan rekenen op een grote dagelijkse stroom bezoekers. Al die monumenten staan ook nog eens in een decor van de eeuwenlange bouwgeschiedenis die erná kwam. Om een beter beeld – met minder ‘ruis’ – van het oude Rome te krijgen gaan we naar de Via Appia Antica, een van de oudste uitvalswegen van de stad, waarlangs de herinneringen aan het Romeinse verleden om de paar meter opduiken.'

vi Via Appia Antica.

De verovering van de middellandse zee.

Het Colosseum wordt dag in dag uit omcirkeld door een constante stroom stadsverkeer en toeristen, bij het Pantheon moet je in dikke rijen aansluiten en ook het Forum Romanum kan rekenen op een grote dagelijkse stroom bezoekers. Al die monumenten staan ook nog eens in een decor van de eeuwenlange bouwgeschiedenis die erná kwam. Om een beter beeld – met minder ‘ruis’ – van het oude Rome te krijgen gaan we naar de Via Appia Antica, een van de oudste uitvalswegen van de stad, waarlangs de herinneringen aan het Romeinse verleden om de paar meter opduiken. Het is er rustig, en alhoewel het rumoer van het centrum van Rome nog enigszins hoorbaar is en er af en toe een groepje toeristen voorbijsnelt, wanen we ons naarmate we vorderen steeds meer midden op het platteland. Met enkel het groene landschap vol cipressen en pijnbomen op de achtergrond gaan de oude stèles en graftombes aan weerszijden van de ongelijke, met karrensporen bedekte keien van de Via Appia een klein beetje leven. Het was de ambitieuze ambtenaar Appius Claudius Caecus (‘de blinde’) die in 312 v.Chr. het initiatief nam om de weg te laten aanleggen. Hij wilde een fatsoenlijke weg naar het zuiden creëren, waarover het Romeinse leger zich kon verplaatsen. Dat is niet zo vreemd, als we bedenken dat de veroveringstochten van Rome steeds verder reikten; de havensteden in het zuiden van Italië waren de gateway naar het hele Middellandse Zeegebied. Appius was in dat jaar censor en als zodanig niet alleen verantwoordelijk voor de volkstelling en het indelen van het volk in vermogensklassen, maar ook voor de aanbesteding van openbare werken. Hij liet het eerste aquaduct van Rome bouwen (Aqua Appia) en gaf opdracht voor de aanleg van de nieuwe weg naar het zuiden, die hij net als het aquaduct naar zichzelf liet vernoemen.
Bijna alle bouwondernemingen in de republikeinse tijd (ca. 500-30 v.Chr.) werden gekoppeld aan een naam (wanneer het openbare werken betrof) of een daad (meestal een militaire overwinning, die werd vereeuwigd door middel van een monument of tempel). Resten van slechts een handjevol van die monumenten zijn terug te vinden in Rome, en toch zijn het voornamelijk dit soort bouwondernemingen die ons in staat stellen de ontwikkeling van de vroege republiek enigszins te reconstrueren. Er zijn ook voor de vroege en midden-republiek (ongeveer tot de eerste eeuw voor Christus) weinig contemporaine geschreven bronnen; de Romeinen begonnen pas vanaf de tweede eeuw voor Christus met het optekenen van de eigen geschiedenis en Griekse auteurs kregen pas echt interesse in de opkomst van Rome toen het als mogendheid wat voor begon te stellen, rond dezelfde tijd. Appius deed niet meer dan wat in zijn tijd, eind vierde eeuw voor Christus, gewoonte geworden was. Als politicus was hij lid van de bestuurlijke elite, die er sinds de stichting van de stad wel wat anders uit was komen te zien. Het strikte onderscheid tussen patriciërs en plebejers was door sociale verschuivingen vervaagd: rijke plebejers hadden zich een weg omhooggebaand en behoorden nu samen met de oude aristocratische geslachten tot de nobiles, de nieuwe bovenlaag van de bevolking die hofleverancier was voor de senaat. Alle leden van die bovenlaag behoorden tot de rang der equites (ruiters), de hoogste vermogensklasse (een eigen paard was sinds de koningstijd een onderscheidend element als het om bezit ging).
Ook in deze nieuwe sociale orde bestonden er nog volksvergaderingen (bekend als de concilium plebis of comitia tributa en de comitia curiata). Sinds 494 v.Chr. waren er officiële belangenbehartigers van het plebs, de volkstribunen, die middels een vetorecht plannen van de regerende elite konden dwarsbomen. De kerngedachte achter de republiek bleef: absolute macht bestond niet en eer, roem en invloed konden alleen worden verworven door middel van acties en daden tijdens de beperkte ambtstermijnen die tot je beschikking stonden (als je tenminste in de juiste familie geboren was, natuurlijk). Vanzelfsprekend was het voor iemand als Appius, die een telg was uit de voorname Claudius-familie, belangrijk om gedurende zijn bestuurlijk actieve jaren zo veel mogelijk naam te maken door de ‘publieke zaak’ (res publica) te dienen. Met bouwondernemingen als het aquaduct en de Via Appia droeg hij zijn steentje bij en bond hij ongetwijfeld veel clientes aan zich, getuige ook zijn latere benoeming tot consul. Echte roem verwierf je in Romeinse ogen echter maar op één plek: het slagveld. Roem die in een enkel geval, dat van generaal Scipio Africanus, zo ver reikt dat het op de dag van vandaag wordt bezongen in het Italiaanse volkslied.
Helemaal aan het begin van de Via Appia Antica, een stukje van de weg dat tegenwoordig de Via di Porta San Sebastiano heet, bevindt zich het familiegraf van deze held uit het volkslied. Twee priesters, broers en eigenaren van een wijngaard aan de Via Appia, vonden de ingang naar dit graf in 1780 bij toeval toen ze hun wijnkelder aan het verbouwen waren. Tegenwoordig kun je op afspraak een bezoek brengen aan de tombe, maar de ruimte is niet meer wat die geweest moet zijn: in de eeuwen voor de herontdekking van 1780 waren er al grafrovers langs geweest. De inscripties en graven die bij de opgravingen van 1780 in kaart zijn gebracht, verhuisden daarna naar de Vaticaanse musea. Desalniettemin moeten de twee priesters die de ingang naar de grafkamers vonden de nodige opwinding hebben gevoeld toen ze in een inscriptie op een van de tombes de naam ‘Scipio’ lazen. Dat was tenslotte een van de meest illustere families uit de geschiedenis van Rome.
Fratelli d’Italia, l’Italia s’è desta. Dell’elmo di Scipio, s’è cinta la testa – het Italiaanse volkslied is een strijdlied, waarin wordt opgeroepen het hoofd in te snoeren in de ‘helm van Scipio’, de grootste held uit het oude Rome. De Scipio’s (Scipioni) behoorden tot de gens Cornelia, een van de meest voorname families van de Romeinse republiek die konden bogen op een lange voorgeschiedenis van bouwondernemingen in de stad en die steevast belangrijke bestuurlijke posities hadden bekleed. Drie mannelijke leden van de familie Cornelia wisten zich meer dan gemiddeld te onderscheiden, niet op het politieke toneel dicht bij huis, maar op slagvelden ver weg.
Nadat de hegemonie in heel Italië was bewerkstelligd, richtte Rome de blik overzee. Dat ze enkel over een landmacht en niet over een vloot beschikten, kon de overzeese ambities van de Romeinen niet in toom houden. In 264 v.Chr. raakte Rome betrokken bij een conflict op Sicilië: voormalige huursoldaten uit Zuid-Italië hadden zich gevestigd in Messina, maar werden nu aangevallen door Syracuse. Om aan die dreiging te ontsnappen riepen ze de hulp in van de twee grootmachten: Rome en Carthago (Noord-Afrika). Carthago had een stevige handelspositie in het Middellandse Zeegebied en een flinke voet aan de grond op Sicilië. Rome was de grote opkomende macht die het handeldrijven in en om Italië steeds meer bemoeilijkte voor de Carthagers. Beide partijen vreesden elkaars macht en de kwestie op Sicilië moest haast wel een confrontatie uitlokken. Niemand had echter vermoed dat het conflict zou uitlopen op een periode van meer dan honderd jaar (af en aan) oorlog voeren. Carthago zou een van de lastigste tegenstanders blijken die Rome op de lange weg naar wereldhegemonie tegenkwam.
De machtsstrijd werd aanvankelijk uitgevochten in de zogenoemde Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.). ‘Punisch’ is een verbastering van ‘Fenicisch’, een oude benaming voor de Carthagers. Rome won en Sicilië werd de eerste overzeese provincie van het Romeinse Rijk. Anders dan de veroverde gebieden op het vasteland van Italië, die als bondgenoot van Rome zelfbestuur (en daarmee een greintje zelfrespect) behielden, kwamen deze en latere provincies meteen onder het gezag van een Romeinse bestuurder (praetor) te staan. Enkele decennia van relatieve rust volgden, waarin Carthago de kans kreeg te herstellen en grondgebied te veroveren in Spanje. Daarna kwam het opnieuw tot een confrontatie, in wat een van de meest ingrijpende en heftige oorlogen uit de geschiedenis van Rome werd: de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het was tijdens deze oorlog dat de Romeinen kennismaakten met hun meest geduchte tegenstander aller tijden: de Carthaagse veldheer Hannibal.
Hannibal sprak (en spreekt) tot de verbeelding van vriend en vijand. Niet alleen omdat hij de stoutmoedigheid bezat om de Romeinen vanuit Spanje actief aan te vallen en met een kundig leger (inclusief olifanten) de Alpen over te trekken; hij werd ook gezien als het brein en de drijvende kracht achter een van de meest bijzondere militaire overwinningen uit de geschiedenis: de slag bij Cannae (216 v.Chr.). Hij was met zijn legers via de Alpen Italië binnengetrokken en richtte onderweg overal aanzienlijke schade aan. Verschillende malen kwam het tot confrontaties met het Romeinse leger. Na wat bescheiden overwinningen bracht Hannibal zijn legers naar Puglia in Zuid-Italië, om te overwinteren. Hij koos de kleine nederzetting Cannae, het tegenwoordige Canne della Battaglia, als basis en nam zich voor het zuiden van Italië in te nemen. Rome reageerde en stuurde de twee regerende consuls (Emilius Paulus en Terentius Varro) naar Puglia om het leger aan te voeren in de strijd tegen de brutale Hannibal. De nachtmerrie die steeds in het achterhoofd van de tot dan toe almaar zegevierende Romeinen moet hebben gezeten, voltrok zich bij Cannae. Het veel grotere leger van Varro en Paulus werd afgeslacht: van de 86.000 Romeinen zouden er zeker 70.000 zijn gedood. Met een relatief ongeorganiseerd en uitgeput leger van huursoldaten wist Hannibal, dankzij zijn sterke tactische inzicht, het goed getrainde en nog beter uitgeruste leger van de Romeinen ten val te brengen bij Cannae. Het was de grootste militaire catastrofe die Rome had meegemaakt. Pas toen de Romeinse veldheer Publius Cornelius Scipio later naar Spanje trok en daar de Carthagers verdreef, begon de overwinning van de Romeinen zich af te tekenen. Uiteindelijk wist Scipio Hannibal in de slag bij Zama (vlak bij Carthago) in 202 v.Chr. te verslaan, wat hem de bijnaam ‘Africanus’ opleverde. Carthago gaf zich over en Rome kon zich heerser van de Middellandse Zee noemen.
Scipio Africanus Maior – de Scipio naar wie wordt verwezen in het Italiaanse volkslied – was in de slag bij Zama weliswaar als winnaar uit de strijd gekomen, maar het vredesverdrag dat daarna werd getekend had de brutale Carthagers naar de smaak van veel Romeinen nog lang niet genoeg op de knieën gebracht. ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden,’ zo klonk het jarenlang in de Romeinse senaat. De conservatieve senator Cato de Oude sloot zijn redevoeringen, ongeacht het onderwerp, namelijk steevast met deze woorden af. Tijdens de Derde Punische Oorlog in 146 v.Chr. werden Cato’s woorden onder de aanvoering van Scipio Africanus Minor (de kleinzoon van de eerdere Scipio) waarheid: na de vernietigende oorlogsjaren en de overwinning van de Romeinen bijna een halve eeuw eerder werd de stad in Noord-Afrika alsnog volledig met de grond gelijkgemaakt. Alle inwoners werden gedood of verkocht als slaaf. Het was een daad vol symboliek, die niet in de laatste plaats gericht was tegen de figuur van Hannibal. Het gehele Carthaagse gebied werd de Romeinse provincie Africa.
Aan het begin van de derde eeuw voor Christus had Lucius Cornelius Scipio Barbatus, consul in het jaar 298 v.Chr. en stamvader van de Scipio’s, aan de Via Appia een grafmonument laten bouwen voor zijn illustere Romeinse familie. Zijn eigen, rijkelijk versierde sarcofaag kreeg vanzelfsprekend een prominente plek tegenover de ingang (maar staat tegenwoordig in de Vaticaanse musea). De keuze voor de locatie van het graf, aan het begin van de pas enkele decennia eerder geïnaugureerde Via Appia, zal niet op toeval berust hebben. De familie (inclusief, later, Scipio Africanus) stond erom bekend zeer open te staan voor culturele invloeden uit de Griekse wereld, en de Via Appia was de uitvalsweg die letterlijk de weg had gebaand naar die wereld en die symbool stond voor de uitbreiding van het Romeinse Rijk in de richting van Magna Graecia, ‘Groot-Griekenland’.
Natuurlijk gingen er, ondanks Appius’ oorspronkelijke motieven voor de aanleg, uiteindelijk niet alleen soldaten, maar ook bodes, ambtenaren, rijkere burgers, slaven en allerlei handelswaren over de keien van de Via Appia. Het was de weg die niet alleen leidde naar Sicilië en Noord-Afrika, maar vanaf havenstad Brundisium (nu Brindisi) ook naar het rijke handelsnetwerk van het oostelijke Middellandse Zeegebied. Het militaire en economische belang van deze route naar het zuiden groeide snel, zodat de Via Appia al vroeg de bijnaam regina viarum kreeg, de ‘koningin der wegen’.
In onze tijd is de Via Appia vooral bekend uit twee verhalen. Het oudste verhaal wortelt in de vroegchristelijke geschiedenis. De Via Appia was ooit het decor van een ontmoeting tussen Petrus en Jezus. Petrus had over de regina viarum de stad willen ontvluchten, om te ontkomen aan de wrede christenvervolgingen van de Romeinse keizer Nero. Eenmaal op de Via Appia kwam hij, in een visioen, Jezus tegen, die zich juist in tegengestelde richting bewoog, naar de stad toe. Petrus vroeg hem: ‘Domine, quo vadis?’ – Heer, waar gaat u heen? ‘Naar Rome, om opnieuw gekruisigd te worden,’ was het antwoord. Petrus begreep de boodschap en deed wat er van hem verwacht werd: hij keerde om, en ging op weg terug naar de stad om de geplaagde christengemeenschap bij te staan.
Bloeddorstiger en wreder is die andere beroemde scène waarin de Via Appia op de achtergrond figureert. In Stanley Kubricks film Spartacus (1960) wordt het verhaal verteld van de slavenopstand onder leiding van de onvermoeibare Spartacus, die uiteindelijk door de legioenen van generaal Crassus de kop in wordt gedrukt. Zo’n zesduizend slaven werden gevangengenomen en stuk voor stuk werden ze aan het kruis genageld. De houten kruizen werden in duizendtallen opgesteld langs de Via Appia, waar ze bij wijze van waarschuwing nog jaren zouden blijven staan.

 

© 2015 Willemijn van Dijk

Ambo|Anthos Uitgevers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum