Leesfragment: Vlaanderen 2055

27 november 2015 , door Jonathan Holslag
| | | |

Op 1 oktober verschijnt het nieuwe essay van Jonathan Holslag: Vlaanderen 2055. De voorpublicatie wordt ingeleid door Holslag zelf. 'Vakmannen en -vrouwen in het jaar 2055 combineren de onvervangbare sensitiviteit van hun eigen handen, de onevenaarbare verbeelding van het menselijke brein met investeringen in hoogtechnologische werktuigen en 3D-simulaties. Zeepmakers, meubelmakers, kleermakers, schoenmakers… allen worden zij gedreven door de zichtbare waardering van de klant, door de glimlach van een meisje dat paradeert in een knappe jas van eigen makelij, door een heer in een paar opgeglansde schoenen dat goed zit.'

N.B. Holslag treedt donderdag 1 oktober op in De Balie.

Politicoloog en schrijver Jonathan Holslag droomt van een betere toekomst voor zijn eigen regio, Vlaanderen. In dit essay daagt hij de lezer uit mee te reizen naar een ideale samenleving, alvorens pragmatisch de weg ernaartoe te bepalen en bijzonder concreet – van een slim energiebeleid tot een nieuwe industriepolitiek – te beschrijven welke hervormingen nodig zijn om daar te geraken. Holslag laat zien dat Europese gewesten wel degelijk een verschil kunnen maken als ze groots denken. Vlaanderen, zo stelt hij, zal progressief zijn of het zal niet zijn. Holslag zelf licht toe:

Het opzet van het essay is voor een stuk verder te bouwen op De kracht van het paradijs. Dat boek stond vooral stil bij de uitdagingen en helaas zijn de meeste voorspellingen intussen bewaarheid geworden: onze omgeving is onveiliger geworden en Europa nog meer verdeeld.

In zo’n situatie neigen mensen erg defensief en conservatief te worden. Dat is op zich begrijpelijk en het blijft uiteraard erg belangrijk om ons te verdedigen tegen de steeds veelvuldiger uitwassen van onze turbulente wereld. Maar als de geschiedenis ons één zaak leert, dan is het dat je geen sterke verdediging kan bouwen rond een zwakke samenleving. De voorwaarde om te overleven in deze roerige tijden, is onzekerheid om te buigen in een ambitieus toekomstproject, een project dat streeft naar een veilige, hechte en rechtvaardige samenleving.

Nét op deze momenten zouden we dus moeten blijven geloven in vooruitgang. Het lijkt me een dom antwoord op de crisis om mensen onder druk te zetten om harder te werken en andere offers te brengen, zonder dat we ons zelf een idee kunnen vormen waar we naartoe willen. Dat laatste blijft natuurlijk altijd een uitdaging. Het is immers gemakkelijker om met een politiek van polarisatie concrete vijandsbeelden aan te wijzen in de huidige samenleving dan mensen te overtuigen van een optimistisch, doch haalbaar toekomstbeeld.

Vlaanderen 2055 probeert nét dat te doen: een positief toekomstbeeld naar voren te schuiven en er een realistisch pad  naartoe uit te stippelen. In het eerste deel probeer ik dat toekomstbeeld erg tastbaar te maken en je uit te nodigen om als hoofdpersonage door het Vlaanderen van 2055 te wandelen. De daaropvolgend hoofdstukken gaan telkens in op strategie en praktische keuzes. Het was mijn doel een toegankelijk essay te schrijven, een maatschappelijk essay met de leesbaarheid van een kookboek als het ware. Het is een denkoefening zonder academische pretentie, maar met de hoop om alvast een alternatief te bieden voor de nodeloze links-rechts polarisatie onze samenleving, een vooruitstrevend antwoord op de overheersende afbraakpolitiek.

 

I

2055

U staat op de drempel van uw voordeur en leunt naar buiten. Wat ziet u? U wandelt door het centrum van uw stad, wijk of dorp. Wat valt er op? Zijn het gebouwen, reclameborden, parkeerplaatsen, bestelwagens, stoplichten? Stel nu dat u die straten mag hertekenen, dat u uw woonplaats mag omvormen tot een droomplaats, hoe zou die er uitzien?
Hoe verbeeldt u zich die plek voor uw oude dag, als een thuis voor uw kinderen, of de kinderen van uw dierbaren, en een plaats voor hun kinderen – misschien uw kleinkinderen? Neen, uw ogen horen nu niet sluiks naar de volgende alinea te glijden. Sluit ze en geef uw verbeelding vrij spel… Ziet u de huizen, de straten? De mensen in de straten, wat stralen zij uit? Praten zij met elkaar? Hoe brengen zij hun tijd door? Doen ze wel eens een terras?
Bevreemdend, niet, zo uitgenodigd te worden om te dromen? Maar hoe kunnen we vooruitgang beoordelen als we ons geen betere toekomst kunnen verbeelden? Hoe kunnen we dan bepalen waar we het beste onze tijd in investeren, onze arbeid, onze spaarcenten, of onze schaarse ruimte? We reageren en we panikeren, maar écht vooruitdenken doen we weinig.
Ik ben er zeker van dat u die stuurloosheid erkent. Het maakt u samen met vele anderen zenuwachtig. Ja, we werken hard en we proberen te sparen… en toch wordt het steeds moeilijker. We bezuinigen en toch zet het economische herstel niet door. We hebben een massa politici, ambtenaren en proffen die over dat alles kunnen nadenken, maar ook zij lijken niet in staat om ons naar voorspoed te gidsen. Als er al vooruitgang is, technologisch of economisch, dan is het overigens vaak de vraag of die nog wel op mensenmaat is geschoeid. Onze leefwereld lijkt minder en minder op de droomplaats die we zojuist zagen verschijnen. Zij wordt jachtiger en grimmiger.

* * *

Echte vooruitgang is het vermogen om mensen meer mens te laten zijn, om meer van onze behoeften te bevredigen, meer van onze talenten te ontwikkelen en onze veelzijdigheid beter tot uiting te laten komen. Dat is het vertrekpunt. Leiderschap behelst dan de vaardigheid om de weg uit te stippelen van de moeilijke situatie vandaag naar een betere toekomst.
Het betreft een combinatie van machtspolitiek en waarden, van realisme en idealisme. De wereld zal blijven draaien om macht, maar macht draait op zijn beurt steevast om ambities en idealen. In mijn boek over Europa deed ik al een aanzet. Dit essay verwoordt op een bijna tastbare wijze hoe een kleine regio als Vlaanderen mee de bakermat kan worden van een Europese samenleving die competitiever, duurzamer en mooier is. Lokaal denken met Europese en zelfs wereldwijde weerklank: daar gaat het om.
Het is dus geen pleidooi voor meer of minder Vlaanderen, het is een pleidooi om bestaande bevoegdheden beter te gebruiken, om mee met de andere regio’s de handen aan de ploeg te slaan, om door eendracht in België en Europa onze macht doelbewust aan te wenden. Een progressieve agenda is wellicht het sterkste bindmiddel tussen Europese steden, tussen regio’s en tussen landen. Veel van wat ik in dit essay beschrijf zou dus ook van toepassing kunnen zijn op andere regio’s. Maar we moeten ons dus wel eerst kunnen voorstellen wat dat kan betekenen, vooruitgang.

* * *

Mijn verhaal, mijn gedachteoefening, heeft enkel kans van slagen als u het hoofdpersonage wordt. Als u aan het eind van het boek onder de indruk bent van de expeditie, laten we dan afspreken dat u het cadeau geeft aan een aantal mensen die u dierbaar zijn, zodat zij die ervaring kunnen delen. Als we ons met velen een verhaal eigen maken, dan moet het mogelijk zijn om een deel van dat verhaal te realiseren.
Het is belangrijk te beseffen dat u wel degelijk een verschil maakt. Als modale Vlaming staat u nog steeds boven aan de voedselpiramide. Uw gemiddelde levensverwachting is tachtig jaar en uw economische gewicht gedurende die periode – hetgeen u consumeert en investeert – bedraagt gemiddeld 2,7 miljoen euro. Niet slecht. Natuurlijk is dit meer dan uw nettoloon opgeteld, want u draagt af en geeft dus op talrijke manieren onrechtstreeks mee vorm aan onze samenleving.
Als burger laat u duidelijke sporen na. Kijken we alleen al naar het meest tastbare: het huis dat u bouwt of koopt bijvoorbeeld is goed voor gemiddeld vierhonderd kubieke meter aan onverzettelijk beton, bakstenen en staal – in een stijl die misschien gesmaakt wordt door de volgende generaties, misschien ook niet. U heeft minstens een tweede huis, want om in uw behoeften te voorzien neemt u onrechtstreeks een aandeel in bedrijfsgebouwen, winkels en kantoren dat nog eens anderhalf keer zo omvangrijk is als uw eigen woning.
Gedurende uw leven stookt u vierhonderd kubieke meter op aan brandstof voor uw huis, voor uw wagen, en voor de productie van de goederen en diensten die u koopt. Ongeveer de helft van dat volume verteert u gedurende uw leven aan landbouwgewassen. Nog eens de helft van dat volume, dus tweehonderd kubieke meter, verbruikt u aan allerlei soorten plastic. Ruim honderd keer dat volume, namelijk 40.000 kubieke meter, verbruikt u aan water.
Gedurende uw leven legt u in Vlaanderen beslag op ongeveer vijf vrachtwagens en rijdt u zelf vier wagens op. Stapel al die volumes op elkaar, dan neemt dat gemakkelijk de proporties aan van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. U houdt tijdens uw leven vlot een voltijdse werknemer aan het werk in eigen land en heeft drie Chinezen of andere goedkope arbeiders nodig om uw T-shirts, elektronica of ander huisraad ineen te steken. Beweert u nog eens dat uw voorkeuren géén verschil maken.
Uw leven is een kathedraal. Nu dan, kunt u, zoals de middeleeuwse kathedralenbouwers verwachtten dat zij dankzij hun bouwwerken dichter bij de hemel zouden komen, besluiten dat uw kathedraal u dichter bij de droomplaats brengt die u zich zojuist verbeeldde, u dichter bij het geluk brengt? ‘Ha!’ zal nu ongetwijfeld een aantal lezers roepen, ‘wat geluk is, dat bepaalt toch iedereen zelf, daar heb je toch geen droomplaats voor nodig!’
Stel dat ik het u opnieuw zou vragen, zo rond uw zeventigste, het moment waarop de meeste mensen de balans opmaken. Dan blijkt dat op die leeftijd aanzienlijk wat mensen spijt hebben over zaken die zij in hun jachtig jonger bestaan niet zozeer in twijfel trokken. Dat is wijsheid achteraf, inderdaad, maar eigenlijk zijn er al vroeger aanwijzingen dat mensen die zichzelf gelukkig prijzen niet echt gelukkig zijn.
Als we onze hele samenleving evalueren op een schaal 1 tot 10, gaande van extreem ongelukkig tot extreem gelukkig, dan scoren we een 7. Dat is althans op basis van de algemene vraag ‘hoe gelukkig bent u?’. Specificeren we die vraag bijvoorbeeld naar ‘hoe vaak was u gelukkig de voorbije week’, dan worden we al bescheidener en eindigen we op een 6. Op de vraag of mensen ons met respect behandelen scoren we een 7, op de vraag of wat we doen echt waardevol is 5, op de vraag of we voldoening halen uit wat we doen een 4, en op de vraag of we optimistisch zijn over de toekomst… een 3.
Wat bepaalt geluk? Er bestaat een duidelijk positief verband tussen geluk en de tevredenheid over het inkomen. Maar bijna even groot is de samenhang met de gezondheid, het gevoel dat het leven zin heeft en de tevredenheid over het werk. Daarna volgen meteen zaken zoals interesse in wat we doen, de mogelijkheid om werk zelf te organiseren, de genoegdoening uit werk en een goed evenwicht tussen werk en vrije tijd. Een heel groot stuk van ons geluk hangt dus af van de omgeving en van waarden die dagelijkse economische overwegingen overstijgen. Geluk lijkt vooral bepaald te worden door ons vermogen om tegemoet te komen aan een onderhuids verlangen om ons als mens zo volledig mogelijk te ontplooien. Daarvoor hebben we de anderen nodig.

* * *

We keren nu definitief naar onze droomplaats terug. Beeldt u zich in dat u nog zou leven in 2055, veertig jaar verder, dus. U staart op een zomeravond voor u uit, de blik helder, de zachte palm van uw partner in de ene hand, een fris glas in de andere. De rest van de kleine tuin wordt na school het jachtterrein van ridders en jonkvrouwen. U houdt een oogje in het zeil en de schoonzoon bakt de frieten. Huizen zijn als een tak met meerdere nesten. In het uwe worden de dagen langer. Ze worden gevuld met muziek, een boek, kaart en lange siësta’s. De verpleegster komt af en toe langs voor de pilletjes en de stramme spieren. Toch verplegen wij ouderlingen vooral onszelf met werk in de gezamenlijke groentetuin, naaiwerk, uitgelaten middagtafels, sport, een uitstap en een sporadisch ziekenbezoek. De gilde van het kaatsbal boert goed.

De ochtenden beginnen met een ritueel van smaak. U trekt dan naar het marktplein om de familie van dagvers brood, charcuterie, aardbeien en koffie te voorzien. Het is prettig dwalen in de straten van deze stad. Uit de open vensters klinken Brel en Bach. Onderweg mijmert u over hoe wij jaren geleden, nog scherp van geest, het angstbeeld bezwoeren van megasterfhuizen, gerund door beursgenoteerde zorgverstrekkers uit Amerika, met zenuwachtige robots in de eetzaal en een oplaadbare chihuahua op schoot, of hoe we verhinderden dat hetzelfde grootkapitaal onze kinderen volledig zouden onderwerpen tot weke, hersenloze verbruikers.
Neen, in ons kleine stukje Europa werden wij niet bedreigd met het uitsterven van de mensheid, maar met het langzaam uitdoven van de mensheid. Onze vijand lag niet op de loer in een of andere loopgraaf, onze vijand zat vooral in onze eigen hoofden. We waren namelijk vergeten dat wij zelf de maatstaf van de vooruitgang zijn.

Op een doordeweekse dag, zo rondom zevenen, neemt u rustig het ontbijt, met dierbaren aan een grote tafel of alleen, heeft u de tijd om bij de bakker een brood te kopen of een verkwikkende kop koffie te brouwen uit versgemalen bonen. Zo gaat dat in 2055. Beeldt u zich de tafel in: gedekt met Vlaams linnen, een schaal buikige kersen, een dag eerder geplukt van een boom in een park, frambozen van eigen kweek, keurige kazen van een van de kaasmakers uit de omgeving en chocopasta met échte chocolade. Voor ons, grijsaards, zal dat ontbijt langzaam overvloeien in de dag; ouders maken het lunchpakket voor hun kinderen en wandelen of fietsen daarna via de school naar hun werk.
Op het werk hebben pauzes allure. De baas zorgt voor sap van de boomgaard. Een glimmend koffietoestel wordt met overgave bediend door de dame die ook instaat voor verse soep tijdens de middag – de bakker levert kraakvers van zijn speciale ‘late bak’. In de bedrijven is de lunchhoek de aangenaamste plaats met grote vensters die uitgeven op parken, pleinen, velden, en straten. Er wordt gepraat over de voormiddag, nieuwe orders, nieuwe machines en de laatste software-updates. Daarna volgt een hazenslaap, een wandeling, of sport.
Zo rondom vijven, op de terugweg naar huis, passeert u de avondmarkt, die voor een stuk in een centraal gebouw en voor een stuk onder statige arcades is ondergebracht. Groepjes producenten bieden er zélf hun waar aan en kunnen u dus ook haarfijn uitleggen welke tomaten vandaag het beste smaken, welk stukje van het varken u deze avond het beste aanbraadt en welke kaas erbij past als nagerecht. Elke stad, elke stadswijk heeft zijn eigen tempel van de smaak: minder plastic, meer sensatie!
Het grootste deel van het aanbod wordt aangevoerd uit de onmiddellijke omgeving; maar het lokale gamma wordt verrijkt met het beste wat de wereld te bieden heeft. Een sneltreinnetwerk voert granaatappels uit de vredige boomgaarden van Syrië aan, gisteren pas geoogst, citroenen van de Amalfikust en de honingzoete Negronnevijgen uit Frankrijk. Elke markt smaakt anders en elk seizoen smaakt anders. De markt waaiert uit in straten met fijne bistro’s, voor wie het koken graag een avond overslaat. ’s Zomers wordt er gebarbecued op de pleinen. Koken is een verplicht vak op school. Er is geen slimme telefoon nodig om te ‘ruiken’ of de vis vers is.

* * *

Winkels zijn er voor de rest niet veel. In plaats daarvan zijn er stadsateliers gekomen, waar niet alleen verkocht wordt, maar ook echt waarde wordt toegevoegd aan wat we kopen. Met de terugkeer van de ateliers naar de steden is ook het leven naar de steden teruggekeerd. Het is gedaan met de doodse straten die wachten op de terugkeer van de massa’s uitgebluste pendelaars. Een fijn vertakt netwerk van producenten zorgt ervoor dat de meerderheid van de inwoners aan de slag blijft in de stad of stadswijken zelf. Daardoor is er tijd om ’s middags een glas te drinken en ’s avonds te blijven hangen in een bistro.
Sommige ateliers specialiseren zich in diensten, net zoals vroeger: kappers, wasserijen, kinesisten, enzovoort. Maar er zijn ook ateliers met groepjes hypergespecialiseerde ingenieurs, onderzoekers en ontwerpers, die dankzij het net hun diensten over de hele wereld aanbieden. Het zijn Google-campussen op zakdoekformaat, maar dan zonder kunstgras en retrokussens om de schijn op te houden van een werkplek thuis. Dit is écht thuiswerken. In deze stad vloeien werken en wonen in elkaar over.
Hoewel er grote bedrijven in de stadsrand zijn, heeft een aanzienlijk deel van de maakindustrie zijn weg terug naar de stad gevonden. De economische revolutie heeft er immers voor gezorgd dat de groeilanden voor zichzelf zijn beginnen produceren en dat de eindeloze vrachtwagenstromen op onze wegen verdwenen zijn. Mensen vinden het ook prettig om dingen te maken, tastbaar te scheppen, creatief te zijn, als vakman of -vrouw gewaardeerd te worden en bij te kunnen dragen aan een mooiere stad.
Vakmannen en -vrouwen in het jaar 2055 combineren de onvervangbare sensitiviteit van hun eigen handen, de onevenaarbare verbeelding van het menselijke brein met investeringen in hoogtechnologische werktuigen en 3D-simulaties. Zeepmakers, meubelmakers, kleermakers, schoenmakers… allen worden zij gedreven door de zichtbare waardering van de klant, door de glimlach van een meisje dat paradeert in een knappe jas van eigen makelij, door een heer in een paar opgeglansde schoenen dat goed zit… Het geluk van de maker wordt het geluk van de koper – en omgekeerd.
Uw uitgaven verspreiden zich daardoor ook opnieuw van een aantal megabedrijven naar de massa, de economie wordt democratischer, waardoor luxe, duurzaamheid én schoonheid effectief voor iedereen bereikbaar zijn. Duurzaamheid maakt ook dat onze aankopen langer meegaan. Als we ervan af willen, kunnen we ze voor een goede prijs doorverkopen, net zoals we dat vandaag doen met een oude grenen linnenkast, een strakke Scandinavische designtafel, degelijke kinderkleren of een goede geluidsversterker.
Grondstoffen worden naar waarde geschat. We verbeterden onze levenskwaliteit, zonder afhankelijker te worden van de oude grondstoffenverslindende industrie die landen als China en India overeind hielden door op hun beurt grondstoffen voor een habbekrats te ontfutselen aan de nog armere landen in Afrika. In de plaats daarvan hebben we een kringloopeconomie opgebouwd. Het containerpark is een onuitputtelijke bron van grondstoffen, waardoor we bijna zelfvoorzienend zijn en de groeilanden hun eigen grondstoffen verstandig kunnen inzetten waar zij het hardst nodig zijn. Alles wordt nu ontworpen zodat we ze gemakkelijk kunnen herstellen en onderdelen kunnen worden hergebruikt.
Ruim de helft van de goederen die we kopen wordt in onze eigen stad of haar nabije omgeving gemaakt en daarmee hebben uw aankopen een erg zichtbare impact op anderen, uw buren, vrienden, kinderen en kleinkinderen. En zullen anderen waarschijnlijk een even zichtbare invloed hebben gehad op uzelf. Het bespoedigt positieve wederkerigheid. We worden dus allen aandeelhouder van onze lokale economie en geld wordt opnieuw hersteld in zijn zo belangrijke rol: het mogelijk maken van transacties van kwaliteit, smaak, schoonheid en geluk.

* * *

Een groot deel van uw vermogen beïnvloedt deze plek nog op een andere manier: door de aankoop van een woning. Een woning is een investering in veiligheid, comfort, rust en geborgenheid. Een woning is nog steeds de krachtigste uiting van onze smaak. Een woning is ook een vertrouwde manier om welvaart over te dragen aan het nageslacht. Maar het resultaat moet voor het nageslacht ook mooiere steden opleveren en een aantrekkelijke ruimte er rondom.
Het conflict tussen de schaarse groene landschappen en gebouwen werkten we weg door te verdichten. We gingen dus voor een stuk de hoogte in, minstens vijf hoog, zoals een Amsterdams grachtenhuis. Bebouwing wisselen we af met kleine pleinen, de overgang tussen de bebouwing en de open ruimte verzachten we door veel groen, weelderige boomkruinen, struiken, bloemenvelden.
De spanning tussen de drang naar verscheidenheid en het verlangen naar harmonische steden, en een zekere eenvormigheid, beheersten we door een aantal eenvoudige regels op het gebied van afmetingen, kleuren en materialen. Bouwmaterialen betrekken we zo veel mogelijk uit de buurt: van lokale grondstoffen en lokale producenten.
Het resultaat mag er zijn! Een zekere eenvormigheid, maar toch onvoorspelbaar, want er zijn veel minder megalomane projecten van makelaars, er is een combinatie van frivole rijen gevels en grotere bedrijfsgebouwen. Juist omdat we vooral plaatselijke bouwmaterialen gebruiken, verkrijgt elke stad een eigen uitstraling en een grote aantrekkingskracht op mensen van elders, die onze steden graag willen ontdekken. De stad wordt dan niet alleen dankzij de winkels het uitstalraam van de omgeving, maar ook door de panden waarin de winkels gehuisvest zijn. Gepland, maar toch erg spontaan. Zo’n stad wordt een bestemming, net zoals andere steden ook meer de moeite worden om te ontdekken.
Deze stad ademt cultuur uit, verfijning, vakmanschap, creativiteit, levensvreugde en verbeelding. Cultuur straalt af van de gebouwen, wordt tastbaar in de ateliers en geurt doorheen de markthallen. Zij prikkelt onze jongeren in de scholen, wordt gevierd in bibliotheken en trekt de aandacht op de talrijke podia. Cultuur maakt deel uit van het leven en wordt spannend gehouden door de onvermijdelijke onvolmaaktheid van de stad, de rauwheid, de spanning, de groei en het verval.

* * *

De stad in het jaar 2055 brengt ook meteen een heel andere benadering van mobiliteit met zich mee. De jongeren in onze droomplaats hebben amper tien minuten nodig om zich naar het werk of de school te verplaatsen. Dat doen ze te voet of met de fiets. Wat een verschil met vroeger, toen wij vlot een uur en zelfs twee uur kwijt waren voor een jachtige baan in de hoofdstad! We spenderen in vergelijking ook veel minder. Jazeker, we rijden nog met de wagen, zelfs nog met een benzinewagen, want wat is er nu leuker dan zelf flink optrekken en het gebrul van een echte motor! We kunnen zelfs kiezen met welke wagen we rijden – Porsche, Jaguar, Minerva – of ons laten rijden in stijl, want we zijn allen vennoot van een van de automobielclubs waar we voor de helft van een maandloon én bewezen behendigheid een jaar lang kunnen kiezen. In die clubs wordt er met passie geboend aan de laatste aanwinst, gesleuteld aan oldtimers, gebouwd aan heel nieuwe types.
Straten zijn bijna volledig autovrij en dat heeft een enorme impact op het uitzicht. Er is meer plaats voor groen, elegant geklinkerde pleinen, waterpartijen. Spelen op straat en feesten op het voetpad: het kan. De steden zijn onderling verbonden door een Europees spoorwegennet. Geen pendelaars die als afgepeigerd vee het perron op draven om zich daarna in vieze treinen te persen: iedereen reist eersteklas. Er wordt nog steeds gependeld, maar het aantal pendelaars is beperkt. Er zijn ook nog snelwegen, maar maximaal vier baanvakken. Door de lokale productie is het vrachtverkeer geslonken en bedient het vooral gespecialiseerde bedrijven in de stadsrand.

Minstens even interessant als de snelle wegen is het fijne netwerk van trage wegen. Door de verdichting in de steden is de ruimte tussen de steden een vrijetijdsparadijs. Onaantrekkelijke gebouwen langs onaantrekkelijke wegen hebben geleidelijk plaatsgemaakt voor groen. Er worden nog steeds nieuwe partijen bomen en bos aangeplant. De keuze voor de nieuwe middelgrote steden was voor de jongere generatie ook snel gemaakt. Van zodra we die stadsrand verlaten, voeren trage wegen ons naar weidse landschappen, akkers met houtkanten, holle wegen, weilanden met poelen en boomgaarden met picknickplaatsen.
Dat open landschap is geen doods landschap: er wordt geboerd, gewielrend, gehengeld, gewandeld, gespeeld. Elke stadsbewoner kan binnen de tien minuten dagenlang in uitgestrekt groen vertoeven, langs de trage wegen andere steden ontdekken, op zoek gaan naar culinaire schatten, verscholen brouwerijen, kleine herbergen waar men een snipje kan eten – er zijn er toch opnieuw genoeg. Er wordt gezwommen in vijvers en gepeddeld in rivieren. Onze omgeving is een grote parkstad, een beetje een pretpark ook, en dit in de dichtstbevolkte hoek van Europa. Het wil helemaal niet zeggen dat we tuinkabouters zijn geworden. We zijn wellicht veel meer stadsbewoners dan vroeger.
De grote steden als Brussel, Antwerpen en Gent zijn populaire weekendbestemmingen. Ze zijn minder snel gegroeid omdat de economie tijdens de voorbije decennia opnieuw uitwaaierde naar kleinere steden. Mensen hadden genoeg van de anonieme kantoorgebouwen en doorbraken hebben ervoor gezorgd dat we opnieuw tijd kunnen besteden aan activiteiten die echt van belang zijn. Grote steden bestaan uit meerdere stadswijken, die op bijna dezelfde manier functioneren als kleine steden. Op hun raakpunten vinden we drukke zakenwijken, bestuurscentra, historische kernen, operahuizen en universiteiten. Naar de buitenwereld toe bieden die steden een venster op al het goede dat ons land te bieden heeft en de drempel waarlangs toeristen van over de hele wereld onze kleinere plaatsen exploreren. Een stad is immers geen eiland maar een knooppunt.

We houden er een eenvoudige filosofie op na: we willen evenveel schoonheid scheppen als de schoonheid waarvan we elders willen genieten. Hoe meer schoonheid er bij kwam, in de steden en daarbuiten, hoe minder we ons hoefden te ergeren aan het massatoerisme dat zich steeds meer concentreerde op de schaarse plaatsen waar er nog fascinerende stadsgezichten of ongerepte natuur te vinden was.

Een verre reis buiten Europa begint op de luchthaven. We vliegen minder maar beter. We reizen graag, maar we zijn even gelukkig thuis, ook in de lange wintermaanden, want die brengen we graag door in onze feesthallen, overdekte speeltuinen, danszalen, in herbergen op het platte land, in kroegen, thuis bij het vuur, of struinend onder galerijen die na eeuwen zijn teruggekeerd om stadswandelingen aangenaam te houden ongeacht de grillen van de seizoenen. Zuiderlingen komen er graag mee kennismaken, met die winterse geborgenheid.

* * *

Net als reizen gaat het ook bij handel om de wereldwijde uitwisseling van zaken die een plaats uniek maken. We maakten een einde aan de eindeloze stromen containers en kapitaal die er vooral op gericht zijn de zwaktes van landen uit te spelen, zoals de armoede van de bevolking, de belastingvoordelen door de radeloosheid van overheden of de onverschilligheid van rijke consumenten. Onze zeehavens zijn opnieuw pakhuizen van kwaliteit geworden. De globalisering doet waarvoor ze bedoeld is: ze verspreidt kwaliteit.
Omdat we ons thuis geborgen en veilig voelen, kunnen we de rest van de wereld met zelfvertrouwen tegemoet treden. Even stonden we op het punt onszelf kapot te polariseren. Een nieuwe generatie vooruitstrevende politici wist Europa met een overtuigend verhaal nog op tijd te behoeden voor een complete ontrafeling. Dat verhaal liet ons ook toe om onze samenleving te versterken als een waardengemeenschap. De gezamenlijke doelen werden op scherp gesteld en daarbij deed de afkomst er steeds minder toe. Ongeveer dertig procent van de Vlamingen is nu afkomstig van elders. En zo is het goed.

In onze samenleving anno 2055 wordt luxe het nieuwe normaal. Aangezien wij allen mee investeerden in die vooruitgang, zorgde zij niet voor een verarming van onze samenleving. De vrijgekomen arbeid konden we omzetten in meer vrije tijd én verschuiven naar sectoren waarin mensen zich ook echt betekenisvol voelen door de inzet van hun werkkracht, hun talent, en hun ondernemingszin. Gemiddeld werken we nu dik zes uur per dag, wat volstaat en ook niet als een last wordt ervaren. Onze jongeren kunnen in hun werk kwijt wat wij vroeger tot onze vrije tijd moesten beperken: creatief zijn, in de buitenlucht vertoeven, omgaan met mensen en knutselen.

Daarnaast is er een grote hoeveelheid aan mogelijkheden om tijd te maken voor andere uitdagingen: de opvoeding van kinderen, stages, ervaring in het buitenland, zorg voor ouders, enzovoort. De grens tussen werk en hobby is overigens vaag. Het werkritme splitst de dag in delen die even boeiend kunnen zijn. Laten we nu opnieuw de deur uit stappen, ziet u hem voor u, onze droomstad?

 

Copyright © 2015 Jonathan Holslag

Uitgeverij De Bezige Bij

MINDBOOKSATH : athenaeum