Leesfragment: Zelfs de vogels vallen

27 november 2015 , door Frederik Willem Daem

Wij richten in samenwerking met Recensieweb de schijnwerpers op de zes Nederlandse prozadebuten van september, allemaal voorzien van uitgebreide fragmenten. Lees op onze website de voorpublicaties uit de boeken van Basje Bender, Karolien Berkvens, Hugo Blom, Frederik Willem Daem, Ellen Van Pelt en Coco Schrijber.

 

In september verschijnt het debuut van Frederik Willem Daem: Zelfs de vogels vallen. Lees alvast een voorpublicatie in de debutenrubriek van Athenaeum.nl. 'Samen zien we dan de dubbelganger door de bochten scheuren, de bumper die daarbij lichtjes het asfalt kust en de banden die gieren wanneer het rubber zijn greep op het wegdek verliest. Wij zullen zeggen: hier gaan we later nog om lachen, dit vergeten we nooit.'

 

Een nachtelijke dwaaltocht over de boulevards van Parijs, de opkomst en ondergang van een televisiepredikant, een achtervolging door de voorsteden van Los Angeles of de privatisering van een ruimtestation, de lenige verbeelding van Frederik Willem Daem heeft toegang tot alle uithoeken van de wereld en tot de geest van de meest uiteenlopende personages. Ondanks de donkere thematiek, waarbij hij weigert de dood te schuwen, laat Daem in zijn eigenzinnige debuut ook steevast een sprankje hoop en humor doorschemeren.

 

Kort bij de zon is het warm

Het was dezelfde Nissan – kleur bliksemblauw, met de kleine spoiler die standaard bij elke Primera-kofferbak kwam – die daar, op het scherm voor ons, vanaf een hoogte van twintig meter, door een helikopter gevolgd werd, en Dennis… Die was nog steeds niet thuisgekomen, had al anderhalf uur thuis moeten zijn.

Ik zit met één bil op de armleuning van de sofa en om de zoveel minuten ga ik verzitten omdat de combinatie joggingbroek en goedkoop leer me daartoe verplicht. Volgens mijn recente geschiedenis probeer ik Dennis voor de achtste keer zonder succes te bellen. Grootmoeder zit naast me met haar witte kroezelige haren, levervlekken verspreid over de hangende huid van haar gezicht, armen en nek. Ze vraagt opnieuw waarom we in godsnaam niet eens van zender veranderen, gevolgd door het dreigement dat we niet willen weten wat ons te wachten staat als ze de nieuwe aflevering van Melrose Place mist. Tante Gilly herhaalt dat Melrose Place al een jaar of vijftien afgevoerd is en dat we hiernaar blijven kijken tot die helikopter op de voorruit heeft ingezoomd en zij met zekerheid kan zeggen dat het niet haar zoon is die daar achternagezeten wordt door afwisselend blauwe en rode lichten. Amen.

Twintig minuten geleden stond tante Gilly voor de oven en rook de hele keuken naar quesadilla’s, of iets met veel paprikapoeder, toen ik door de achterdeur binnenstormde. Het was Tracy die me de foto had gewhats - appt en ik was meteen over de afrastering gesprongen die de kleine lappen land – waar onze tuinen en levens woekeren of overwoekerd worden – van elkaar scheidt. Zoekend naar het juiste kanaal op de flatscreen, die tante Gilly voor geen geld bij Walmart had gekocht op de dag na Thanksgiving, bleef ik afwisselend ‘Dennis’ of ‘Denny’ roepen tot Jordan naast me kwam zitten en zei dat die nog thuis moest komen. Ik ging tante halen en de sirenes klonken onophoudelijk, dan weer dichtbij, dan weer ver, om af en toe onderbroken te worden door een reporter die mensen waarschuwde voor de kruispunten waar de Nissan met een gevaarlijke snelheid op afstevende: Manchester Boulevard, Hardy Street, La Brea richting Lennox.
We kijken samen naar de auto en ik voel tante Gilly haar arm steviger rond haar jongste zoon krullen iedere keer dat de Primera een stoplicht nadert. Die kleuter heeft al lang niets meer gezegd. Jordan zegt hoe dan ook niet veel. Jordan luistert veelal naar wat zijn grote broer Dennis zegt, ook al is dat niet meteen iemand naar wie je te lang moet luisteren. Goed hart, dat wel, maar ik vraag me af of dat al met al nog iets betekent. Of die twee woorden niet vooral gebruikt worden bij gebrek aan betere kwaliteiten. Verder heb ik bij mijn weten nog nooit de gelegenheid gehad zo over hem te denken. Dennis doet, net als ik, wat er van hem verwacht wordt. Zonder daar verder al te veel woorden aan vuil te maken. Voor mij zal hij altijd die zesjarige blijven die, starend naar een kist die twee meter de grond in zakt, glimlachend in mijn hand knijpt en ik wist toen al dat de lastigste vragen zich nog zouden opdringen. Een huishouden kiest zijn mannen en als je zonder vader opgroeit is er van kiezen weinig sprake. Sindsdien heb ik nog vaak tegen Denny gezegd: wat wij hier voor onszelf gemaakt hebben is veel van weinig en dat wil ik anderen wel eens beter zien doen. Amen.
Straks komt hij door die deur, bespringen wij hem en vraagt hij zich af waarom we dat doen. Dan vloeken we luid omdat hij toevallig dezelfde auto heeft als de man die daar op het scherm rijdt, begeleid door de woorden breaking news en live. Dennis zal wezenloos voor zich uit staren, ons, iets later, idioten noemen en meekijken naar het slotstuk van deze race door de straten van Inglewood. Samen zien we dan de dubbelganger door de bochten scheuren, de bumper die daarbij lichtjes het asfalt kust en de banden die gieren wanneer het rubber zijn greep op het wegdek verliest. Wij zullen zeggen: hier gaan we later nog om lachen, dit vergeten we nooit.

Ondertussen rijdt de Primera langs de 7-Eleven op Mulberry, waar Trisha werkt, waarna hij eerst naar links uitwijkt om dan bruusk naar rechts af te slaan, en ik herken Phil’s Diner, waar we op woensdag altijd roereieren eten. Als Dennis achter het stuur zit dan gaat hij nu opnieuw naar rechts, zeg ik tegen mezelf. Probeert hij waarschijnlijk naar San Ysidro te rijden, dat Californië van Mexico scheidt, omdat hij weet dat je daar bij weinig verkeer iets minder dan twee uur over doet. Ik heb geen herinneringen aan de laatste keer dat we daar waren, behalve dan dat Dennis verdween met een meisje dat Jimena heette en ik de hele nacht dansend michelada’s dronk op de plaatjes van een deejay die zichzelf Chucuchu noemde. Als de Primera met dezelfde snelheid de I-5 S afrijdt dan haalt hij misschien Tijuana maar het blijft een stom idee want als ik Dennis ken dan rijdt hij uit gierigheid op een kwartvolle tank en weet hij dat de cruisers op een recht stuk twee keer zijn snelheid halen, maar ik ken Dennis en weet dat hem dat niet zou tegenhouden. De auto slaat links af en ik zeg luidop: ’t is Denny niet.
Amen, zegt Tante Gilly en grootmoeder vraagt over wie we het hebben, vraagt of ik die jongen ken. Ik zeg niets en ervan uitgaand dat Dennis hier zo meteen door de deur wandelt ga ik op zoek naar de afstandsbediening, wil ik iets anders opzetten voor Jordan. Iets met schildpadden die praten of wezens die in en uit elektronische hebbedingetjes springen. In de hoop dat dit alles voor hem bij een nare herinnering blijft aan iets waarvan het merendeel nooit echt tot hem is doorgedrongen. Ik knuffel grootmoeder terwijl ik haar voorzichtig naar rechts hef en de zapper voel tussen de arm van de sofa en het kussen, geklemd onder haar gewicht. Ze giechelt en ik ook, al dan niet geforceerd, wetend dat ze dat gezegende stadium heeft bereikt waarin ze het onderscheid niet meer kan maken. Het geeft me zin om haar te kietelen, net zoals ik bij Jordan ook altijd doe, en ik grijp naar grootmoeders oksels wanneer tante Gilly luid een kreet slaakt.
De auto racet van west naar oost op Rosecrans en voor het eerst vliegt de helikopter voor de Primera en hebben we, samen met de rest van KTLA-kijkend Amerika, een zicht door de voorruit. De twee handen op het stuur zijn zwart en ik herken de pastelgroene dobbelstenen die aan de achteruitkijkspiegel bengelen, de goedkope gouden ring aan Dennis’ wijsvinger. Jordan vraagt of dat Denny is en het lijkt nu pas tot hem door te dringen dat er een reden is waarom we naar deze achtervolging kijken.
Tante, die ademt als een oude stofzuiger die zich verslikt in tapijt, pakt haar jongste zoon steviger vast alsof ze hem met liefde wil versmoren nog voor hij een dergelijke stommiteit kan begaan – kort bij de zon is het warm. Grootmoeder snapt niet waarom we zo hysterisch moeten doen en noemt ons aanstellers. Even bestaat alles uit de flatscreen en ik: een spervuur van vragen en mogelijke antwoorden die zich meester maken van mijn gedachten. Heeft Dennis eindelijk die ene Snickers te veel geleend van de 7-Eleven? Had hij nog een parkeerboete openstaan? Negeerde hij een stoplicht? Of deelde hij na het werk met Ron een fles Olde English of een Mickey’s op de parking van de Footlocker? Kon Denny het niet laten een hijs te nemen, ook al zei hij laatst dat hij daar geen nood meer aan had? Werden de flikken in die eerste politiewagen gewoon getroffen door verveling? Dachten ze: die neger heeft een tattoo te veel in zijn nek om niets op zijn kerfstok te hebben? Was hij het op zijn beurt zat voor de zoveelste keer de vraag te moeten stellen: ‘Wat is er aan de hand, agent? Waarom nu weer? Staat mijn bandenspanning te laag, meneer? Benieuwd waar ik dit zeldzame ecko unltd.-shirt vandaan heb? Of wil u gewoon weten welk nummer van 2 Chainz dit is? Zeg het mij.’
Is het zo gegaan? Dacht Dennis: nu geef ik ze een reden om de sirenes te laten loeien?

In de woonkamer stelt ook tante zich luidop vragen en als zij wil weten waarom ze zich niet kan herinneren wat het laatste was wat ze tegen Denny zei, kleuren haar tranen Jordans polo langzaam een donkerdere tint groen. Jordan helpt en zegt: heb je niet gewoon gevraagd of hij thuis kwam eten? Zij glimlacht en haar ogen vormen kleine gleuven waardoorheen onvrijwillig nog meer tranen lopen. Ja, zegt ze, misschien vroeg ik…

Op de televisie wordt het konvooi politiewagens talrijker en als de helikopter terug uitzoomt dan lijkt het vogelperspectief bijna op Grand Theft Auto 2, met als enige verschil dat ik hier niemand te slim af kan zijn. In deze dans van voertuigen heb ik niets te zeggen. Dennis lijkt te beseffen dat hij enkel uit kan lopen als hij risico’s neemt en nadat hij weer eens nipt tussen twee auto’s glijdt omdat hij een stoplicht negeert, bouwt hij een voorsprong uit tot de volgende hoek – voorbij de Mini Storage, het dierenziekenhuis en het verlichte Bud Light-reclamebord met de slogan AMIGOS, FOOTBALL y CARNE ASADA – waar Rosecrans op Lemoli Avenue stoot en een nieuwe wagen hem tevergeefs de pas probeert af te snijden. In deze dans, die maar doorgaat, blijft de begeleidende muziek alsmaar aanzwellen, zal de stilte nadien des te oorverdovender zijn.

Als ik Dennis een laatste keer probeer te bereiken, klinkt zijn stem nog voor de telefoon overgaat: met Denny Parker. Ik wacht met praten, weet dat hij binnen een tiental seconden syke zal roepen om dan luidop te lachen. Wachtend op die lach vraag ik me af wat er nu door Denny’s hoofd gaat. Wachtend op die lach vraag ik me af of hij vanavond plannen had. Ik wacht op die lach terwijl ik verderop agenten een spijkermat zie ontrollen en ik vraag me af of Dennis hetzelfde ziet, of hij beseft dat hij het best via de drive-in van de Pizza Hut kan rijden. SYKE! Ik hoor Dennis lachen en beeld me een scène in zoals ik die ken uit de films. Het soort scène waarvoor ze doublures gebruiken en auto’s met een kooi. Dennis blijft lachen ook al stevent hij recht op de blokkade af, lacht alsof hij weet dat hij hier onmogelijk nog uit raakt. Zijn lach echoot door mijn hoofd terwijl de rode lichten feller worden, de blauwe lichten de Primera naar zich toe zuigen als een nietsvermoedend insect naar een lamp, de stroomstoot onvermijdelijk. Tante Gilly sluit haar ogen en Jordan kijkt door de spleten van haar handen naar een auto die over spijkermatten rijdt. Het rubber dat, in contact met de spijkers, zo luid ploft dat het tot in de helikopter, en de huiskamer, te horen is en bij de eerste aanraking van chassis en asfalt schieten vonken in de lucht als van een op hol geslagen lasapparaat. Ik klem mijn tanden stevig op elkaar tot de druk zich naar mijn oren verspreidt.
Eindelijk actie, zegt grootmoeder.
Knijpend in de afstandsbediening zie ik de vlammen die zich op mijn netvlies schroeien, nooit meer zullen verdwijnen. Groter en groter wordend reduceren ze hoop tot feitelijkheid en wanneer een eerste knal klinkt, stiller dan ik die van in de films gewend ben, verander ik van zender. Zonder na te denken zap ik voorbij mannen die een revolutionaire pan beweren te verkopen, voorbij een sitcom die zich afspeelt binnen de kantooruren, voorbij een videoclip met schaars geklede vrouwen die door de knieën gaan, blijf ik zappen, op zoek naar Melrose Place.

 

Copyright © 2015 Frederik Willem Daem

Uitgeverij De Bezige Bij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum