Leesfragment: Zoutberg

27 november 2015 , door Anne Neijzen
| |

Wij richten in samenwerking met Recensieweb de schijnwerpers op de vijf Nederlandse prozadebuten van augustus, allemaal voorzien van uitgebreide fragmenten. Lees op onze website de voorpublicaties uit de romans van Thomas Acda, Inge van der Krabben, Anne Neijzen, Isabelle Rossaert en Rebekka de Wit.

Op 20 augustus verschijnt Anne Neijzens romandebuut Zoutberg. Op Athenaeum.nl alvast een voorpublicatie. 'De bewakers zijn aardig. In een verwarrende volgorde brengen ze dingen waarvan ze denken dat ik die nodig zou kunnen hebben. Het begon met een doosje paracetamol, een blocnote, een rol roze koekjes en een pakje papieren zakdoekjes. Een half uur later bracht de dikke agent een voorverpakt broodje en een bic. Vlak daarna kwam hij terug met twee flesjes water en mijn leesbril. Waarschijnlijk is het voor het eerst dat zij een tachtigjarige insluiten.'

De gepensioneerde advocaat Paul van Deelden wordt een Spaanse politiecel binnengeleid. Als iemand zijn rechten kent, is hij het wel. ‘Ik zit hier als vader,’ zegt hij, maar zijn zoon weet van niets. In het Spaanse vissersdorp is één man die niet verbaasd is over de komst van Paul. Hun geschiedenis gaat terug tot de Tweede Wereldoorlog, een jongensvriendschap en een moment van onbezonnenheid, dat hun beider levens blijvend tekende. Zoutberg is een indrukwekkende debuutroman over vaderschap, verantwoordelijkheid en verraad.

1 Oscar

Bijna zeventig jaar heb ik op hem gewacht. Elke dag. Nu is hij gekomen.

2 Paul

Eerst haalt hij mijn broekzakken leeg: portefeuille, leesbril, mobieltje en twee bonnetjes van het tanken. Daarna keert hij ze binnenstebuiten; als twee leeggelopen ballonnetjes hangen ze langs mijn dijen. Een muntje van vijftig eurocent valt met een heldere tik op de vloer en rolt richting cellenblok, totdat het tegen de poot van een stoel tot stilstand komt. Het is het muntje dat ik altijd gebruik voor de karretjes bij de Albert Heijn. Ik kijk naar de kale kruin van de man terwijl hij door zijn knieën knakt en met zijn vingers langs mijn magere oudemannenbenen strijkt. Terwijl hij overeind komt bedenkt hij zich en laat zich weer zakken. Hij friemelt de veters van mijn schoenen los en gebaart dat ik ze moet uittrekken. Uit ervaring weet ik dat het zurig gaat stinken; ik zie dat hij zijn adem inhoudt. Na een korte inspectie van de binnenkant mag ik de schoenen weer aantrekken. Op één been balancerend probeer ik mijn voet erin te wringen, wankelend terwijl ik mijn hand naar mijn schoen breng. Zijn jongere collega stapt naar voren en ondersteunt me. Ik wijs naar de stoel en hij knikt dat ik kan gaan zitten. Ze zeggen geen woord en dat maakt me nog onrustiger. Je zou toch wat uitleg verwachten, al is het maar: ‘U hebt het recht om te zwijgen en alles wat u zegt kan tegen u worden gebruikt.’

*

Vanmorgen werd er woest op de deur van mijn hotelkamer gebonkt; het was een uur of zes. Ik lag te slapen en schrok wakker uit een onbestemde droom. Zo snel als ik kon trok ik mijn overhemd en broek aan en draaide het slot open. Twee agenten blokkeerden de uitgang, keken geroutineerd de ruimte rond en stelden een paar vragen in het Spaans. Ik hief mijn handen in de lucht om duidelijk te maken dat ik ze niet begreep. Nerveus deed ik de knoopjes van mijn overhemd dicht en probeerde met mijn vingers mijn haar te kammen. De kale agent liep op mij af en pakte me tamelijk hardhandig bij de arm.
‘Ho, ho, jongeman,’ protesteerde ik in het Nederlands, maar hij wees naar mijn schoenen en schoof ze met zijn voet naar mij toe. Daarna duwde hij mij op het bed en gebaarde dat ik ze moest aantrekken. Met stuurloze vingers probeerde ik mijn veters te strikken. De hotelmanager was in de deuropening komen staan en sprak geagiteerd terwijl hij naar mijn koffer wees en naar de handdoek die ik de avond daarvoor over een stoel te drogen had gehangen. De opgewonden stemmen zoemden als agressieve muggen rond mijn hoofd.
Mijn knieën voelden zwak toen ik de trap af werd geleid en ik was bang dat ze zouden knikken. Dat is een van de vervelende dingen van het ouder worden: dat je niet meer honderd procent kunt vertrouwen op je lichaam. Buiten stond een politieauto met blauw zwaailicht te wachten. Iemand legde beschermend een hand op mijn hoofd toen ik instapte. In de auto rook het naar dennenspray; misselijkheid golfde onverwachts door mijn slokdarm. De kale agent die naast mij was gaan zitten zag me kokhalzen en riep opgewonden om een zakje of iets dergelijks, maar ik gebaarde dat het alweer ging. Daarna moest ik bijna huilen, het zullen de zenuwen zijn geweest. Ik drukte mijn vuisten tegen mijn ogen en raapte mijzelf een beetje bij elkaar terwijl de agent zich over mij heen boog en het raampje aan mijn kant opendraaide. Hij rook naar pannenkoeken.

Bij het bureau lieten ze me zeker tien minuten in de auto wachten. De twee agenten die mij hadden gearresteerd, gingen naar binnen. Alleen de bestuurder bleef zitten. Hij draaide nerveus aan de knoppen van de radio en gaf zich een houding door een geluidswal tussen ons te plaatsen: een stortvloed van Spaanse woorden en flarden van Engelstalige en Spaanstalige popmuziek. Hij stak een sigaret op en inhaleerde diep. Daarna liet hij zijn hand nonchalant uit het raam hangen, terwijl hij de rook via zijn neus liet ontsnappen. In de achteruitkijkspiegel ving hij mijn blik, keek weg, bedacht zich en stak mij het pakje sigaretten toe.
‘Usted fuma?’
Even aarzelde ik, roken schijnt een kalmerende werking te hebben. Maar ik schudde mijn hoofd. Hij haalde zijn schouders op en frommelde het pakje terug in zijn binnenzak. Een bejaarde arrestant in zijn auto, ik begreep best dat het hem niet lekker zat. Ondanks het vroege tijdstip brandde de zon al flink, snerpten krekels aan één stuk door en zaten op het terrasje aan de overkant een stuk of vijf mannen van mijn leeftijd achter een cortado. Misschien had ik in Spanje moeten gaan wonen; onderdeel uitmaken van het oudemannetjeslegioen dat je in mediterrane landen naast elkaar op bankjes ziet zitten, een gesloten cordon van saamhorigheid. Dat soort gedachten zaten in mijn hoofd, terwijl het verkeer langzaam op gang kwam en een stofwolk deed opwaaien.
Eindelijk gebeurde er iets. Een breed gebouwde agent kwam naar buiten in zomeruniform: een donkerblauwe broek en een lichtblauw overhemd met korte mouwen. Een milde ochtendbries tilde de haarlok op die hij met pommade strak over zijn voorhoofd had gekamd. Met een snel gebaar duwde hij hem terug en streek hem met zijn vinger glad. Hij liep alsof er zware gewichten in de zoom van zijn broekspijpen waren genaaid: log, zijn benen een stukje uit elkaar. De bestuurder liet zijn peuk uit het raam vallen en opende het portier. Zijn baas gebaarde dat hij moest blijven zitten en boog zich door het open raam aan de passagierskant. Hij zocht mijn blik en stelde een aantal vragen aan de agent terwijl hij mij gadesloeg. Ik hoopte dat hij iets bemoedigends tegen me zou zeggen, desnoods een knipoog aan me zou wagen, maar hij bleef ernstig. Na een tijdje opende hij de deur en maakte duidelijk dat ik kon uitstappen. Geroutineerd ondersteunde hij mijn onderarm, terwijl ik mij met gebogen rug en knipperende ogen tegen het felle zonlicht uit de auto liet helpen. Hij mompelde wat in het Spaans; het klonk niet onaardig. Zijn hand bleef mijn elleboog vasthouden. Met een gebaar van zijn andere hand waarschuwde hij mij voor de drempel. Ik vroeg mij af hoe oud hij dacht dat ik was. In het bureau was het onverwacht koel en donker.

*

De hoofdagent gaat achter zijn bureau staan en kijkt mij geïnteresseerd aan, zijn wenkbrauwen opgetrokken alsof hij mij zojuist een vraag heeft gesteld. Hij is degene die naar zijn collega’s gebaarde dat ze me moesten fouilleren. Als ik mijn schoenen weer aan mijn voeten heb, gaat hij zitten. Mijn rijbewijs ligt voor hem.
‘Johannus Paulus van Deelden?’
‘Ja.’
‘Usted tiene nacionalidad Holandesa?’
‘Ja.’
‘Por qué razones está usted en España?’
‘Sorry, I do not speak Spanish. Do you speak English?’
‘No.’
Er verschijnen zweetpareltjes op zijn bovenlip.
‘You in hotel Central?’
Hij spreekt luider en wijst naar mijn borst.
‘Yes. Since yesterday.’
Dat is het hotel waaruit ze me een uur geleden hebben opgehaald. Al mijn bagage ligt daar nog en de rekening is niet betaald.
‘Good.’
‘Good,’ herhaal ik, om te laten zien dat ik wil meewerken.
‘Por favor su pasaporte?’
Mijn maag trekt samen op het moment dat ik me realiseer dat het thuis in het kluisje ligt. Machteloos adem ik een lichte onpasselijkheid weg.
‘Dat heb ik niet bij me,’ antwoord ik en ik spreid mijn handen verontschuldigend.
Hij tikt tegen zijn trouwring met mijn rijbewijs, stopt het in de la van zijn bureau en wenkt dat ik hem moet volgen naar een soort zijvleugel, die uit een gang bestaat met een hek ervoor. Hij opent het hek met een cijfercode en leidt mij naar een cel. Vervolgens steekt hij een heel betoog af in het Spaans. Misschien legt hij nu uit wat mijn rechten zijn, denk ik en ik glimlach vriendelijk. Dat lijkt hem in de war te brengen en hij begint opnieuw. Vervolgens klopt hij mij op de schouder, wijst naar de houten stoel die in de cel staat en trekt zich terug. De celdeur laat hij in het slot vallen.

*

Mijn ontreddering is aan het wegebben. Het is misschien een beetje curieus om te zeggen dat ik er zelfs plezier in begin te krijgen. Het is beter om vol verwachting in een Spaanse cel te liggen op een brits met schone lakens, dan in het eenzame bed van je dure, kille Amsterdamse appartement. De bewakers zijn aardig. In een verwarrende volgorde brengen ze dingen waarvan ze denken dat ik die nodig zou kunnen hebben. Het begon met een doosje paracetamol, een blocnote, een rol roze koekjes en een pakje papieren zakdoekjes. Een half uur later bracht de dikke agent een voorverpakt broodje en een bic. Vlak daarna kwam hij terug met twee flesjes water en mijn leesbril. Waarschijnlijk is het voor het eerst dat zij een tachtigjarige insluiten.
Opnieuw wordt de deur van mijn cel geopend en deze keer klemt hij een extra kussen onder zijn arm. Hij gebaart dat ik het achter mijn rug kan stoppen.
‘Hm, hm, hm,’ humt hij verlegen, en ik kijk hem vragend aan.
‘Un momento, por favor,’ mompelt hij en leidt me aan mijn arm naar de houten stoel om voor te doen wat hij bedoelt. Hij zet het kussen tegen de leuning en probeert mij naar beneden te duwen. Ik weer hem af en maak met opgeheven hand een stopteken alsof ik zelf agent ben. Hij kijkt naar de losse huid rondom mijn polsen, of misschien denk ik dat alleen maar. Ondanks mijn leeftijd mag ik er nog zijn. In de gangspiegel is mijn lijf eerder aan de magere kant dan dat er te veel vet op de botten zit. Soms oefen ik op mijn houding. Sta rechtop, houd je buik in, kin omhoog, draag ik mijzelf op. Ik vind dat je ziet dat ik ertoe heb gedaan in dit leven, dat het niet alleen maar een stinkende weckpot smurrie is geweest. Maar misschien vergis ik me. Het zou best kunnen dat deze bewaker mij als een mislukte grijsaard ziet die zijn einde vindt in de verdorvenheid uit de glazen pot die na al die jaren is opengesprongen; van buiten zag het er best appetijtelijk uit, maar na opening bleek het nog maar beperkt houdbaar.
Ik glimlach naar hem en stomp een aantal keren speels in het kussen alsof het een boksbal is. Je zou denken dat hij terug zou lachen, maar dat kan er kennelijk niet van af. Het maakt me niet uit wat hij van me vindt. Ik zit hier niet om sympathiek gevonden te worden; ik zit hier voor mijn zoon. Ik wil hem laten zien dat ik geen slappeling ben. De laatste jaren ben ik mij er pijnlijk van bewust geworden dat ik mijn rol als vader heb verwaarloosd, en sindsdien probeer ik te redden wat er te redden valt, want andere hoedanigheden bezit ik niet meer. Op weg naar het einde van je leven raak je van alles kwijt; althans, zo ervaar ik het. Sinds mijn scheiding ben ik echtgenoot af, en vanaf mijn pensionering is de titel van advocaat mij ontnomen. Zoon ben ik allang niet meer, en de hoedanigheid van vriend heb ik misschien zelfs nooit gehad. Triest, als je erbij stilstaat. Maar ach, zo zijn er veel zaken die vanzelf een lelijk rafelrandje krijgen als de tijd eroverheen gaat. Het is zoiets als de veroudering van de huid: kijk maar naar het losse vel van mijn handen, naar de plooien rond mijn navel en naar mijn overhangende oogleden. Nog een paar jaar en dan is dit alles verteerd, weggerot in de zompige klei of verbrand in een oven. Met mijn lichaam zal ik mijn laatste hoedanigheid verliezen, en dat is misschien wel zo rustig voor mijn zoon.
De agent struikelt over de drempel als hij de cel verlaat. Ik schiet op hem af om hem te helpen, maar hij hervindt zijn evenwicht en leunt hijgend tegen de deurpost. Zijn trouwring verzinkt tussen de vetrollen op zijn vingers. Het raakt mij dat er een vrouw is die van hem houdt. Hij kijkt naar de punten van zijn schoenen, zodat ik de kale plek op zijn hoofd kan zien. Terwijl hij opkijkt ziet hij mijn blik en legt beschermend zijn hand op zijn hoofd. Schaamte. De eerste grijze haren, de eerste rimpels en de eerste leesbril zijn lastig, daarna went het. Je moet wel.
‘Nog een paar jaartjes, dan ben jij ook een ouwe zak,’ mompel ik terwijl ik hem geruststellend twee tikjes op de arm geef. Als hij weg is, schuif ik het kussen onder het bed. Ik heb er een hekel aan als mensen mij als een bejaarde behandelen. Oud zijn is niet leuk; voor jezelf niet en ook niet voor je omgeving. Daarom heb ik mij voorgenomen om me in geen geval te gedragen als andere belegen stumpers in hun wereld die gekrompen is tot de vier muren om hen heen, de buurtsuper op de hoek, het gekibbel met hun partner over wie wat is vergeten, en als hoogtepunt de wekelijkse bezoekjes van hun volwassen kinderen die ze met beide handen aangrijpen om ongenuanceerde kommer en kwel over het onwillige nageslacht uit te storten zodat het huiswaarts keert met een schuldcomplex om u tegen te zeggen.
Ik niet, dacht ik vroeger. Ik niet. Maar zie: zodra ik de kans krijg, laat ook ik mij gaan. Veel mensen spreek ik niet, maar als het meisje achter de kassa bij de Albert Heijn mijn boodschappen scant en in al haar onschuld opmerkt: ‘Mooie dag vandaag, mijnheer, de lente komt eraan,’ dan kan ik het niet laten om een beetje zeurderig te mopperen: ‘Nou, het zal tijd worden ook. Al die sneeuw. Vreselijk, wat een vieze troep!’
Dat ze wegkijkt en snel, snel de roomboter en koffie scant, neem ik voor lief.
‘Achttien euro vijfennegentig,’ ontwijkt ze mijn blik terwijl ze haar vingers spreidt en naar haar zorgvuldig gelakte nagels kijkt.
Ze praat plat Amsterdams. Een paar jaar geleden had ik haar genegeerd, maar helaas zijn caissières en obers tegenwoordig mijn voornaamste bron van conversatie, dus laat ik haar niet ontkomen.
‘Is het druk vandaag?’
‘Best wel.’
‘Nou, dat is goed. Dan hoef je je niet te vervelen. Vroeger werkte ik zo hard dat de dag alweer voorbij was voordat ik er erg in had. Ik was advocaat, weet je.’
‘O, leuk. U kunt nu uw pincode intoetsen, mijnheer.’
‘Meester Van Deelden. Dat zegt jou niets, maar vroeger was ik een begrip. Zoals Moszkowicz. Die ken je toch wel?’
De volgende klant duwt ongeduldig haar karretje tegen mijn hielen en schuift boodschappen op de band om mij tot afrekenen aan te sporen.
‘Jawel, mijnheer. Van RTL Boulevard. Wilt u het bonnetje?’
‘Nee, dank je. Of ja, doe toch maar. Krijg je geen last van je arm? Steeds diezelfde beweging.’
‘Nee, hoor. Dag mijnheer.’
Deze laatste levensfase is de minst leuke. Het voelt als het aftuigen van een kerstboom. Het feest is voorbij, de naalden vallen uit en maken dat de touwtjes aan de ballen eenvoudig over de kale takjes glijden waardoor ze zo nu en dan met een lichte plof op de vloer in flinterige stukjes uit elkaar vallen. De snoeren van de lampjes zitten in de knoop en worden met engelengeduld of juist met ongeduldig rukken uit elkaar getrokken en opgeborgen in doosjes die niet kunnen voorkomen dat zij een jaar later – onaangeraakt – toch weer zijn gaan kluwen. Achteloos worden de laatste naalden opgezogen, met een zucht van verlichting omdat het rotklusje is geklaard. Soms vind je nog een naald die een kortdurende herinnering aan het feest oproept. Maar je weet: het is over. In ieder geval voor een jaar.
In deze Spaanse cel lijken de lampjes nog een laatste keer te worden ontstoken, mijn gemoed flakkert op als voorheen.

 

© Anne Neijzen 2015

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum