Leesfragment: Zwarte ogen

27 november 2015 , door Thijs Feuth
| |

Wij richten in samenwerking met Recensieweb de schijnwerpers op de drie Nederlandse prozadebuten van oktober, voorzien van uitgebreide fragmenten. Lees op onze website de voorpublicaties uit de boeken van Michael Bijnens en Thijs Feuth.

13 oktober debuteert Thijs Feuth met de roman Zwarte ogen. Wij publiceren voor. ‘Zonder een antwoord op zijn kloppen af te wachten opende Karel de zware eikenhouten deur naar de werkkamer van zijn compagnon. Frans Beton was in zijn paperassen verdiept. Het goedmoedige schijnsel van de koperen bureaulamp verlichtte zijn kalende kruin. Op het eiken bureaublad lagen documenten en cahiers in keurige stapeltjes. Alles had betekenis, de orde was nergens zo tastbaar als bij Frans.’

Karel Marsman, een uiterst succesvolle advocaat met uitzicht op een leerstoel aan de universiteit, stopt plotseling met zijn werk en onttrekt zich aan het maatschappelijk bestaan door, zonder zijn vrouw er vooraf van op de hoogte te brengen, naar het noorden te reizen. Hij gaat naar de moerassen van Finland, waar hij mensen en dieren ontmoet, maar niet erg veel. Langzaam komt de lezer erachter dat zich daar een paar jaar eerder in het leven van Karel een persoonlijk drama heeft afgespeeld.

Thijs Feuth (Nijmegen, 1981) studeerde geneeskunde in Amsterdam en werkt als arts in Fins Lapland. Hij behoort als hardloper tot de Nederlandse marathontop en schreef als columnist voor onder andere Runner's World. Zwarte ogen is zijn literaire debuut.

 

Proloog

De waarheid is dat Alex nooit een vlieg kwaad zou doen. Hij was zachtaardig en broos en verzamelde elpees van Chet Baker. Dat hij op een zondagochtend om elf uur achttien de halsslagaders van Presa zo lang dichtkneep dat zij vanaf die dag in vegetatieve toestand in het ziekenhuis van Enschede moest verblijven, bewijst dat feiten zich niet altijd aan de waarheid houden.
Die ochtend brandden zijn wangen alsof hij koorts had. Hij zag apen door de slaapkamer rennen en de muren bolden als de zeilen van een schip op volle zee. Opeens was daar een slang. Geen adder of ringslang, maar een tropische wurgslang die naast hem in bed lag.
Zodra haar lichaam verslapte, nam de wereld weer normale proporties aan en drong de verschrikkelijke werkelijkheid zich aan hem op. Paniek sloeg door zijn lijf. Eerst dacht hij dat ze dood was. Hij meende een soort van reanimatie toe te moeten passen, maar toen hij haar gezicht in zijn handen had en zijn mond op de hare wilde drukken, bemerkte hij dat ze ademde. Ze had een vreemdsoortige, diepe ademhaling, die de forensisch arts later Cheyne-Stokes zou noemen en die volgens zijn expertise zonder enige twijfel het gevolg was van hypoxie in de hersenstam.
Maar dat wist Alex op dat moment nog niet. Hij gaf Presa met de vlakke hand mepjes tegen de wang en toen dat geen effect had, greep hij haar naakte schouders en schudde. Dat zou later bevestigd worden door dezelfde forensisch arts, die ongevraagd ‘nogal hardhandig’ toevoegde, wat hem op een protest van Alex’ verdediging kwam te staan, maar wat door de rechter, een oudere vrouw met zachte, haast vleiende stem, door de vingers werd gezien.
Het strafbare feit lag als een bloedend hart op een weldadig gevulde fruitschaal, meende Marsman, de Amsterdamse topadvocaat die door de vermogende familie van Alex was ingeschakeld. Een juiste interpretatie van de feiten was slechts mogelijk als de rechter bereid was alle omstandigheden, ook de minder directe, in ogenschouw te nemen. De fruitschaal dankte zijn vermelding overigens aan de biografische gegevens van de rechter, die de advocaat ter beschikking had: schildert in haar vrije tijd stillevens.
Het was van belang om Alex’ jeugd onder de loep te nemen. Op het eerste gezicht had het hem aan niets ontbroken, als telg van een welvarende familie die aan de wieg had gestaan van een Hengeloos bedrijf van wereldfaam dat in signaalapparatuur gespecialiseerd was. Juist dit gebrek aan gebreken was echter de grote tekortkoming in de ontwikkeling van Alex, zo stelde de advocaat. Hij haalde diep adem, alsof hij nog iets wilde toevoegen, maar in plaats daarvan keek hij de rechtszaal rond, van de rechter, naar Alex’ moeder, die haar gezicht verborg in een zakdoek, en van haar naar de vader van Presa, die speciaal voor de rechtszaak uit het Spaanse Castuera was overgekomen maar niets van het dramatische ongeluk begreep, laat staan van de rechtszaak, al werd iedere zin door de haastig opgeroepen tolk niet naar het Spaans maar naar het Portugees vertaald. Niemand sloeg overigens acht op die administratieve flater, ook de vader van Presa niet. Hij had altijd gemeend dat Alex een prima vent was en dacht dat nog steeds, al hadden de twee vanwege de taalbarrière nooit een woord met elkaar gewisseld zonder tussenkomst van Presa, die daarmee de mogelijkheid aangreep om de Nederlandse humor van Alex van de scherpe randjes te ontdoen. Nadat de advocaat zijn blik over de gezichten van de aanwezigen had laten dwalen, liet hij hem rusten op een punt ergens achter de rechter, waardoor die verstrooid een blik achterom wierp. Juist toen de rechter op het punt stond om het woord te nemen, vervolgde de advocaat zijn pleidooi.
‘Naar de huidige inzichten van de gedragswetenschappen zijn gebreken in de ontwikkeling van het kind als gist voor brood.’ De advocaat verwees opnieuw naar de schilderkunst van de rechter. Drie broden op een plank had recent op een veiling tienduizend euro opgebracht. Het gerucht ging overigens dat de verkoop van het schilderij in scène was gezet om de rechter in goed daglicht te stellen. De advocaat vroeg of de rechter weleens brood zonder gist at, zuurdesembrood of roggebrood bijvoorbeeld. Dat deed ze niet
Alex voelde zijn maag samentrekken, maar vertrok geen spier. Hij keek naar links, waar aan de muur een zwart-witfoto hing van een man met een ouderwetse zijscheiding, zo een die diende om met de laatste restanten hoofdhaar het kalende midden te bedekken. Onder het portret stond in schoonschrift de naam van de man. De letters waren zo rijk versierd dat de voornaam nauwelijks te ontcijferen was, op de eerste letter na, een C. De achternaam was Darrow, maar de o kon evengoed een e of een a zijn; het was in elk geval een naam die Alex nooit eerder gehoord of gelezen had. Hij was niet de enige die naar het portret keek. De advocaat wees ernaar en de hele zaal, dat wil zeggen, de rechter en de officier van justitie en Alex’ moeder en de vader van Presa en een tante en nog wat mensen die hij niet kende, keek in de aangewezen richting. De advocaat sprak opgewonden, zijn stem galmde door de zaal, drong door merg en been, je zou er angstig van worden, maar Alex luisterde niet – hij kon er niet meer naar luisteren.
Hij wist waarover gesproken zou worden; ze hadden het allemaal van tevoren verscheidene keren doorgenomen, hij en de advocaat, en hij wist wat hij moest antwoorden op de vragen die elk moment konden komen. Nu keek de rechter hem aan, vriendelijk, veel vriendelijker dan hij zich had voorgesteld.
‘Alex?’ zei de advocaat, ‘Alex, ik vroeg je of je weleens pijn hebt geleden?’
Alex antwoordde van niet. Nooit eerder had hij pijn gevoeld, maar op dit moment wist hij niet meer hoe het was om géén pijn te voelen. Hij hoefde daarvoor niet te liegen, maar zonder zijn advocaat had het vast en zeker nog jaren geduurd voordat hij zich daar bewust van zou zijn geworden. De advocaat zou spreken over de levendige nachtmerries die hem sinds zijn jeugd al parten speelden, hij had er ooit eens over gesproken met een schoolpsycholoog, mijnheer Van Erven, die ervan overtuigd was dat ze dienden om het vlekkeloze bestaan van de jonge Alex tegenwicht te bieden. De inmiddels gepensioneerde mijnheer Van Erven was als getuige opgeroepen.
‘Waarachtig,’ had de advocaat gezegd toen Alex hem over de droom vertelde, ‘het hele geval doet me denken aan een roman van Nabokov.’ Daarin doodde een persoon zijn vriendin op dezelfde manier, met twee handen om de keel, toen hij droomde dat hij haar redde op het moment dat ze uit het raam van een brandend hotel wilde springen. Deze casus was haast een exacte kopie, het enige verschil zat ’m erin dat de vrouw in de roman overleed, terwijl Presa in vegetatieve toestand de dood afwachtte.
‘In kannen en kruiken,’ had de advocaat gezegd toen hij Alex ophaalde om in het gerechtsgebouw de uitspraak af te wachten. ‘Ik heb een vermoeden, een zeer sterk vermoeden, en dat vermoeden wordt door tal van zaken gesteund, zaken die hoorbaar zijn in de wandelgangen, om zo te zeggen, in de wandelgangen van het recht,’ hij trok ondertussen zijn stropdas recht en keek Alex goedmoedig aan, ‘dat dit met een sisser afloopt. De drie maanden die je in voorarrest zat, daar blijft het bij.’
Daar kreeg de advocaat dan wel gelijk in, maar tot een uitspraak zou het nooit komen. Bij het binnengaan van de rechtszaal rende Alex op een bewaker af en schreeuwde ‘Schiet mij dood!’. Dat waren zijn laatste woorden.
Hij was Presa voor, maar niet meer dan een etmaal. Dezelfde avond kreeg zij koorts en de dienstdoende dokter besloot samen met haar vader om complicaties niet meer te behandelen. Presa’s ademhaling werd steeds sneller en dieper, en haar lichaam, dat tot dat moment bewegingloos in bed had gelegen, begon te rillen. Tegen het aanbreken van de volgende ochtend was het allemaal voorbij.
De hand van het lot was in deze geschiedenis zo evident dat hij geen moment woede had gevoeld, slechts verdriet, zo sprak de vader van Presa bij de begrafenis. Woede stond machteloos tegenover het lot. Hij brak in tranen uit en iedereen huilde mee, al verstond men niets van zijn Spaans. Ook Alex’ moeder sprak over het lot. Alex was een man met een onwankelbaar geweten, strenger dan welke rechter ook.

1

In de ochtend weerspiegelde de vijver in het Sarphatipark nog een strakblauwe zomerlucht, maar in de middag streek er een vlucht ganzen neer. Dat was het eerste teken van de naderende herfst. Er stak een stevige wind op en die zwol in de loop van de nacht aan tot een storm. De volgende dag joegen donkere wolken laag over de stad. Ze stortten striemende regenbuien uit over de daken en zetten de wereld in beweging.
Vanuit zijn werkkamer in het advocatenpand keek Karel Marsman uit over het park. De eerste bomen begonnen al te verkleuren. In deze tijd van het jaar had iedere dag zijn eigen tint. In een paar weken tijd zou het chlorofyl zich uit de bladeren terugtrekken en het park achterlaten in een schakering van carotenen en anthocyanen die de bomen oranje en rood kleurden, tot rukwinden de bladeren met honderden tegelijk van de takken zouden trekken. De ontzielde resten zouden met de koude regen wegspoelen, in putjes verdwijnen en door riolen en rivieren hun weg vinden naar de zee. Karel verwonderde zich over de uitbundigheid waarmee de herfst zich aankondigde, alsof de triestheid van het komende verlies moest worden verhuld. Als het door een mens ontworpen was, had men het verafschuwd. Rouw past soberheid.
Een eekhoorn die zich van het stormgeweld niets aantrok, klauterde vliegensvlug over de zwiepende takken van een lindeboom en sprong met een atletische boog naar de boom die pal voor het advocatenpand stond. Precies tegenover Karel bleef hij zitten, stokstijf, en keek hem met een doordringende blik aan. Op dat moment ging de wind even liggen. Gedurende de paar tellen oogcontact voelde Karel zijn hartslag over zijn halsslagaders galopperen. Een beklemmende pijn welde op in zijn borst en zorgen die hem al enige tijd ’s nachts kwelden drongen zich nu plotseling op, nadrukkelijker en zwaarder dan ooit tevoren. Met een siddering verspreidden ze zich via zijn ruggenmerg over zijn romp en ledematen, tot zelfs zijn tenen tintelden. In zijn borst smolten ze samen tot een massieve bol van kommernis. Karel staarde de eekhoorn na toen die van zijn plek sprong en met zijn volle, roodbruine staart naar zijn toeschouwer wuifde.

Om zijn concentratie niet te verstoren schuifelde Karel behoedzaam langs de boekenkasten aan de wand. De vakliteratuur was systematisch gerangschikt. Met zijn wijsvinger streelde hij langs de kaften en veegde hij een dun laagje stof van een oude jaargang van het juristenblad Advocatuur in de Polder. Inderdaad, Amsterdam was onttrokken aan het veengebied dat in de loop der eeuwen was ingepolderd, lang voordat de polders door de aanwassende stad werden geannexeerd. Op deze drassige bodem hadden Karel en Frans hun eigen kantoor opgericht. Marsman & Beton advocaten: bij het rechte eind.
Eindelijk keek Frans op van zijn papieren. Hij knipperde met de ogen en schoof zijn leesbril langs de neusrug omhoog. Het strakke montuur bood net als zijn karakter geen ruimte voor grilligheid of disbalans. Nu pas ontwaarde hij Karel, die inmiddels in de met rood velours beklede fauteuil in de hoek van de kamer was neergezegen.
Nog altijd joegen onweerswolken door Karels bewustzijn, maar hij wist zich vast te grijpen aan de bedaarde blik van zijn kameraad. Hij zuchtte nog eens diep en schraapte zijn keel, maar Frans was hem voor.
‘Je hebt iets op je lever.’
‘Op mijn lever... of op het hart.’
‘Om het even. Draai niet om de zaken heen, mijn waarde. Ik werk aan mijn pleidooi ter verdediging van onze collega aan de Herengracht.’
‘De beroepshuichelaar?’ Karel kende de zaak vanbinnen en vanbuiten. De kranten raakten niet uitgeschreven over de collega die aan zijn succes ten onder ging.
‘Wat je zegt! Maar voor deze ene keer zal ik naar zijn pijpen dansen.’
‘Waar ik je om bewonder!’
‘Vanwege mijn gebrek aan moraal?’ Frans grinnikte.
‘Maar zeg op, je lever. Of was het je hart?’
‘Waar lokaliseert men zwaarmoedigheid?’
‘Melancholie, dat komt uit het Grieks: zwartgalligheid. Je lever dus. Enfin...’
Karel zocht opnieuw naar woorden. Hij liet zijn blik door de kamer dwalen en vestigde hem op de koperen slinger van de Bretonse staande klok. Die hing stil.
‘Ik ga er voor enige tijd tussenuit, Frans.’ Zijn stem klonk rauwer en vastberadener dan zijn bedoeling was.
Frans wreef zich in de ogen en zette vervolgens zijn handen op de dijen. Hij boog wat naar voren over het bureau en keek Karel een paar tellen aan.
‘Juist nu...?’ vroeg hij.
Karel knikte. Juist nu het advocatenkantoor zijn hoogtijdagen beleefde en ook Karels eigen carrière in de lift zat; maar dat was al zo vanaf het allereerste begin. Zijn agenda stond vol met rechtszaken, zakelijke diners en zo nu en dan zelfs een mediaoptreden. Vanwege zijn spitsvondige pleidooien was hij een gewilde verschijning op de televisie. Zijn betogen waren doorspekt met psychologische en filosofische argumenten, maar waren altijd opgebouwd uit begrijpelijke woorden, zodat ook de gewone man zijn argumentatie kon volgen. Inmiddels gold hij zelfs als de belangrijkste kandidaat voor de opvolging van de hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Kortgeleden had de rector magnificus hem bij een informeel diner ingefluisterd dat zijn aanstelling zo goed als rond was. Een dezer dagen kon hij een brief in de bus verwachten waarin hij officieel werd uitgenodigd om op gesprek te komen.
Ondanks de maatschappelijke weerklank van zijn woorden bekroop hem af en toe een onbestemd gevoel, dat zich als een knaagdier door de bast van zijn faam vrat en zich in zijn binnenste nestelde. Als hij de slaap niet kon vatten, kreeg de onzekerheid meer grip op hem. Vaak ging het gepaard met dezelfde lichamelijke sensaties als die hij had ervaren toen hij in de ogen van de eekhoorn keek. Het werd tijd om daar voorgoed mee af te rekenen. Juist nu, dacht Karel.
Eindelijk schoof Frans zijn paperassen aan de kant. Hij draaide de dop op zijn vulpen en legde deze keurig dwars op het stapeltje papieren, zodat de eerste regel van de tekst bedekt werd door de pen en de tweede door de schaduw ervan. Met de traagheid van een bulldozer hief hij het hoofd en keek Karel recht in de ogen.
Genegenheid, las Karel in de blik van zijn kameraad, en een vleugje bezorgdheid misschien. Het moest hem wel duidelijk zijn dat Karel al enige tijd op zijn tenen liep. Regelmatig kwam hij te laat en onuitgeslapen op kantoor en Frans had hem er al meermalen op gewezen dat hij bij de koffie verstrooid voor zich uit staarde, waarop Karel eens geantwoord had dat het leven in deze roerige jaren zijn onschuld had verloren. Wat er precies scheelde, dat ging zelfs Frans niets aan.

[...]

 

Copyright © 2015 Thijs Feuth

Uitgeverij De Arbeiderspers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum