De eerste zin van Max Blechers Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid, vertaald door Jan Mysjkin

18 december 2009
| | |

Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid (Întâmplari în irealitate imediata, 1936) is een uitzonderlijke bildungsroman, tegelijk persoonlijk en universeel. Een jongeman stelt zichzelf fundamentele vragen als ‘Wie ben ik?’ of ‘Waarin bestaat het gevoel van werkelijkheid?’ Het ‘ware’ leven dat hij nastreeft, loopt onveranderlijk uit op het banale. Hoe dichter hij bij de mensen, plaatsen en dingen in de buurt komt, hoe vreemder ze worden. ‘Ik weet waar ik ben en dat ik leef, maar er ontbreekt iets aan dat alles,’ zegt de ik-figuur. Blecher gaat voorbij de shtetl, de provincieplaats, voorbij de randen van de beschaving en realiteit en daalt af tot in de afgrond van zijn ziel om de zin en betekenis van zijn bestaan en van de seksualiteit te ontdekken. Jan H. Mysjkin vertaalde de roman en schreef een inleiding. We vroegen hem de eerste zin toe te lichten.

Când privesc mult timp un punct fix pe perete mi se întâmpla câteodata sa numai stiu nici cine sunt nici unde ma aflu. Simt atunci lipsa identitatii mele de departe ca si cum as fi devenit, o clipa, o persoana cu totul straina. Acest personagiu abstract si persoana mea reala îmi disputa convingerea cu forte egale.
Wanneer ik langdurig naar een vast punt op de muur staar, kan het gebeuren dat ik niet meer weet wie of waar ik ben. Dan voel ik op een afstand mijn gebrek aan identiteit, alsof ik voor even een compleet vreemde persoon ben geworden. Dat abstracte personage en mijn reële persoon twisten met gelijke kracht om mijn instemming.

Ik zal de eerste alinea van Blechers roman nooit meer kunnen lezen alsof ik haar voor het eerst lees – een boek vertalen betekent dat je dezelfde tekst tigmaal opnieuw leest. Ik kan me wel (proberen te) herinneren hoe ik die eerste alinea voor het eerst heb gelezen.

Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid werd me in 2003 door de Roemeense schrijver Constantin Abaluta aanbevolen. Om mijn belangstelling te wekken, schuwde hij de grote vergelijkingen niet: Blecher werd neergezet als een verwant van Franz Kafka en Bruno Schulz, hij was bekend met het surrealisme, hij was een voorloper van het existentialisme. Dus ik begon met hooggespannen verwachtingen aan Blechers debuut, dat in 1936 was verschenen, vervolgens decennia lang in Roemenië verboden was geweest, en pas na de val van de communistische dictatuur door de jongere generaties werd opgepikt als een klassieker uit het interbellum.

Wie met zulke verwachtingen aan een boek begint, mag hopen dat de eerste zinnen zo sterk zijn dat ze hem of haar mee het boek in trekken. Voor mij was dat het geval; de eerste zin formuleert een ervaring die perfect herkenbaar is, althans voor mij. Ik herinner me hoe ik als kind met koorts in bed lag, een figuurtje op het behang tegenover mij fixeerde en na enige tijd alles daaromheen zwart werd. Ik was die ervaring al lang ‘vergeten’, maar Blechers eerste zin woelde de herinnering weer uit het verleden op. In mijn geval ben ik me niet bewust van enig identiteitsverlies, maar vanuit dit concrete aanknopingspunt viel het mij niet moeilijk om daarna Blechers interpretatielijn te volgen. In die eerste alinea geeft de schrijver het hoofdthema van zijn autobiografische roman aan: de ervaring van ‘gebrek aan identiteit’ (en dus ook van gebrek aan werkelijkheid), die leidt tot de confrontatie tussen een reëel ‘ik’ en een abstract ‘ik’.

Door middel van verhalen uit zijn kindertijd en jongensjaren weet Blecher de fricties tussen zijn verschillende ‘ikken’, en tussen die ‘ikken’ en de ‘werkelijkheid’ tastbaar te maken. Hij doet dat met zulke welgekozen woorden en accurate beelden dat de lezer niet alleen in de diepten van de schrijver afdaalt, maar ook in die van zichzelf. En daarmee zitten we midden in de persoonsontdubbeling, waar Blecher het in die eerste alinea over heeft – want is lezen niet ook altijd een confrontatie van de reële persoon van de lezer met het abstracte personage van de ik-figuur?

Jan H. Mysjkin vertaalde eerder Alexandre Dumas' De graaf van Montecristo, boeken over Dada, en stelde een bloemlezing uit de Roemeense poëzie samen (Engel in het raam op het Oosten). Hij is ook dichter. Voor mijn ogen ligt het zwijgen verscheen dit jaar; komend jaar verschijnt Rekenkunde van de tastzin. Jan Mysjkin zal ook de andere boeken van Max Blecher vertalen.

Delen op

MINDBOOKSATH : athenaeum