De eerste zin van Boris Pahors Necropolis, vertaald door Pieter van der Drift

28 april 2011
| | | | |

'Verdient een plek naast de meesterwerken van Holocaustliteratuur van Primo Levi en Imre Kertész,' schreef La Repubblica, en nu is Necropolis van Boris Pahor verschenen in de Nederlandse vertaling van Pieter van der Drift. Veertien maanden leefde Pahor in concentratiekampen, waaronder KL Natzweiler-Struthof in de Vogezen. Als hij daar twintig jaar later terugkomt, herbeleeft hij de ontberingen. Op ons verzoek licht Van der Drift zijn vertaling toe.

Domenica pomeriggio. Il nastro d’asfalto liscio e sinuoso che sale verso le alture fitte di boschi non è deserto come vorrei.
Zondagmiddag. De gladde asfaltweg die door de dicht beboste bergen omhoogkronkelt, is niet zo verlaten als ik had gewild.

Een openingszin met een diepere lading dan je op het eerste oog misschien zou denken.
Het is namelijk niet zomaar een zondagmiddag, maar de zondagmiddag dat Boris Pahor na meer dan twintig jaar terugkeert naar het concentratiekamp Natzweiler-Struthof in de Vogezen. Pahor heeft het kamp overleeft. En op die ene zondagmiddag in 1966 vertelt Pahor over zijn ervaringen als verpleger in het Revier, over honger en kou, verloren vrienden en schuldgevoel, zelfverwijt, gruweldaden, onmacht, solidariteit; en over Dachau, Harzungen en Bergen-Belsen waar hij uiteindelijk in april 1945 bevrijd werd.
De zondag is een slecht gekozen dag, beseft Pahor als hij de asfaltweg omhoog rijdt, die niet zo verlaten is als hij had gewild. Later, in het museum, irriteert hij zich aan alle dagjesmensen. Pahor worstelt met zijn gevoelens, want tegelijkertijd beseft hij hoe onredelijk hij is.
Maar goed, de maandag was beter geweest. En daarbij is het ook nog eens een stralende, zomerse zondagmiddag.

‘De julizon blijft branden en de steentjes knerpen onder mijn sandalen, wat het beeld in me oproept van een zondag in het park. Een beeld waar ik me tegen verzet, ook omdat ik het niet kan hebben dat deze bezoekers zich een idee van het kamp vormen in zo’n aangenaam warme, vredige, ja bijna dromerige sfeer. Ze zouden deze open terrassen, die door een hoge muur van bomen omringd worden, eens op dagen moeten betreden dat ze in volslagen duisternis door slagregens of harde windvlagen worden geteisterd.’

Pahor benadrukt niet voor niets dat de weg glad geasfalteerd is. Als hij even later binnen de prikkeldraadversperring loopt, komt er een stroom herinneringen naar boven. Aan die keer dat hij in Natzweiler aankwam bijvoorbeeld.

‘In plaats van die gladde asfaltstroken had ik liever de oude, oneffen weg met al zijn kuilen voor me gehad. Die zou me dichter bij de werkelijke sfeer van het verleden hebben gebracht, maar wij moderne chauffeurs zijn al te zeer gewend geraakt aan het comfortabele, snelle verkeer.’

 

Wat me tijdens het vertalen van Necropolis opviel was dat in Nederland slechts een enkeling van het kamp Natzweiler-Struthof had gehoord. Opvallend, zeker als je bedenkt dat hier juist zoveel prominente Nederlanders naartoe zijn gedeporteerd: Engelandvaarders, stakers, verzetsmensen, politici. Natzweiler was geen vernietigingskamp zoals Auschwitz en Sobibor, maar was wel een van de zwaarste concentratiekampen. Niet voor niets is Hinke Piersma’s boek over de Nederlandse Nacht und Nebel-gevangenen in kamp Natzweiler getiteld: Doodstraf op termijn.

Als vertaler bezoek ik, zodra dat mogelijk is, bijna altijd de plaats of de streek waar de roman zich afspeelt. Dat is niet alleen interessant, maar helpt ook echt om dichter in een boek te kruipen. Zo had ik bij het vertalen van De steeneter van Davide Longo het geluk dat ik mocht verblijven in de Alpenhut die de hoofdpersoon Cesare in de roman bewoont.

Voor Necropolis heb ik twee bezoeken aan het huidige museum KL-Natzweiler gebracht. De eerste keer in december, toen er zo’n dik pak sneeuw lag dat we de door de gevangenen zo gehate steile trappen naar beneden niet mochten afdalen. Vandaar dat ik later in de lente nog eens ben teruggegaan. In totaal ben ik bijna een half jaar met het boek bezig geweest. De bezoeken aan het kamp en de maanden waarin ik aan het boek werkte hebben diepe indruk op me gemaakt. Wat me vooral trof was dat de werkelijkheid steeds weer gruwelijker bleek te zijn dan ik voor mogelijk had gehouden. Het is bijna niet te bevatten in wat voor situaties onschuldige mensen in die tijd beland zijn. Door Pahors scherpe oog voor detail en zelfreflectie word je keer op keer met de neus op de feiten gedrukt: deze oorlog moet niet vergeten worden. Via dit boek kwam ik op internet schokkende getuigenissen tegen van episodes uit de Tweede Wereldoorlog die ik nog niet kende, zoals bijvoorbeeld over de huiveringwekkende treintransporten naar Dachau aan het eind van de oorlog, waarbij duizenden mensen in één trein het leven lieten.

Wie ooit in de prachtige Vogezen zijn vakantie doorbrengt; moet zeker eens bij Schirmeck die gladde asfaltweg inslaan, die door de bossen naar de bergtoppen omhoogkronkelt.

Pieter van der Drift vertaalde eerder boeken van Davide Longo, Pietro Grossi, Giuseppe Genna, Rita Charbonnier, V.M. Manfredi, Fatima al-Marnisi, Nino Filastò, Huong, en jeugdliteratuur van Pierdomenico Baccalario, Silvana De Mari, en (met Manon Smits) Geronimo Stilton.

Foto © Philippe Matsas

MINDBOOKSATH : athenaeum