De eerste zin van Elif Shafaks Geheim, vertaling Sytske Breunesse, Evert v.d. Broek, Irene 't Hooft

05 juli 2011
| | | | | |

Een dikke vrouw en haar minnaar, een dwerg, hebben er genoeg van om overal waar ze komen steeds weer aangestaard te worden. Ze besluiten van rol te wisselen: hij draagt make-up en zij tekent een snor op haar gezicht. De heftige reactie van de buitenwereld op hun rolwisseling verwerken ze beiden op hun eigen manier. De vrouw wil het liefste wegkruipen, onzichtbaar voor de buitenwereld, terwijl de man de confrontatie met de starende blikken niet schuwt. Hij verzamelt ze, prent ze in zijn geheugen, om ze later toe te voegen aan zijn Woordenboek van het Zien. Sytske Breunesse, Evert van den Broek en Irene 't Hooft vertaalden Elif Shafaks Geheim. Een roman over zien en gezien worden. Van den Broek lichtte voor ons de eerste zinnen toe.

RÜYAMDA bir uçan balon görüyordum. Rengini seçemiyordum ama gökyüzü gipgri, bulutlar bembeyaz, günes de sapsari olduguna göre, gipgri, bembeyaz ya da sapsari disinda bir renk olmaliydi muhakkak.
In mijn droom zag ik een ballon zweven. De kleur kon ik niet onderscheiden, maar omdat de lucht diepgrijs was, de wolken spierwit en de zon helgeel, moest het wel een andere kleur zijn dan diepgrijs, spierwit of helgeel.

Tastbare kleuren

Eén zin (of twee zoals hier), het zou voorbarig zijn om te verwachten hier Shafaks poëtische stijl al in een notendop aan te treffen, maar hij bevat wel een element dat in het boek een grote rol speelt: kleur. Heel vaak noemt ze de kleur van iets, vaak in een vergelijking: morellenkleurig. Of: de kleur van gezouten groene amandelen. Geheim is een kleurrijk boek.

Die kleurrijkheid van Geheim is nauw verbonden met de wereld van de zintuigen. De kleuren staan ook niet op zichzelf, maar roepen weer andere hoedanigheden op, waardoor de dingen niet alleen zichtbaar, maar ook tastbaar, grijpbaar worden. Ook in de meer exotische hoofdstukken behoudt Shafak de band met de wereld van de zintuigen, waardoor deze stukken weliswaar exotisch of fantastisch zijn, maar tegelijkertijd toch helemaal ‘echt’.

Wat ook belangrijk is: van bepaalde dingen wordt de kleur altijd genoemd. Daar bestaat kennelijk een vast verband tussen de aard van het ding en de kleur. Daardoor ontstaat de indruk dat het niet toevallig is dat morellenkleur de kleur is van een circustent. Van deze herhaling gaat een zekere bezwerende werking uit.

In een interview in 2000 in de Cumhuriyet Kitap naar aanleiding van het verschijnen van haar roman Geheim verklaart Elif Shafak: ‘Ik wilde iets schrijven over ogen.’ En: ‘Ik was geïnteresseerd in vragen als: Waarom voelt een mens zich ongemakkelijk wanneer hij bekeken wordt, zijn zien en gezien worden onschuldige dingen?’ Aan de hand van deze vragen heeft ze een roman geschreven waarin het menselijk oog op elke bladzijde aanwezig is.

Bonte verhalenverzameling

Hoofdpersoon is een jonge vrouw, medewerkster bij een kindercrèche, die buitensporig dik is en aan een eetmanie lijdt. Ze woont samen met een dwerg in een appartement aan de voet van een helling in Istanbul, het ‘Toverlantaarn Flatgebouw’. Het is 1999.

Daarnaast is er een verhaal over een ‘morellenkleurige’ kermistent, geëxploiteerd door de wonderlijke Keramet Mumi Keske Memis Efendi, die een gezicht van kaarsvet heeft, dat nog maar net voor het stollen kon worden vormgegeven. In de kermistent wordt van alles getoond dat bijzonder en ‘bezienswaardig’ is, van een menselijk gedrocht tot een feeërieke schoonheid. Voor mannen en vrouwen zijn er aparte voorstellingen. De tent staat boven op een heuvel, ook in Istanbul, in een wijk die toen Pera heette. Dit speelt in 1885.

In de morellenkleurige tent treedt onder andere het Sabeldiermeisje op. Ze is een gedrocht, half mens half dier.  Om haar oorsprong uit de doeken te doen neemt Shafak ons mee naar het Siberië van 1648. Een andere ster in de circustent is de oogverblindend mooie La Belle Annabelle. Haar geschiedenis voert ons naar een landgoed in Frankrijk in 1868.
De dwerg met wie de kleuterleidster samenwoont, werkt aan een ‘Woordenboek van het Zien’. De lemma’s van dit woordenboek staan als zelfstandige, het verhaal telkens onderbrekende, stukjes tekst in de hoofdstukken ‘Istanbul 1999’.

Zo is Shafaks roman dus een bonte verzameling losse verhalen. De verhalen bevatten echter wel de nodige verwijzingen en parallellen, bijvoorbeeld het feit dat de circustent en het Toverlantaarn Flatgebouw beide op of halverwege een heuvel staan, misschien wel op dezelfde heuvel, en dat de klim zo moeilijk is. En, belangrijker, in alle verhalen heeft eenzelfde soort gebeurtenis plaats, namelijk dat er iets gezien wordt dat niet gezien mag worden. Er vindt een gebeurtenis plaats die het lot van de persoon in kwestie voor het leven bepaalt.

Rijke sprookjes en anekdotes

Shafak heeft een poëtische en rijke, exuberante schrijfstijl, die zij in alle hoofdstukken handhaaft en die er voor zorgt dat de sprookjesachtige, fantastische en de meer realistische, alledaagse verhalen bij elkaar gaan horen.

Neem dit sprookjesachtige fragment:

‘Op een dag werd er voor Keramet Mumi Keske Memis Efendi een vrouw gevonden die door alle zes zijn zusters werd goedgekeurd. Het meisje was zo mooi en handig dat zij de instemming had van alle koppelaarsters in de wijde omtrek. Ze had slechts één gebrek: ze was zo zwijgzaam als een steen die in een bodemloos meer is gerold. Ze was doofstom vanaf haar geboorte. Toen in de bruidsnacht de tulen sluier werd opgelicht, zagen zij elkaar voor het eerst. De bruid staarde lange tijd, met ogen wijd als schoteltjes, vol verbazing naar de ogen van de man tegenover haar. In die ogen zag ze geluk noch mededogen, woede noch welwillendheid. De ogen waarnaast zij voortaan iedere ochtend zou ontwaken, waren even leeg als de uitzetkist van een weesmeisje.De jonge vrouw begon plotseling te huilen. Uit haar twee ogen vielen drie tranendruppels. Keramet Mumi Keske Memis Efendi legde de druppels naast elkaar en las lettergreep voor lettergreep de klacht die niet uit de mond van zijn vrouw kon komen. De druppels zeiden: “Mijn beste heer. Laat mij toch gaan…”’

Of deze alledaagsere werkelijkheid:

‘Grootmoeder vastte vaak. De verplichtingen waaraan nog voldaan moest worden, van voorbije en toekomstige vastenmaanden, werden nooit minder. Ook al zei ze het niet openlijk, ze verwachtte dat het kind op deze dagen met haar mee zou vasten. Het kind protesteerde niet. In het bijzijn van haar grootmoeder at ze niets, maar zodra ze buiten was, zocht ze haar toevlucht bij de morellenboom in de achtertuin. Echter, op een dag, heel onverwacht, moest ze stoppen met dit ondeugende spelletje. Want die dag pakte grootmoeder het kind stevig bij haar vingertoppen vol morellenvlekken vast en keek haar recht in de ogen. Toen ze tenslotte sprak, kromden haar lippen, die hard en vlekkerig als een granaatappelschil waren, zich en lieten een spottende glimlach zien.“Hé, laten we maar zeggen dat je mij hebt bedrogen. Dacht je soms dat God niet ziet dat jij stiekem morellen eet?”’

Helgeel

Tot slot nog even terug naar de eerste zin: ‘In mijn droom zag ik een ballon zweven. De kleur kon ik niet onderscheiden, maar omdat de lucht diepgrijs was, de wolken spierwit en de zon helgeel, moest het wel een andere kleur zijn dan diepgrijs, spierwit of helgeel.’

Diepgrijs, spierwit, helgeel. In het Turks bestaat de mogelijkheid een adjectief te intensiveren door de eerste lettergreep qua klank te herhalen en voor die lettergreep te plaatsen: bijvoorbeeld: yeni (nieuw) yepyeni (gloednieuw) of baska (anders) bambaska (heel anders) etc. En zo werden: gri (grijs), sari (geel) en beyaz (wit): gipgri, sapsari en bembeyaz. De intensivering wordt hier dus verkregen met loutere klankherhaling. En wanneer men de zin in het Turks leest krijgt hij daardoor een sterk ritme, dat in het Nederlands moeilijk te evenaren is.

Sytske Breunesse vertaalde eerder Halil Gür en (samen met Irene 't Hooft) Ayse Kulin, Irene 't Hooft vertaalde poëzie van Kemal Özer, en Evert van den Broek vertaalde eerder Mehmet Uzun.

Auteursfoto © Ebru Bilun

Delen op

€ 19,90
MINDBOOKSATH : athenaeum