De eerste zin uit De onzichtbare hand van Isaac Rosa vertaald door Peter Gelauff

20 mei 2013
| | | |

In De onzichtbare hand brengt Isaac Rosa een van de grote maar weinig verkende thema's van onze tijd ter sprake: het werk. Met veel verbeelding, een sprankelende taal en een kleurrijke stijl houdt hij de lezer in de ban van zijn verhaal en laat hij op onnadrukkelijke wijze zijn opvattingen blijken. Hij laat de mensen hun werk verrichten in een voormalige fabriekshal terwijl ze worden gadegeslagen door een wisselend publiek en door de massamedia. Met deze roman bewijst Isaac Rosa dat hij een van de belangrijkste hedendaagse Spaanse auteurs is. Wij vroegen vertaler Peter Gelauff om de eerste zin van de roman toe te lichten.

Siempre, al llegar, tiene un impulso de saludar.
Iedere keer dat hij binnenkomt, heeft hij de neiging te groeten.

Met De onzichtbare hand heeft de Spaanse schrijver-journalist dus een roman geschreven over arbeid. Maatschappelijk engagement is de constante in het oeuvre van deze nog jonge (1974) Spaanse schrijver. Een roman over arbeid is echter een novum. ‘Zeker,’ schreef zijn collega-auteur José Luís Pardo, ‘er zijn veel verhalen die zich geheel of gedeeltelijk op de werkplek afspelen, maar […] ze verhalen niet die activiteit als zodanig, want de stompzinnigheid of de monotonie daarvan lijkt de grens aan te geven van zijn vertelbaarheid (hoe iets te vertellen waar niemand is, waar iedereen ophoudt iemand te zijn?).’

De herhaling in de woorden

Wie komt er binnen, waar komt hij binnen, vanwaar de haast onbedwingbare neiging om ieder keer te groeten en wie dan wel? Natuurlijk, de eerste zin in welke roman dan ook roept vragen op. De lezer weet nog nergens van en wordt met een onbekende situatie geconfronteerd. De beginzin van Rosa is echter een verhaal in een notendop. ‘Siempre’, altijd, we weten dus dat het om een handeling gaat die zich vaak herhaalt. Ik heb er ‘iedere keer dat’ van gemaakt, juist om de herhaling te benadrukken die ook in de roman zelf een overheersende rol speelt: de monotone herhaling van telkens dezelfde handelingen van een zevental arbeiders die in een verlaten fabriekshal ieder hun eigen beroep uitoefenen, een metselaar, een slager, een lopendebandwerkster, etcetera.

Die plaats van handeling is meteen ook de reden om het Spaanse ‘al llegar’ niet te vertalen met ‘dat hij aankomt’, maar ‘dat hij binnenkomt’. Schijnbaar niet helemaal correct, want binnenkomen is ‘entrar’, maar vanaf het eerste moment moest duidelijk zijn, dat de protagonist telkens opnieuw een ruimte binnenkom. Later blijkt dat de fabriekshal te zijn waar zich het hele verhaal afspeelt. En ieder keer heeft hij de neiging te groeten. Behalve om zijn collega’s te begroeten zal geen arbeider die neiging voelen wanneer hij de fabriekshal betreedt.

Een eigenaardige neiging

Uit de tweede zin, ik citeer hem straks, zal blijken dat het daar echter niet om gaat. Waar komt dan toch die neiging vandaan? Rosa heeft zijn protagonisten in een fabriekshal onder een paar felle schijnwerpers gezet. Achter die verblindende schijnwerpers, zo ontdekken de arbeiders gaandeweg, bevindt zich publiek. Nieuwsgierigen die komen kijken hoe zij hun werk verrichten, alsof het acteurs zijn. Iedere keer weer bekruipt de ‘hij’ van de eerste zin de neiging om de publiek te begroeten, maar wordt hij wel geacht hen als publiek te zien. En hijzelf dan, wat moet hij daar?

Het werk dat hij en de anderen daar verrichten, blijkt bovendien nutteloos te zijn, want ieder afgerond product wordt weer ongedaan gemaakt. De muurtjes die de metselaar optrekt, worden meteen omver getrokken, het keurig gesneden vlees van de slager verdwijnt in de afvalbak. De vraag wie achter die vertoning zit, blijft het hele verhaal lang een mysterie. Hoewel, Rosa laat een administratief medewerkster volstrekt doelloos teksten overtypen, waaronder een fragment dat de lezer op het spoor brengt: ‘…het individu […] wordt [in zijn werk] geleid door een onzichtbare hand om een doel te bevorderen dat geen deel uitmaakt van zijn voornemen’. Adam Smith in The Wealth of Nations. De typiste ontdekt dat die maxime van toepassing is op haarzelf en op de andere werkers in de fabriekshal. De onzichtbare hand die hen opdrachten geeft en die de economie leidt. Maar ook hun eigen handen die onzichtbaar werk verrichtten totdat zij publiek kregen dat hen in de fabriekshal kwam bezichtigen. 

De ‘neiging om te groeten’ is daarmee een eerste aankondiging van de psychologische component van het verhaal, de vragen en overpeinzingen van de arbeiders bij hun huidige, maar ook hun vroegere werk, hoe ze in die situatie zijn beland, welke keuzes ze in hun leven hebben gemaakt en hoeveel invloed ze daar zelf op hadden. Ieder arbeider heeft zijn eigen verhaal, zijn eigen gedachtewereld, met antropologische precisie worden ‘de onzichtbare handen’  mensen met een boeiende geschiedenis. Die combinatie van de zich oneindig herhalende handelingen en het psychologische proces dat elke arbeider onder invloed van de onzichtbare hand doorloopt, houden de lezer in de ban.

Die onzichtbare hand geeft de ‘hij’ van de eerste zin iedere keer dat hij binnenkomt het gevoel dat hij moet groeten. De tweede en derde zin zijn:

‘Niet een theatrale groet, stilstaan, de voeten tegen elkaar en een diepe buiging maken, ook al nodigt de plek daar wel toe uit, zelfs tot iets wat meer op een circusact lijkt: een aanloopje nemen, een aantal buitelingen maken en die afronden met een salto. Nee, wat hem betreft zou het volstaan zijn hand op te steken en naar links en naar rechts te zwaaien, misschien even te glimlachen, maar hij doet het niet, belachelijk.’

Peter Gelauff is na een werkzaam leven in Ontwikkelingssamenwerking zich gaan toeleggen op schrijven en literair vertalen. In 2005 verscheen van zijn hand de roman De vergeten geschiedenis van de familie Manriquez bij uitgeverij Aspekt. Na zijn opleiding aan de Vertalersvakschool vertaalde hij kort werk van Augusto Céspedes, Beto Ortíz en Alvaro Lasso, en Rosa’s Het land van de angst.

Zie ook zijn bijdrage op Boekvertalers.nl.

Delen op

MINDBOOKSATH : athenaeum