Mijn Athenaeum

01 augustus 2016
| |

Athenaeum viert in 2016 het vijftigjarig jubileum, met feest en korting én iedere maand een bijdrage over boekhandels in het algemeen en Athenaeum in het bijzonder. Na Maarten Asscher, Niña Weijers, Joubert Pignon, Roel Bentz van den Berg, Louise O. Fresco, Marja Pruis en Gustaaf Peek kijkt nu Fouad Laroui naar de aantrekkingskracht van het Spui en de honderdogige hydra's in de etalages van Athenaeum.

N.B. Deze tekst werd oorspronkelijk in het Frans geschreven, en vertaald door Joeba Bootsma. Eerder bespraken we Laroui's Les noces fabuleuses du Polonais en Le jour où Malika ne s’est pas mariée en publiceerden we voor uit zijn nawoord bij Rousseaus Bekentenissen, De kleine bedrieger, en Poldermarokkanen.

Een paar maanden na mijn aankomst in Amsterdam vond ik de polsslag van de stad: op het kleine plein dat Spui heet. Je vindt daar een verrassende concentratie van betekenisvolle plekken. Het Maagdenhuis symboliseert de Universiteit, de opleidingen en het eeuwenlang in stand houden van het koppige streven naar de kennis die ons gaandeweg zou bevrijden van het religieuze overwicht. En juist, net daarnaast torent de Lutherse Kerk, die lange tijd symbool stond voor een zeker verlangen naar emancipatie (ten opzichte van Rome) maar die - op een voor de Geschiedenis welbekende ironische wijze - tegenwoordig wordt gebruikt voor heel onreligieuze proefschriftverdedigingen van de Universiteit. Ik heb veel verdedigingen bijgewoond, vooral wanneer het mijn vrienden betrof, en ik heb ook veel inaugurele redes van net benoemde hoogleraren meegemaakt – de meest spectaculaire die me is bijgebleven is die van Rick van der Ploeg, die zo snel en over zo veel verschillende onderwerpen praatte dat niemand er iets van begreep. Maar iedereen was van mening dat er talent in te bespeuren viel.   

Aan de andere kant van het plein bevindt zich een van de voornaamste toeristische attracties van de stad, het Begijnhof, verborgen achter een onopvallende kleine deur die je zo voorbijloopt. Maar je hoeft hem maar open te duwen en je begeeft je in een andere wereld, een andere eeuw. Naast het Begijnhof huist de Amerikaanse boekhandel die, paradoxaal genoeg, lange tijd werd gerund door een Palestijn… En verderop heb je een modekledingwinkel, arrogant en onbeduidend, zoals al die winkels.

Op het plein zit ook een aantal cafés en restaurants die ik inmiddels goed ken – behalve Café De Zwart. Al bij mijn eerste Amsterdamse wandeling verzekerde men me dat dit de plek was ‘waar schrijvers samenkomen’, wat me dermate intimideerde dat ik nooit heb gedurfd in dat prestigieuze café te gaan zitten – behalve één keer: Hafid Bouazza, die achter een glas bier zat, zwaaide vriendelijk naar me toen ik langs het café liep en dat gaf me de moed om, met bonzend hart, die Olympus te betreden en bij hem te gaan zitten, wachtend op het moment dat de baas me eruit zou zetten.

En toch… Toch kwam ik er al vrij snel achter dat, van al die plekken waarvan de een nog imposanter is dan de ander, de plek met het meest bescheiden voorkomen eigenlijk het interessantst is. Boekhandel Athenaeum: een niet heel opvallend pand, maar zijn altijd indrukwekkende etalages doen hun werk en weten van verre je aandacht te trekken en te hypnotiseren met de tientallen exemplaren van een en hetzelfde boek die er soms liggen uitgestald, alsof een hydra met honderd ogen zich meester heeft gemaakt van de etalage. Maar dat is niet waarom Athenaeum, sinds de bijna dertig jaar dat ik in Amsterdam woon, voor mij het echte middelpunt van het Spui is geworden.

Vergeleken met de andere panden op het plein is Athenaeum niet overweldigend zoals het Maagdenhuis, niet intimiderend zoals café De Zwart, niet alsof ik niet volledig word geaccepteerd zoals bij het Begijnhof, niet erop uit me te minachten zoals de kledingwinkel, en niet zoals de Lutherse Kerk die haar deuren voor me sluit. Athenaeum doet juist precies het tegenovergestelde. Je loopt er naar binnen zonder formaliteiten, de eenvoud van het pand intimideert niemand, er huist geen bestuur dat over leven en dood van je carrière beschikt, en niemand kijkt er op je neer. Het voelt alsof je thuis bent, alsof je er met vrienden staat.

En dan is er nog wat. De andere gebouwen op het plein zijn, om het zo te zeggen, volledig, af, definitief: what you see is what you get. Je staat ernaast en het enige wat je kunt doen is ze aanschouwen en je heel klein voelen. Athenaeum daarentegen is open, altijd vernieuwend en gericht op de toekomst: het zijn immers boeken die er worden verkocht, waarvan je er alleen maar een open hoeft te slaan om vooruit te worden geslingerd, om de gedaanteverandering van start te laten gaan, om werkelijk het gevoel te hebben dat je bestaat en dat je er toe doet. Als Sartre, Foucault of Barthes in Amsterdam hadden gewoond, dan weet ik wel waar we ze geregeld tegen zouden zijn gekomen, gebogen over een boek dat net is opgeduikeld van de plank, mompelend en met gefronste wenkbrauwen, even helemaal vergeten wie ze zijn om enkel nog lid te zijn van de grote familie van Athenaeum.  

Vertaling © Joeba Bootsma

 

Mon Athenaeum

Quelques mois après mon arrivée à Amsterdam, j’ai compris où son pouls battait : sur la petite place nommée Spui. On trouve là une concentration étonnante de lieux significatifs. Le ‘Maagdenhuis’ symbolise l’Université, les études, la perpétuation depuis des siècles de la recherche obstinée d’un savoir qui nous débarrasserait petit à petit de la mainmise religieuse. Et justement, tout à côté, se dresse l’église luthérienne, qui symbolisa pendant longtemps une certaine volonté d’émancipation (par rapport à Rome) mais qui, par une de ces ironies dont l’Histoire a le secret, est aujourd’hui utilisée pour les très laïques soutenances de thèse de l’Université. J’ai assisté à beaucoup de ces soutenances, surtout quand il s’agissait de mes amis, et aussi à beaucoup de leçons inaugurales de professeurs fraîchement nommés – la plus spectaculaire restant, dans ma mémoire, celle de Rick van der Ploeg, qui parlait si vite et de choses tellement différentes que personne n’y comprit rien. Mais tout le monde s’accorda pour y déceler du génie…

En face, l’un des hauts lieux touristiques de la ville, ce Béguinage dissimulé par une petite porte qu’on remarque à peine. Mais il suffit de l’ouvrir pour entrer dans un autre monde, un autre siècle. Adossé au Béguinage, la librairie américaine qui fut longtemps dirigée, ô paradoxe, par un Palestinien... Ailleurs, un magasin de vêtements de mode, arrogant et futile, comme ils le sont tous.

On y trouve aussi, sur cette place, plusieurs cafés et restaurants que j’ai fini par bien connaître - sauf le Café De Zwart dont on m’assura, dès ma première promenade amstellodamoise, que c’était là « que se retrouvaient les écrivains », ce qui m’intimida tellement que je n’ai jamais osé m’asseoir dans ce lieu prestigieux – sauf une fois : alors que je passais devant, Hafid Bouazza, qui y était assis devant une bière, me fit un petit signe amical, ce qui m’encouragea à entrer, le cœur battant, dans cette Olympe et à me joindre à lui, m’attendant à chaque instant à être chassé par le patron.

Et pourtant… et pourtant, parmi tous ces lieux plus imposants les uns que les autres, je ne fus pas long à découvrir que c’était certainement celui qui a l’apparence la plus modeste qui est en fait le plus intéressant. La librairie Athenaeum, on la remarquerait à peine si ses vitrines, toujours remarquables, ne se chargeaient de vous attirer, de loin, parfois de vous hypnotiser quand c’est le même livre qui y est exposé, à des dizaines d’exemplaires, comme si une hydre à cent yeux en avait pris possession. Mais ce n’est pas pour cela qu’Athenaeum est devenu pour moi, depuis presque trente ans que je vis à Amsterdam, le vrai centre de la place Spui.

À la différence des autres immeubles de la place, celui-là ne m’écrase pas, comme le Maagdenhuis, ne m’intimide pas, comme le café De Zwart, ne semble pas à peine me tolérer comme le Béguinage, ne prétend pas me mépriser comme le magasin de fringues, ne me ferme pas sa porte, comme l’Église luthérienne. Athenaeum fait, très précisément, le contraire de tout cela. On y entre sans formalité, la simplicité de l’immeuble n’intimide personne, aucune administration n’y loge qui a droit de vie ou de mort sur votre carrière, personne ne vous y regarde de haut. On s’y sent chez soi, ou entre amis.

Et puis, il y a autre chose. Les autres immeubles de la place sont, pour ainsi dire, entiers, finis, définitifs : what you see is what you get. Que peut-on faire, devant eux, sinon les contempler et se sentir tout petit ? En revanche, Athenaeum est ouvert, toujours recommencé, tendu vers l’avenir : puisque ce sont des livres qu’on y trouve et qu’il suffit d’en ouvrir un pour être projeté vers l’avant, pour commencer à se transformer, pour avoir vraiment le sentiment d’exister et d’être important. Si Sartre, Foucault ou Barthes avaient vécu à Amsterdam, je sais bien où on les aurait le plus souvent rencontrés, penchés sur un livre tout juste déniché d’une étagère, le sourcil froncé, marmonnant, ayant tout à fait oublié qui ils sont pour n’être plus qu’un membre de la grande famille d’Athenaeum.

MINDBOOKSATH : athenaeum