Theo Sontrop, een grootheid

11 september 2017
| | | |

Op 7 september 2017 werd de dichter en vroegere uitgever van De Arbeiderspers Theo Sontrop in zijn woonplaats Vlieland begraven. Velen waren met de boot van 9.00 uur uit Harlingen gekomen om hem de laatste eer te bewijzen en ook de eilanders zelf lieten zich niet onbetuigd. Terwijl de grafstoet stapvoets door de Dorpsstraat trok, stond menige Vlielander voor zijn of haar huis opgesteld om zwijgend afscheid te nemen van hun illustere dorpsgenoot. Alvorens Sontrop op het dorpskerkhof van Vlieland ter aarde werd besteld, kwamen in de uit 1647 daterende Sint Nicolaaskerk enkele sprekers aan het woord. Uit naam van de Athenaeum Boekhandel sprak directeur Maarten Asscher een tekst uit, die hier in licht bewerkte versie wordt gepubliceerd:

I.M. Theo Sontrop (1931-2017)

Theo werd geboren als Theodorus Alexander Leonardus Maria Sontrop. Leonardus en Maria vielen als eersten af. Zodat het Th.A. Sontrop werd. Later was ook die A. niet meer nodig en volstond één voornaam voluit: Theo. Voor de toekomst heeft Theo een rotsblok verordonneerd, met daarop enkel ‘Sontrop’. Zelfs als je Frans niet heel goed is, bespeur je ook daarin nog een teveel.

Zoals zijn namen één voor één afvielen, zo schraapte hij ook van zijn poëzie al het overbodige weg. De minder dan 50 gedichten die hij nalaat, vormen de harde kern van een onmetelijk, over de jaren steeds verder ingeklonken oeuvre. Toen Gerrit Komrij in 1979 zijn Nederlandse poëzie in 1000 en enige gedichten publiceerde, nam hij daarin maar liefst vijf gedichten van Theo op. Welke dichter kan dat zeggen, dat hij met tien procent van zijn hele oeuvre in de belangrijkste poëziebloemlezing is vertegenwoordigd? De uitgave van Theo’s verzamelbundel Gedichten 1962-1996 beschouw ik als een van de meest perfecte publicaties waar ik als uitgever van Meulenhoff ooit bij betrokken ben geweest.

Theo Sontrop was een grootheid. Zijn geheugen voor poëziecitaten, voor literaire anekdotes, voor namen en boektitels was onmetelijk. De schaarse keren dat hij met een beroep op zijn ‘Parkenheimer’ verstek moest laten gaan bij een jaartal of een schrijversnaam, vielen in het niet bij de rijkdom en de paraatheid van alles wat hij had gelezen, meegemaakt en gehoord. Vanaf het moment in 1997 dat hij zich op Vlieland vestigde, ben ik – vanaf 2004 samen met mijn collega Herm Pol – jaarlijks een weekendje bij Theo op bezoek geweest, en telkenjare waren wij aangenaam verrast dat opnieuw minstens driekwart van de conversatie en de uitgeserveerde anekdotes geheel nieuw was. Dat dat ook te maken zou kunnen hebben met voortschrijdende vergeetachtigheid aan onze kant, laat ik nu als mogelijke verklaring even terzijde.

Over Theo Sontrop valt meer dan één boek te schrijven. Zelf heeft Sontrop de gedachte aan het schrijven van zijn memoires altijd fijntjes, maar gedecideerd afgehouden. Onno Blom maakte onlangs een eerste begin met De conversationalist. Ook in talloze biografieën (zoals die over F.B. Hotz), brievenuitgaven (zoals die van Peter Vos) en literairhistorische studies (zoals die van Annejet van der Zijl over Jagtlust) komt de dichter en vroegere uitgever van De Arbeiderspers uitgebreid voor. Er is materiaal genoeg en er zijn (nog) velen die hun herinneringen en brieven zullen willen delen. Uitgeverijen die het boek zullen willen uitgeven, zijn er genoeg. Maar wie neemt de taak op zich om die biografie te schrijven? Hier en nu, bij gelegenheid van zijn overlijden, wil ik mij beperken tot drie persoonlijke herinneringen:

In het voorjaar van 2006 lokten wij Theo vanuit de Athenaeum Boekhandel van Vlieland naar Amsterdam onder het mom van een poëzieavond. In werkelijkheid zat er bij wijze van verrassing een zaal vol schrijvers en andere literaire vrienden klaar om hem toe te drinken ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag. Maarten Biesheuvel, Rudy Kousbroek, Mensje van Keulen, Eva Gerlach, Tilly Hermans, Rinus Ferdinandusse, Laurens van Krevelen, Jan Eijkelboom, Rob Schouten en ook jongere dichters als Tsead Bruinja, Jan-Willem Anker en Thomas Möhlman. Theo had de pest in dat hij de zaak niet had doorzien, maar hij genoot van de huldiging, het aansluitende diner en het vriendenboekje, dat overeenkomstig zijn eigen gevleugelde uitdrukking als titel droeg: Ik wantrouw iedereen boven de 1,67.

Een tweede hoogtepunt was Theo in de jaren 80 van de vorige eeuw te zien opereren tijdens de jaarlijkse internationale boekenbeurs in Frankfurt. Hij verkeerde daar bij voorkeur tussen Engelsen (hij kon zelf een ‘impeccable gentleman’ zijn) en tussen Fransen (met wie hij vlekkeloos en met citaten doorspekt kon converseren). Zo, in zijn internationale element, ontdekte hij jonge en nieuwe auteurs als Patrick Modiano, José Saramago, Paul Auster, Orhan Pamuk en Georges Perec, ontdekkingen die hij in Nederland weer aanvulde met tips van de beste vertalers, zoals August Willemsen die voor De Arbeiderspers het werk van Pessoa, Drummond de Andrade en Machado de Assis ging vertalen. Tijdens die Frankfurt-week was één avond gereserveerd voor virtuoze gezelligheid en onnavolgbare tafelconversatie in kleine kring, de vrijdagavond: met zijn vriendin Els, met de Amerikaanse dichter en vertaler Raphael Rudnick, Theo en ik. Als ik van al die vrijdagavonden geluidsopnamen had gemaakt, dan zou ik daar zonder veel moeite drie delen Privé Domein uit kunnen samenstellen.

Een derde hoogtepunt wat mij betreft was het allereerste contact met Theo, toen ik mij in het voorjaar van 1980 op 22-jarige leeftijd bij hem meldde met een nette brief waarin ik om een baantje vroeg. Dat was in no time geregeld. Tot mijn vreugde – en enige verbijstering van mijn ouders – mocht ik mij als bijna afgestudeerd jurist drukproefcorrector bij uitgeverij De Arbeiderspers noemen. Daarmee zette Theo mij voor de rest van mijn leven in de richting van de literatuur en de boekenwereld. Ik ben hem er eeuwig dankbaar om.

Theo Sontrop was niet een hartelijk mens en hij hield niet van willekeurig aanpappen met deze en gene. En al was hij slechts 1,67, hij had geen talent voor small talk. Theo was selectief genereus. Hij gaf op een onnadrukkelijke manier precies aan welke rol je in zijn leven vervulde, en die rol maakte hij vervolgens enorm de moeite waard, met de volle inzet van zijn persoonlijkheid. Dankzij hem heb ik boeken gelezen, schrijvers ontdekt, vrienden gemaakt en Vlieland leren kennen. Zonder hem zou ik nooit hebben gehoord van de zeventiende-eeuwse Franse schrijver Mathurin Régnier of van de hyperpolyglot kardinaal Giuseppe Mezzofanti, om van de legendarische Vicomte de Hompiqurque nog maar te zwijgen. Zijn conversatie was in feite zijn ‘chef d’oeuvre’.

Theo Sontrop leek voor sommigen misschien een ruwe bolster, maar in werkelijkheid was hij een zeer geslepen diamant in de kroon van het eiland Vlieland. Moge hij nog lang voortschitteren in de herinnering.

MINDBOOKSATH : athenaeum