Anneke Bok over het vertalen van Het huis van de namen van Colm Tóibín

21 mei 2018
| | |

Colm Tóibíns Het huis met de namen is genomineerd voor de Europese Literatuurprijs. Anneke Bok licht haar vertaling van de roman toe.

N.B. Lees ook onze voorpublicatie uit Het huis met de namen.

De Ierse schrijver Colm Tóibín (uitspraak: Kollum Tobien) heeft in Nederland vooral bekendheid verworven met zijn romans Brooklyn en Nora, die zich deels of geheel afspelen in zijn geboorteplaats Enniscorthy. Daarin beschrijft hij het leven van heel gewone mensen en verleent dat een mythische glans door het alledaagse scherp te belichten, waardoor het tot iets heel bijzonders wordt verheven. In Brooklyn is dat het leven van een eenvoudig Iers meisje dat naar Amerika emigreert, in Nora het leven van een vrouw die pas weduwe is geworden en die zich het leven opnieuw moet zien eigen te maken.

In zijn laatst verschenen roman, Het huis van de namen, doet Tóibín het tegenovergestelde. Hij werkt de oude Griekse mythe over koning Agamemnon, zijn vrouw Klytaimnestra en hun drie kinderen - Iphigenia, Elektra en Orestes - uit tot een roman waarin hij de hoofdpersonen vermenselijkt en terugbrengt tot aardse proporties. En bijna en passant laat hij de goden verdwijnen.

In een brief over het ontstaan van deze roman zegt Tóibín: 

'Ook al wordt House of Names bezield door moord, beroering en machtsstrijd, het blijft het verhaal over een enkele familie die zichzelf kapot rijt. Aan het begin van het verhaal zijn er een vader, een moeder, twee dochters en een zoon. Wat er ook voorviel, ik had te maken met familiedynamiek, iets wat ik in al mijn boeken toch al ten tonele voer. Dezelfde emoties, dezelfde wroeging, dezelfde basale gevoelens. Alleen vonden de gebeurtenissen nu plaats in het Oude Griekenland in plaats van in de straten van Enniscorthy.'

Klassieke mythe

Voor ik inga op het vertalersgeluk (dat Tóibín in overvloed te bieden heeft), en op de vertaalproblematiek, eerst een korte inleiding voor degenen die Het huis van de namen nog niet gelezen hebben. Zonder spoilers, want de schrijver volgt in grote lijnen de klassieke mythe.

Tóibín beschrijft vanuit verschillende perspectieven het drama van wat we tegenwoordig als een uiterst dysfunctioneel gezin zouden betitelen. Heel kort samengevat: Agamemnon trekt ten strijde, maar kan met zijn vloot Troje niet bereiken omdat de godin Artemis voor tegenwind zorgt. Onder het voorwendsel dat hij voor zijn dochter een huwelijk met Achilles heeft gearrangeerd, laat hij zijn vrouw en Iphigenia overkomen naar het legerkamp, waarna hij zijn dochter laat offeren aan de goden. En met succes, want de wind keert.

Jaren later, wanneer haar man terugkeert na de strijd, neemt Klytaimnestra, die inmiddels een minnaar heeft, wraak door haar man de keel door te snijden wanneer hij een bad neemt. Die daad wordt weer gewroken door Orestes, daartoe aangezet door zijn zus Elektra. Hij vermoordt zijn moeder. Kortom, een verhaal dat is doortrokken van haat, wraak, de zucht naar macht, moord, intrige, maar godzijdank ook van liefde. De liefde tussen Orestes en zijn vriend Leander, die opbloeit wanneer zij na de moord op Agamemnon op last van zijn moeder met een groepje jongens worden ontvoerd en gevangengehouden.

Tóibín schrijft in een brief over het personage van Orestes:

'In geen enkele Griekse tekst was veel te vinden over Orestes, de broer van Elektra, die zijn moeder vermoordt. Hij is een participant, een instrument, maar hij komt nauwelijks aan het woord. Hij is weggeweest, hij komt terug, hij handelt. Dat is eigenlijk alles. Hij blijft een mysterie. Dat liet veel ruimte over voor mijn verbeelding. Geleidelijk werd mijn interesse gewekt om deze wrede, meedogenloze familie met nieuwe ogen te bezien. Ik zag motieven. Ik zag liefde en haat en jaloezie. Ik vond een stem voor Klytaimnestra en maakte Elektra bedeesder, angstiger en bijna gevaarlijker dan ze in enig andere versie van het verhaal was geweest. Ik was vrij om een verhaal voor Orestes te verzinnen. Ik gaf hem een geheugen, een geweten, een manier om dingen op te merken en om te voelen. Ik maakte twee leeftijdsversies van hem, als jongetje en later als jongeman.'

Vertaalproblematiek

Tot zover de handeling en de thema's van deze prachtige, rijke roman. Maar wat doet een vertaler nu eigenlijk behalve interessant en peinzend voor zich uit zitten kijken achter een laptop, een beetje zoals Connie Palmen ooit in een reclamespotje te zien was? Toen een kapper ooit aan me vroeg wat ik deed en ik dat zo goed mogelijk had uitgelegd, zei hij teleurgesteld: dus u krijgt ervoor betaald om een boek over te tikken? Nou, zo zou ik het toch niet willen omschrijven.

Een vertaler gaat te werk volgens bepaalde principes, die leiden tot wat in het contract wordt samengevat als 'het leveren van een getrouwe vertaling'. Getrouw aan inhoud en stijl. De vertaler heeft duidelijk een dienende taak en volgt de schrijver. Dat klinkt makkelijker dan het is, want het is een proces dat bestaat uit doorlopend keuzes maken en puzzels oplossen.

Een van de belangrijkste vuistregels van het vertalen is: vertalen wat er staat, naar de gelijkluidende boektitel van de vertaler Arthur Langeveld. En als dat om de een of andere reden echt niet gaat, kun je compenseren. En een andere vuistregel is dat je de stijlkenmerken recht doet of op een andere plek compenseert. Stijlkenmerken zijn bijvoorbeeld beginrijm, middenrijm en eindrijm, registerkeus, humor, ironie, zinslengte, dat soort zaken.

Inhoudelijk is het bij de romans van Tóibín niet zo moeilijk om te vertalen wat er staat. Hij schrijft glashelder en er gaapt geen enorme kloof tussen de brontaal, het Engels, en de doeltaal, het Nederlands. Maar omdat de plaats van handeling dit keer Griekenland is, was het toch even puzzelen wat ik met de term 'elders' aan moest. En met de oudste vertegenwoordigers van voorname Griekse families, want met 'bejaarden', 'ouderen' of 'senioren' sla je de plank mis - die woorden passen beter in een boek van Hendrik Groen - maar 'oudsten' bleek wel een bruikbaar en gangbaar begrip. Dat is wat we registerkeus noemen.

Vertalersgeluk

Tóibín hanteert een stijl die vrij tijdloos en sober is en hij gebruikt weinig moeilijke woorden of ingewikkelde zinsconstructies. Juist daardoor bereikt hij een enorme zeggingskracht. Omdat het Nederlands vaak iets breedsprakiger is en gemiddeld 10% meer woorden nodig heeft, is het de kunst de vertaling zo sec mogelijk te houden en toch het beeldende element goed over te brengen. Een voorbeeld.

Het boek begint met een beklemmende mededeling: 'I have been acquainted with the smell of death.' Kort, maar krachtig. Alleen al daarvan zijn vele vertaalvarianten te bedenken, maar ik ben uitgekomen op: Ik ben vertrouwd met de geur van de dood. Ik heb nog geaarzeld over: vertrouwd geraakt met, maar ik wilde het zo kort en bondig mogelijk houden. De tweede zin luidt: 'The sickly, sugary smell that wafted in the wind towards the rooms in this palace.' Wat daaraan opvalt is de alliteratie. De s-alliteratie van 'sickly, sugary smell' en de w-alliteratie van 'wafted in the wind' plus nog de w van 'towards'. In het Nederlands wilde het met de s niet lukken, maar wel met w's en voor het tweede geval de v: De walgelijke, weeïge geur die door de wind werd aangevoerd naar de vertrekken van dit paleis. Iets minder mooie alliteratie dan in het Engels, maar gelukkig is daar zin drie, waarin ik kon compenseren. 'It is easy now for me to feel peaceful and content.' Het valt me nu gemakkelijk om me vredig en voldaan te voelen. Vier v's ter compensatie van de vorige zin. Kijk, dat is vertalersgeluk.

En vertalersgeluk komt in vele vormen: ineens weten hoe een woordspeling of een grap vertaald moet worden, na hardop lezen constateren dat het is gelukt het ritme van een passage te handhaven, een lovende recensie, goed contact met de schrijver, brainstormen met een collega over iets wat schijnbaar onoplosbaar leek, af en toe een duovertaling om jezelf en de ander scherp te houden, en uiteraard contact met de lezer.

Ik hoop dat ik u nieuwsgierig heb gemaakt naar Het huis van de namen en dat u het koopt en gaat lezen, want naast vertalersgeluk bestaat er natuurlijk lezersgeluk, en dat biedt Tóibín u in overvloed met zijn roman.

Anneke Bok vertaalde onder meer boeken van Keri Hulme, Janet Frame, Colm Tóibín, Ron Rash [lees haar toelichting bij de vertaling van Serena], John McGahern, Jonathan Franzen, Rose Tremain, Lisa Thompson en Richard House. In 2010 lichtte ze ook haar vertaling, met Nan Lenders, van Aifric Campbells De schade-expert toe.

Delen op

€ 11,50
MINDBOOKSATH : athenaeum