Docenteninterview: Jonathan Gill (American Studies)

03 september 2018
| | |

In onze onregelmatige serie docenteninterviews deze keer: Jonathan Gill, docent American Studies bij het Amsterdam University College. We spraken hem over de marges in zijn vakgebied, de rock-'n-roll van de negentiende eeuw, Blackface Minstrelsy, hate literature, studeren in de Verenigde Staten en Europa, zijn academische helden en wie de perfecte inleiding zouden verzorgen op American Studies: Albert Murray en Ralph Ellison.

Wat boeit u binnen American Studies?

Dat is wel veranderd. Amerikanist zijn buiten Amerika is anders. Je krijgt andere ideeën over race of armoede; in Europa denkt men anders over identiteit. Ja, het is heel interessant om als expat American Studies te beoefenen, want het is misschien wel het enige academische vakgebied waarin exceptionalisme een rol speelt, zo denken veel Amerikaanse academici althans. Want er was blijkbaar nooit zo'n land als Amerika, de zon schijnt er altijd, we hebben de beste democratie. En je lijkt erin bevestigd te worden, de intellectuele trends komen in golven uit de Verenigde Staten. Nu is dat precarity, met een term van Judith Butler, de vorige golf ging over intersectionaliteit.

American Studies is ook een rijk onderzoeksgebied, een mijn met edele metalen, die nog steeds groeit, waarin je kan pionieren. Het zijn geen Shakespeare-studies, waarin een gemeenschap van academici al de regels heeft vastgesteld, waar je met de grote jongens moet spelen. Ik wil graag mijn eigen ding doen, en in Amsterdam ben ik vrij, a big fish in a little pond. Plus: de grenzen van American Studies zijn diffuus, er zijn zoveel talen, microculturen - ik leer nog altijd heel veel. En dan ben ik in mijn onderzoek minder geïnteresseerd in de grote namen, in Roth, Twain, Wharton.

Nee dan, wat er in de marges gebeurd van American Studies, en dus in de marges van Amerika: ethnic studies, race studies, vernacular music, religious studies. Domeinen waar ongelijkheid en intolerantie alles scherper maken.

Wat houdt u nu bezig?

negentiende-eeuwse populaire muziek! Dat is een heel moeilijk veld maar er is zoveel nog aan te ontdekken. Hiphop is de rock-'n-roll van deze tijd, en de Blackface Minstrelsy was de rock-'n-roll van de negentiende eeuw. Het was meer dan witte mensen die zwart doen voor een wit publiek, generaties zwarte mensen traden in blackface op voor een zwart publiek. Volgens mij hebben veel Amerikanen een bipolar racial syndrom, of misschien is dat een East Coast-idee? Blackface Minstrelsy ging niet alleen over ras, maar is een soort sleutel voor Amerikaanse cultuur, voor immigratie, de verhouding tussen stad en platteland.

Ik heb me ook vrij intensief verdiept in de vroegste Europese bewoning van Noord-Amerika. Daar loop je tegen de vraag aan: hoe weten we wat we weten over de native Americans? De meeste bronnen waren Europese dominees. Dat geldt ook voor de Blackface Minstrelsy: hoe kunnen we onze bronnen vertrouwen? Wat is de positie van de persoon die dit opschrijft? Gelukkig hebben we hiervoor manuals, draaiboeken voor fraternities van universiteiten, waarin uitgelegd staat hoe je het aanpakt bij een minstrel show op de universiteit. Is dat geen echte Blackface Minstrelsy? Maar dan: wat is 'het echte' in een land waarin alles te koop is, waarin alles is te lenen of stelen?

Ik geef ook colleges hate literature. Taal in de meest extreme variant interesseert me. Wat zijn de wortels van racisme, van mysogonie, van homofobie? Erover praten dwingt je ook dagelijks het n-word te gebruiken, of een heel nare, islamofobe tekst van Voltaire te lezen. Die taal op het randje, wat zegt die over het midden? Dat is zeker interessant omdat die taal nu in het Witte Huis gebezigd wordt.

En ik schrijf. Ik zit in de eindfase van mijn boek over spionage in Hollywood tijdens de Koude Oorlog, voor Norton. En daarna? Ik heb twee projecten op het oog. Biografieën. Ik speel al jaren klassieke gitaar. En er is geen biografie van Andrés Segovia, de Beste gitarist ooit - en dat zegt een echte Jimi Hendrix-freak! En ook over de filmmaker Barbara Rubin zou ik heel graag schrijven.

Terug naar uw onderwijswerk. U interesseert zich voor de marge, maar toch geeft u een vak als 'Big books, world literature'?

Dat heeft een geschiedenis. Toen ik studeerde in de Verenigde Staten was er een verplichte literatuurcursus: Great Books. Dat vak geven we nu op het Amsterdam University College ook, met de Griekse tragedies, Vergilius, Shakespeare, Sartre, Coetzee. Maar het is wel een beetje raar, realiseerde ik me: alleen de Westerse klassiekers, en vooruit, de Koran - maar waar is het Oosten en het Zuiden? Dus dit college is een soort parallelcollege.

Dat levert nieuwe problemen op. Je kunt van piek naar piek klimmen, van literair hoogtepunt naar literair hoogtepunt, maar neem je dan het beste van China, Japan, India, West-Afrika - of liever representatieve teksten? En neem je Afrikaanse epische liederen op? Welke edities en vertalingen? De eerste betrouwbare editie van 1001 nachten is van de jaren veertig, hoe authentiek is dat nog? De meeste goede vertalingen van Rumi zijn saai, terwijl studenten verliefd worden op de te poëtische vertaling van Coleman Barks.

Wat ik leuk vind, is een letterlijke vertaling naast het origineel leggen, en dan samen met de studenten vertalen. Maar de studenten vinden het niet zo leuk, en ik vermoed dat hun verwachtingen - een docent en een college die een beetje grappig zijn, een beetje interessant, dat is goed genoeg - anders dan de mijne zijn. Een beetje is niet goed genoeg voor mij. Ik denk dat hun verwachtingen heel Europees zijn: studenten en docenten zijn hier meer conformist, ze willen de regels leren, de belangrijkste teksten leren kennen. Het zijn geen fearless denkers. Een van mijn grote doelen, zeker in dit college, dat mijn studenten en ikzelf comfortabeler worden met oncomfortabel worden. We moeten in dat 'ik weet het niet'-gebied kunnen wonen, dat moet ons uitgangspunt zijn - daar leer je wat. We moeten niet op alles een antwoord weten. En als je dan 'ik weet het niet' zegt, blijf ik zeuren tot je er meer over kan zeggen. Ik vind het geweldig om daarin te verdwalen - en ik krijg veel energie en enthousiasme terug van mijn studenten.

Welke auteurs kan u ons aanraden?

Wie zijn de scholars die ik interessant vind? Ik waardeer de Boyarin brothers erg, een daarvan, Daniel schrijft zo goed over Paulus uit het Nieuwe Testament. Hij is een Jewish Studies-man, die een brug kan bouwen. Ook in Jewish Studies: Arthur Green. In Afro-American studies: Brent Edwards, over zwarte muziek. Ik mis een goede, brede, intellectuele geschiedenis van hiphopmuziek. Robin D.G. Kelly schrijft al wel over hiphop, maar een handboek zou een belangrijke nieuwe stap zijn. Heel veel studenten willen over hiphop schrijven, maar daarvoor moet je ook naar de muziek en de achtergronden kijken, niet alleen naar de lyrics. O, en Margo Jefferson, een hoogleraar van mij. Haar memoir Negroland is heel mooi. Ann Douglas, nog een held van mij, komt hopelijk binnenkort met een groot boek, Noir Nation: Cold War U.S. Culture 1945-1960.

Ik ben groot fan van Daniel Mendelsohn, niet alleen van zijn persoonlijke werk, zoals Een Odyssee [fragment], maar ook van zijn werk over Grieks drama. Sander Gilman bestudeert psychonalyse, en ik weet: dat is niet cool meer, maar ik vind het nog steeds intereressant. In Freuds werk vind je goede voorbeelden van misogynie. En ik ben geïnteresseerd in experimentele muziek in de jaren zestig, en dan is Liz Kotz een belangrijke: wat zij over bijvoorbeeld Yoko Ono schrijft...

Maar mijn grootste held is Edward Said. Orientalism blijft, als voorbeeld voor onze schrijvers, een schatkist van ideeën over het Midden-Oosten en Europa, over islamofobie. Echt een aanrader, nog steeds. Zijn autobiografie is ook goed.

En tot slot, welke boeken zou u nieuwe studenten aanraden als opstapje naar uw onderzoeksgebied?

Moeilijke vraag. De allesomvattende handboeken? Greil Marcus of Sean Wilentz over Bob Dylan? De laatste Walt Whitman-biografie? De nieuwste editie van Emily Dickinson?

Misschien het beste: de werken van Albert Murray, die zijn heel leuk voor een beginner in American Studies, en van zijn beste vriend Ralph Ellison, over verschillende groeperingen in Amerika. Ellisons interviews zijn heel goed voor beginners. Tja, Afro-Amerikanen uit jaren zeventig, tegen alle Black Power Essentialisme in, is dat niet heel ouderwets? Nee, het is weer relevant geworden door de werken van bijvoorbeeld Ta-Nehisi Coates. (Ik denk heel dubbel over Coates, vanuit Europa gezien, maar hij is zeker nu niet te missen, ook als ik helemaal niet met hem eens ben - zoals John Stuart Mill zegt: je kan niet beter doen bij mensen dan hen naast hun ideologische tegenovergestelde te plaatsen.

Race studies zijn moeilijk te doen in Amsterdam, want je krijgt vooral witte mensen in de klas, tenminste by AUC en de UvA. In een gemengde groep mensen in de Verenigde Staten, bij de Ivy League en ook bij openbare universiteiten, is het makkelijker om die discussie te voeren. Maar dat is een goede leerschool voor mij, om over dit onderwerp te praten in een groep waar de minderheid niet gerepresenteerd is. Hier en in Amerika ben ik altijd de enige Jood in het college, en dan heb ik het over de Koran, terwijl er geen moslims erbij zijn, en over de Nieuwe Testament, terwijl er geen christenen aanwezig zijn. Ja, de marge en het centrum, dat bepaalt mijn opvatting over American Studies, maar misschien moet ik zeggen: de marge in het centrum!

MINDBOOKSATH : athenaeum