Subtiele taalverschillen en beknopte poëtische elegantie: Jos Vos over het vertalen van Het hoofdkussenboek

15 maart 2018
| | | |

Jos Vos vertaalde de Japanse klassieker Het hoofdkussenboek. Hij schreef voor ons over vertaalfouten, de Japanse taal en zijn (expliciete) vertaling van de poëtische aanvang van Het hoofdkussenboek.

Subtiele verschillen

Wanneer de heer Tanaka met vrienden een café binnenvalt en uitroept dat hij wel een pilsje lust, zou een marsmannetje (dat de Japanse taal nog niet lang machtig is) kunnen denken dat hij beweert dat hij ‘Bier’ heet. Dat is iets waar de Japanners zelf weleens grapjes over maken. Een werkwoord heeft de heer Tanaka niet nodig; de kans is reëel dat hij zegt:

Boku wa biiru.

Wat je (slecht!) zou kunnen vertalen als: ‘Ik ben Bier’, of (veel correcter) als: ‘Doe mij maar een biertje’.
Boku betekent ‘ik’ of ‘mij’, biiru (een leenwoord uit het Nederlands!) betekent ‘bier’, en wa is een zogeheten topic marker, die aangeeft waar de zin om draait. Een meer letterlijke vertaling van het Japanse zinnetje luidt dan ook: ‘Wat mij betreft, een biertje.’

Expliciete vertaling

Daar moest ik aan denken toen ik het openingszinnetje van Sei Shonagons elfde-eeuwse Hoofdkussenboek vertaalde, want dat volgt precies hetzelfde patroon:

Haru wa akebono.

Haru betekent ‘voorjaar’ (een seizoen dat meestal begint in februari, zoals het Chinese Nieuwjaar van tegenwoordig), akebono betekent ‘ochtend’, en wa is ook hier de topic marker, die aangeeft waarover we het hebben.

Mijn eerste vertaling van dit zinnetje verscheen in 2008 (als onderdeel van Eeuwige reizigers. Een bloemlezing van de klassieke Japanse literatuur) en zag er zo uit:

‘In de lente, het ochtendgloren.’

In het gebruik van een dergelijke beknopte stijl waren nogal wat buitenlandse vertalers mij voorgegaan. Zo heb je bijvoorbeeld Lydia Origlia (1968):

‘L’Aurora a primavera:’

Nelly en Wolfram Naumann (1973):

‘Im Frühling die Morgendämmerung.’

En Helen Craig McCullough (1990):

‘In spring, the dawn.’

Toen ik in 2015 begon te werken aan de eerste volledige Nederlandse vertaling van Het hoofdkussenboek, overwoog ik het over dezelfde boeg te gooien, maar mijn Japanse vrouw zei: ‘Dat stáát er toch niet. Als de brontaal zekere gegevens verzwijgt, hoef jij toch niet hetzelfde te doen!’ Ik gaf haar gelijk, en mijn nieuwste vertaling is explicieter; die luidt:

‘In het voorjaar gaat er niets boven het ochtendgloren.’

Daarmee sluit ik me aan bij Pinto Román, Oswaldo Gavidia Cannon en Hiroko Izumi Shimono (2002):

‘En primavera, la alborado es lo más hermoso.’

Bij Michel Revon (1923):

‘Ce qui me charme, au printemps, c’est l’aurore.’

En, niet te vergeten, bij Gerhart Haug (1948):

‘Was mich im Frühling besonders entzückt, ist das Morgenrot.’

Aanvang van een poëtische beschrijving

Nu moet ik hieraan toevoegen dat het korte openingszinnetje niet op zichzelf staat. (Daarom gebruikte Lydia Ortiglia ook een dubbelepunt.) Het is de aanvang van een poëtische beschrijving die veel Japanners (misschien zelfs de meesten) uit het hoofd kennen, en die in de originele taal als volgt klinkt:

Haru wa akebono. Yoyo shiroku nariyuku yamagiwa, sukoshi akarite, murasakidachitaru kumo no hosoku tanabikitaru.

Mijn recente Nederlandse vertaling luidt:

‘In het voorjaar gaat er niets boven het ochtendgloren. Geleidelijk wordt het lichter, de bergkammen krijgen een zachtrode glans, purperen wolkenslierten glijden aan de hemel voorbij.’

De passage gaat dan verder als volgt:

‘’s Zomers spannen de nachten de kroon. Over maneschijn hoef ik het niet eens te hebben, en op donkere nachten schieten er volop glimwormen heen en weer. Als er maar een of twee opvliegen, zachtjes glanzend, is dat óók heerlijk. Zelfs regenbuien hebben hun charme.
In de herfst de avonden. Wanneer de stralende zon is weggezonken tot aan de bergkam, is het zelfs aandoenlijk om kraaien naar hun nest te zien vliegen in groepjes van drie of vier... en dan weer twee of drie... Nog prettiger is een vlucht wilde ganzen, als stipjes zo klein. En het ruisen van de wind, of het zingen van de insecten als de zon onder is – daar zijn geen woorden voor!
In de winter de vroege morgen. Als het sneeuwt is dat te heerlijk voor woorden, en ook als er stralend witte rijp ligt, maar zelfs op bitterkoude dagen wanneer dat niet het geval is, haasten de paleisbedienden zich om vuren aan te steken en lopen ze heen en weer met houtskool: een aanblik die het seizoen wonderwel past. Tegen de middag, als de kou begint af te nemen, blijft er in de stoven alleen nog witte as over, wat er bepaald niet aangenaam uitziet.’

Beknopte elegantie

Het hoofdkussenboek gaat in de eerste plaats over alles waar Sei Shonagon (een hooggeplaatste hofdame) zielsveel van houdt. Voor zover we weten (de oudste overgeleverde manuscripten dateren van lang na haar dood) heeft zij zelf besloten haar werk te openen met een beknopt overzicht van de seizoenen. Haar openingsstukje geldt als een typisch voorbeeld van miyabi, elfde-eeuwse hoofse elegantie. Nu is Het hoofdkussenboek beslist geen overrijp werk. Sei Shonagon klinkt doorgaans directer dan haar geniale tijdgenote, Murasaki Shikibu. Zij is een levendige vertelster en een onverbeterlijke roddelaarster. Je mag haar beschouwen als een van de grootste komische autobiografen in de wereldliteratuur. Maar de opening van haar Hoofdkussenboek is zo geliefd dat je hem ook als vertaler wilt laten zingen. Ik kan alleen maar hopen dat ik daarin ben geslaagd.

 

Noot: De buitenlandse openingszinnen zijn overgenomen uit Worlding Sei Shonagon: the Pillow Book in Translation van Valerie Henitiuk (University of Ottawa Press, 2012).

Jos Vos (1960) vertaalde onder meer Basho, Junichiro Tanizaki en Het verhaal van Genji van Murasaki Shikibu - dat hij voor ons toelichtte.

Delen op

€ 16,99
MINDBOOKSATH : athenaeum