Annemieke Gerrist en Wim Brands V: 'Vaak zeg ik zinnen op die uit gedichten komen'

28 november 2015

Deel V van de briefwisseling tussen Annemieke Gerrist (1980) en Wim Brands (1959), over het vermogen van poëzie om je je thuis te laten voelen.

Dag Wim,

vaak zeg ik zinnen op die uit gedichten komen.

Er zijn bijvoorbeeld mensen die ik te weinig zie. Dan denk ik aan Hanlo: 'Als ik je maar weer even gezien heb, dan ben ik voorlopig tevreden. Als ik maar even weet dat het anders is, dan ik me voorstel.' Vooral die tweede zin bevrijdt me van, ja, alles eigenlijk.

Wanneer ik onder sociale dwang vakantiefoto's bekijk, komen er zinnen van Faverey naar boven: 'Niemand herkent zich op deze foto. Wat heet plotseling in een spiegel. Spiegels herkennen nooit iemand. Wat heet plotseling op een foto.'

Hiermee houd ik het vol.

Bij elke kat die ik aai denk ik aan een gedicht van W.C. Williams die beschrijft hoe een kat met een pootje in een lege bloempot stapt en dat daardoor de poot verdwijnt. Daarvan krijg ik een kleine schok in mijn rechterbeen.

'Ik houd van kerken, parken, musea en zeeën, omdat niemand erin thuis is,' is een zin die ik zelf heb geschreven, en me tijdens het voorlezen op een podium nog vaak hevig emotioneert. Als je me hebt horen voorlezen, weet je dat dit niet mijn gewoonte is. Als ik door een kerk, park, museum loop, of in zee zwem, zeg ik deze zin hardop. Dan voel ik me thuis.

 

Dag Annemieke,

Ik herinner me dat je gedichten van Faverey uit het hoofd kende toen ik je lesgaf op de Rietveld. Ik was daarvan onder de indruk, niet in de laatste plaats omdat ik sinds jaar en dag een groot bewonderaar ben van de poëzie van Faverey. Regelmatig lees ik gedichten van hem hardop, merkwaardige sensatie, telkens: tijdens het lezen sta ik naast hem op een bergtop, als de laatste punt is gezet ben ik weer in het dal, en kijk omhoog waar ik nu alleen maar mist zie.

Poëzie deelt zich mee voordat je het begrijpt, zei een kenner ooit. Wie van de poëzie van Faverey houdt snapt direct wat hiermee wordt bedoeld, voorzover er iets valt te snappen.

Ik ken intussen veel gedichten uit het hoofd, uitsluitend voor eigen gebruik. Zo prevel ik vaak het mooiste gedicht van een Nederlandse dichter dat ik ken. Het is een gedicht dat als een paling wegglibbert. Van een dichter die trouwens een voortreffelijk beeldenmaker was. Zo schreef hij over een reiger die een vis vangt dat het dier de waarheid wit aan het licht brengt.

Zijn korte gedicht citeer ik als ik langs de zee wandel en naar de duinen kijk. Wandelend in de duinen heeft het citeren geen zin. Je moet de duinen zien - op enige afstand - om te zien hoe briljant het gedicht is. Met mensen die het een gedicht van niks vinden, communiceer ik niet, zoals ik gisteravond op een literair festival maar ben weggelopen toen een dichter zei dat hij Bach maar wiskundig gedoe vond.

Mijn gedicht is geschreven door Chris van Geel.
Het luidt:
Eenvoudig, de duinen, eenvoudig.

MINDBOOKSATH : athenaeum