Het eerste beeld in Stefan Hertmans Oorlog en Terpentijn, vertaald door Ira Wilhelm

02 januari 2015

Ira Wilhelm vertaalde Stefan Hertmans Oorlog en Terpentijn als Der Himmel meines Großvaters. Wij vroegen haar haar vertaling toe te lichten.

Een geslaagde vertaling is meer dan het overbrengen van inhoud: klinkende volzinnen laten de dopamine in je hersenen kolken, schitterende beelden zijn voedsel voor het innerlijke oog. Vooral daarmee verwent Hertmans zijn lezers. Helaas wordt het vertalen te vaak gereduceerd tot het creëren van een semantische equivalentie. Natuurlijk ben je blij als je een goede vertaling hebt gevonden voor een woord waarover je lang hebt zitten peinzen, maar als je daarover moet schrijven of praten lijkt vertalen vaak een soort quiz te zijn.

Vertalen is nabootsen, niet alleen nadenken. Taal is gevoel – de tekst is een textuur die de lezer ook met zijn vingers moet kunnen voelen, om het hyfologische plezier aan de tekst (Barthes) te ontdekken. Maar zoals de auteur bij deze theorie als subject verdwijnt, verdwijnt de vertaler als vinder van woorden. Het resultaat doelt niet puur op een semantische overeenkomst met de brontekst maar op een sentimentele, ook al is deze speculatief.

Bij dit soort emfatisch vertalen ontstaat de overeenkomst van origineel en vertaling dus niet alleen door de equivalentie van woorden. Maar doordat gevoel te ongrijpbaar, subjectief en transient is, pleit ik voor een omweg via de beelden waarin de sentimenten ‘huizen’. Claude Lévi-Strauss doet een beroep op Diderots Lettres sur les aveugles om te definiëren dat schilderen geen nabootsen is, maar vertalen. Geldt omgekeerd dan niet ook dat vertalen geen nabootsen is maar een manier van schilderen? Schilderen bij het vertalen gebeurt bijvoorbeeld door minieme accenten te zetten, een irritatie te vermijden die een getrouwe vertaling zou opleveren, weglaten of toevoegen van een woord of door het openbreken van de zinsconstructie van het origineel. Wie zo vertaalt, is trouw aan de poëtische ‘waarheid’ van een beeld, minder aan de letter.

Mijn eigen grootvader

Om te illustreren op welke wijze gevoel met behulp van beelden kan worden opgeroepen, is de openingsscène van Hertmans’ Oorlog en terpentijn heel geschikt. Jeugdtaferelen. Een zomers strand in het jaar 1957. Grootouders, moeder en kind zoeken mensen en spullen bijeen om huiswaarts te keren. De allereerste zin van de roman luidt:

De verste herinnering die ik aan mijn grootvader heb, is die aan het strand van Oostende – en man van zesenzestig, keurig in het nachtblauwe pak […].
Die früheste Erinnerung an meinen Großvater führt mich an den Strand von Ostende – ein sechsundsechzigjähriger Mann im dunkelblauen Anzug […].

Mijn eigen grootvader ken ik ook alleen in pak. Mijn vader heeft mij onlangs een lang verloren gewaand en hervonden fotoalbum laten zien. Op een foto is mijn grootvader in uniform tijdens de partijdag in Nürnberg te zien. Weinig heldhaftig, hij ligt in het gras te slapen. Ja, hij is een nazi geweest, vertelde mijn vader, maar hij is ook snel weer uit de partij gestapt. En hij heeft mensen geholpen, zegt mijn moeder. Dat mijn grootvader tijdelijk een ander pak gedragen heeft, is dat voldoende om het vermoeden te uiten dat ik in de vertaling een smalend woord over de Duitsers – in de hectiek van een krappe deadline – heb weggelaten om een beter beeld van hen te schetsen? Waarom zou ik? Ik ben maar voor de helft Duits, de rest is creools: beslist geen reden om het voor het verleden van de Duitsers op te nemen.

Het lijkt gemakkelijk te zijn om je het licht van het strand voor te stellen, maar ik ben als kind nooit op het strand van Oostende geweest. Zuid-Frankrijk, de Adriatische Zee, Curaçao, ja, maar geen strand verder naar het noorden. Dus zocht ik steun bij Jacques Tati’s Les vacances de Monsieur Hulot, noodgedwongen in zwart-wit. Ik heb trouwens het hele boek van Hertmans in zwart-wit vertaald, op de schilderijen na.

Vier witte kuiten

Zwart-wit is ook mijn favoriete beeld in de openingsscène.

‘Kom, Gabrielle,’ zegt hij, en zij staan op, nemen hun schoenen in de hand, beginnen een beetje moeizaam aan de klim naar de promenade, hij met zijn broek nog een vijftiental centimeters opgestroopt, zij met haar zwarte kousen in haar schoenen gepropt, zodat ik de vier witte kuiten onder de donkere torso’s traag en gelijkmatig zie bewegen boven het zand.

De vier witte kuiten tegen een donkere achtergrond: een schitterende verbeelding van Hertmans. Ik nam de vrijheid om daar met een punt, een pauze, extra nadruk op te leggen. Mijn vertaalkeuzes zijn vaak ondergeschikt aan het beeld en ze zijn niet altijd rationeel te verklaren.

‘Komm, Gabrielle’, sagt er, und sie erheben sich, nehmen die Schuhe in die Hand und machen sich an den etwas mühsamen Aufstieg zur Promenade hinauf. Noch sind seine Hosenbeine bis zu einer Höhe von ungefähr fünfzehn Zentimetern aufgerollt, und ihre schwarzen Strümpfe stecken in den Schuhen, weshalb ich vier weiße Waden sehe, die sich unter den dunklen Torsi gleichmäßig und träge über dem Sand bewegen.

Het is als een slotbeeld van een oude stomme film. Je hoort het geknetter van de projector, het laatste stukje film slaat doelloos tikkend tegen het apparaat – als de klok van de verloren tijd. Bij Hertmans is dit niet het eind van een voorstelling, maar het begin van een prachtige roman.

Ira Wilhelm woont en werkt in Berlijn, publiceert over vertalen, Multatuli en de Verlichting. Zij vertaalde onder meer werk van Wessel te Gussinklo, Erwin Mortier, Hafid Bouazza en Anneke Brassinga.

MINDBOOKSATH : athenaeum