De eerste zin van Claudio Magris’ Gekromde tijd in Krems, vertaald door Linda Pennings

14 december 2020
| | | |

Linda Pennings vertaalde Claudio Magris’ verhalenbundel Tempo curvo a Krems als Gekromde tijd in Krems. Wij vroegen haar haar vertaling toe te lichten. Over het vertalen van eerste zinnen, collega Anton Haakman (1933-2020), de dag- en nachtschrijver Claudio Magris – en een eindzin.

N.B. Lees ook een fragment uit de verhalenbundel. Eerder besprak Karlijn de Winter Magris' U begrijpt dus op Athenaeum.nl.

Beginnen en eindigen

‘Heb je de eerste zin al vertaald?’ informeerde een bevriend vertaalster belangstellend naar mijn vorderingen met Gekromde tijd in Krems van Claudio Magris. Een vraag die, zoals elke vertaler weet, veel meer betekent dan ‘Ben je al begonnen?’

‘De eerste zin’ brengt me terug bij mijn allereerste vertaling, Calvino’s Zes memo’s voor het volgende millennium, of liever gezegd, bij een in die bundel ontbrekende tekst getiteld ‘Beginnen en eindigen’. Een tekst waarmee Calvino aanvankelijk zijn lezingenreeks aan de Harvard University wilde beginnen, maar die hij vervolgens zou herschrijven om ermee te eindigen. Door zijn plotselinge overlijden bleef het zesde memo echter onuitgeschreven. Maar in die verworpen eerste lezing omschrijft hij een beginzin als het moment waarop de schrijver zich losmaakt van een oneindigheid aan mogelijkheden, met de taal een grens trekt tussen al het potentieel vertelbare en één specifiek verhaal.

Voor de vertaler is dat anders: de gekozen wereld, de gekozen stijl bestaan al en de vertaler hoeft slechts in de voetsporen van de schrijver te treden. Slechts… Met de eerste zin moet begonnen maar ook geëindigd worden, want vertalen is geen lineair proces. In een literaire tekst is alles met elkaar verbonden en bepaalt de toon hier ook een toon daar, de ene vertaalkeuze ook een andere vertaalkeuze. Het is een van de redenen waarom vertaalkeuzes nooit buiten de context van het grotere geheel beoordeeld kunnen worden, zoals in recensies nogal eens gebeurt.

Een omschreven vraagteken

Magris vertalen begon voor mij, toen nog zijdelings, met een vraag over een eerste zin. Anton Haakman, die eerder van de Triëstse schrijver Donau, Een andere zee en Veronderstellingen aangaande een sabel had vertaald, belde me met de vraag of hij me de eerste zin van Microcosmi mocht voorleggen. Ik herinner het me met dankbaarheid en nostalgie: Anton overleed op 11 november jongstleden op 87-jarige leeftijd. ‘Le maschere stanno in alto, sopra il bancone…’ Of ik in Magris’ stamcafé San Marco was geweest en wist of die maskers staan, zitten, liggen of hangen; in het Italiaanse stanno blijft dat ongespecificeerd. Het werd ‘De maskers bevinden zich hoog boven de bar…’ en wie Triëst aandoet moet ze daar zeker eens gaan bekijken, omdat zij menig boek van Magris hebben zien ontstaan.

Van redacteur bij Microcosmi werd ik medevertaler van Blindelings. Over eerste zinnen gesproken! Een roman die begint met een niet gedrukt maar omschreven vraagteken, waaruit het hele verhaal van de mysterieuze verteller voortvloeit:

‘Beste Cogoi, eerlijk gezegd weet ik niet zeker, al heb ik het zelf geschreven, of geen ander iemands leven beter kan beschrijven dan hijzelf. Goed, die zin eindigt dan ook met een vraagteken; of zelfs, als ik het me goed herinner – er zijn vele jaren verstreken, een eeuw, de wereld was hier nog jong, als een dauwnatte groene dageraad, maar toch ook al een gevangenis – heb ik allereerst dat vraagteken opgeschreven, dat alles met zich meesleept.’

Dat een argeloze lezer het boek na deze twee zinnen dichtslaat is niet onwaarschijnlijk, en dat ook doorgewinterde lezers in het duistere en soms ondoordringbare woud van deze roman op hun schreden naar het licht zijn teruggekeerd, is me ook van diverse kanten bevestigd. In een tijd waarin vertalingen veelal worden geprezen om hun soepelheid, zullen sommige lezers hun vraagtekens bij de vertaling hebben geplaatst. Maar een vertaler is geen uitlegger – zo behoren ‘verduidelijken’ en ‘versimpelen’ volgens vertaalkundige Antoine Berman tot de grootste valkuilen voor de literair vertaler – en de ‘moeilijkheid’ is bij Magris alleszins functioneel. Het leven is in vele opzichten onbegrijpelijk, zegt hij, en als schrijver pretendeert hij niet de lezer te kunnen uitleggen hoe het in elkaar zit. Hij kan deze alleen uitnodigen om dezelfde weg te volgen als die hij heeft afgelegd.

Lange meanderende zinnen

Hoe anders is de eerste zin van de verhalenbundel Gekromde tijd in Krems:

Scese dall’autobus, tenendosi al corrimano finché il piede ebbe toccato, con qualche esitazione, l’asfalto.
Toen hij de bus uit stapte, hield hij de stang vast totdat hij zijn voet, enigszins onzeker, op het asfalt had gezet.

De glasheldere toon steekt schril af bij de raadselachtige taal van Blindelings, maar ook van de in 2017 verschenen roman Het museum van oorlog. Een complexe maar fascinerende roman, die Anton besloot niet meer te vertalen en die ik met liefde van hem overnam. Ook hierin volgt de lezer de vaak bizarre en hallucinerende gedachtestroom van een wonderlijk personage, dat op zijn beurt in het hoofd kruipt van soms abjecte figuren met dito overtuigingen en handelingen.

Magris onderscheidt in zichzelf, in navolging van de Argentijnse schrijver Ernesto Sábato, een dagschrijver en een nachtschrijver. In het dagschrijven overheersen de visies, gevoelens en waarden van de schrijver zelf, in een door de ratio aangebrachte orde in de chaos. Maar er is ook een nachtelijk schrijven, waarin gedachten aan het licht treden waarin de schrijver zich niet herkent maar die toch in hem opborrelen en de lezer met een verontrustende werkelijkheid confronteren. De monoloog, een eindeloze stroom van gedachten, beelden en onnavolgbare associaties, kenmerken deze schrijver met zijn lange meanderende zinnen.

En de vertaler meandert mee, want zoals Magris zelf terecht betoogt, kenmerkt een schrijver zich in grote mate door het ritme van zijn zinnen. De Kroatische vertaalster van Magris’ werk, Ljiljana Avirovic, heeft de schrijver eens uitgedaagd tot een experiment. Ze las hem diverse vertalingen van haar hand voor en vroeg de schrijver, die het Kroatisch niet beheerst, om te raden welke tekst een vertaling van zijn werk was. Op grond van het ritme haalde de schrijver zijn tekst er moeiteloos uit.

Dagschrijver

Maar terug naar de eerste zin van Gekromde tijd in Krems. ‘Toen hij de bus uitstapte, hield hij de stang vast totdat hij zijn voet, enigszins onzeker, op het asfalt had gezet.’ En het tweede verhaal: ‘De maestro bleef even staan om naar de villa te kijken, nu hij dichterbij gekomen was.’ Net als in de eerder verschenen Momentopnamen, voert in deze verhalenbundel de dagschrijver zijn pen, in kristallijne zinnen en haarscherpe beelden, zoals bijvoorbeeld aan het eind van het eerste verhaal:

‘De zon had zich verplaatst en bescheen niet meer de geranium maar het vensterglas, de lichtstreep viel op de muur en doorsneed hem met een sabelhouw. Als het halfopen raam door een zuchtje wind bewoog, blikkerde de streep, duelleerde op de muur met bliksemsnelle slagen.’

Of de sfeertekening waarmee het vierde verhaal begint:

‘Het diner liep ten einde, weldra zou het moment aanbreken van het toosten, de toespraakjes, de herhaalde gelukwensen aan de winnaar. Op het tafelkleed zaten wijnvlekken en viel af en toe een druppel kaarsvet. De obers liepen rond om borden en bestek te wisselen, hun armen reikten over de tafel en trokken zich als snelle zwaardslagen terug, maar die geometrie begon hier en daar scheurtjes te vertonen, een gebaar stokte halverwege, een voorwerp glipte door de mazen van de orde en bleef staan, overgeleverd aan een toestand van laksheid en verval. Hij keek naar het bord van zijn buurman, die half naar de andere kant gedraaid op luide toon iets grappigs vertelde, en zag het gestolde vet dat op de bodem was achtergebleven. Dat was even tevoren een kostelijke saus geweest. Wie zal zeggen waar en wanneer de eerste rafeling begon, of er een precies punt, een grens tussen het gesteven en het bezwete boordje was.’

In vier verhalen wordt in de eerste zin een naamloos personage opgevoerd: een ondernemer, een musicus, een schrijver, een docent. Vier mannen die als het ware samenvloeien tot eenzelfde persoon, die de ouderdom heeft bereikt en het bestaan vanuit dit perspectief beziet; zoals de schrijver zelf, die bij het uitkomen van de bundel tachtig werd en onmiskenbaar overeenkomt met de ik-figuur van het titelverhaal, het middelste van de vijf verhalen.

Eindzinnen

Het titelverhaal vormt in meerdere opzichten het centrum van de bundel, en niet in de laatste plaats vanwege de allengs diepgravender monoloog. We zien de schrijver in een voor hem gebruikelijke situatie, een diner na afloop van een gehouden lezing, waar een terloopse opmerking van een disgenote een wervelende gedachtestroom op gang brengt over de tijd. Een gedachtestroom die de rechte lijn van de tijd met behulp van de natuurkunde ombuigt tot een kromme lijn en zo een jeugdliefde uit het verleden naar het heden terugbrengt. In de groeiende stroom van twijfels, vragen, hypotheses, conclusies en illusies, worden de zinnen langer, knopen ze beeld aan beeld om een ononderbroken lijn te vormen van verleden naar heden naar toekomst en omgekeerd.

Het perspectief op een lang verleden en een korte toekomst blijkt niet zo absoluut als het lijkt, en zo kijkt de hoofdpersoon van elk verhaal in de eindzin vooruit naar wat in het leven voort kan duren, terug kan keren, nieuw kan zijn. Zo ook de docent en oorlogsveteraan wiens verleden in het laatste verhaal wordt verfilmd. Na een plotseling van een jonge actrice ontvangen kus, besluit hij: ‘Niet dat… en toch…’

Linda Pennings is universitair docent Italiaanse Letterkunde en Italië Studies. Ze vertaalde naast boeken van Calvino en Magris ook werk van Leonardo Sciascia, Vitaliano Trevisan en Carlo Emilio Gadda.

  • Italo Calvino, Zes memo’s voor het volgende millennium, vertaald door Linda Pennings, Bert Bakker, Amsterdam 1991.
  • Italo Calvino, ‘Cominciare e finire’, in Saggi 1945-1985, redactie Barenghi, deel I, pp. 134-753.
  • Claudio Magris, Donau, Een andere zee, Veronderstellingen aangaande een sabel en Microcosmi verschenen, in vertaling van Anton Haakman, bij Bert Bakker, in resp. 1986, 1919, 1993, 1997. Biografie van een rivier verscheen in 2020 in een nieuwe editie van De Bezige Bij.
  • Claudio Magris, Blindelings, vertaald door Anton Haakman en Linda Pennings, De Bezige Bij, 2007.
  • Claudio Magris, Het museum van oorlog, vertaald door Linda Pennings, De Bezige Bij, 2017.
  • Claudio Magris, Momentopnamen, vertaald door Linda Pennings, De Bezige Bij, 2019.
De eerste zin van Claudio Magris’ Gekromde tijd in Krems, vertaald door Linda Pennings

Delen op

€ 24,99
€ 6,99
€ 29,99
pro-mbooks1 : athenaeum