Slow reading: over de vertaling van Maylis de Kerangals Een wereld binnen handbereik, door Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos

07 april 2020
| | | | |

Begin dit jaar verscheen Un monde à portée de main van Maylis de Kerangal in het Nederlands. Wij vroegen vertalers Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos om een toelichting op hun vertaling. Over de kunst van het beschrijven en de ontdekkingen die zij deden tijdens het vertalen.

N.B. Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos lichtten al eerder hun vertalingen toe voor Athenaeum.nl. Lees meer over hun vertaling van Prins Peper van Alain Mabanckou, van Vandaag leven we nog van Emmanuelle Pirotte en van De tuin van de avondnevel van Tan Twan Eng. Ook schreef Jan Pieter van der Sterre een toelichting bij zijn vertaling van Billy Lynn en hoe hij de rust overleefde van Ben Fountain.

Een zeer bijzonder talent in de hedendaagse Franse literatuur is Maylis de Kerangal. Deze schrijfster laat haar romans steevast inzoomen op technologische of ambachtelijke hoogstandjes en ontsluit daarmee voor de gewone romanlezers werelden waar ze normaal zelden kennis mee maken. Naissance d’un pont vertelde over de bouw van een enorme brug in de Verenigde Staten. In het boek daarna, Réparer les vivants (vertaald als De levenden herstellen), stond de lezer bijkans met een mondkapje voorgebonden aan een operatietafel waarop een opengewerkt lichaam wordt ontdaan van vitale organen, onder meer het hart, die vervolgens worden getransplanteerd in andere lichamen. De herinnering aan dat boek alleen al bezorgt ons vertalers nog steeds een brok in de keel.

Daarnaast bestudeert De Kerangal de in het verhaal handelende personen steeds met dezelfde chirurgische precisie en een buitengewoon sterk inlevingsvermogen. Het resultaat is dat techniek, wetenschap, literatuur en levenskunst, het individuele en het collectieve versmelten tot een wondermooi geheel.

Kleurennamen

Haar jongste boek, Un monde à portée de main, vertaald als Een wereld binnen handbereik, concentreert zich op weer een ander bijzonder gegeven: ‘decorschilderen’. De hoofdpersonen zijn leerlingen van een (bestaande) academie in Brussel, waar ze niet-artistieke manieren van schilderen leren, waaronder trompe l’oeil. Kunstig, maar geen kunst.  In onderstaand fragment wordt een deel van het lesprogramma gepresenteerd:

‘Aan het begin van het lesjaar gaan we de houtsoorten schilderen. Eiken, die zeker niet de makkelijkste zijn, maar ook de iep bijvoorbeeld, en de es, bruin ebbenhout, Congolees mahonie, populier, peer, braam, de soorten waarvan ik vind dat ze goed zijn om te schilderen. Half november gaan we aan de slag met de marmersoorten. Carrara, grand antique, labrador, henriette blonde, perzikbloesem of Italiaans griotte. [...] Midden januari komen de halfedelstenen aan de beurt, lapis en citrien, topaas en jade, amethist en kwarts, in februari tekenen, perspectief, dan lijstwerk en friezen, stijlplafonds en patina’s, in maart vergulden en verzilveren [...]’

Veel vaktermen dus, en het fraaist zijn misschien nog wel de namen voor de verschillende kleuren. Dichters, onthoud voor inspiratiearme dagen de zoekterm ‘kleurennamen’. Honderden stuks (die vaak ook nog mooie titels kunnen opleveren). Een klein voorbeeldje in een fragment over studente Paula:

‘Later zou Paula die kleuren anders zien dan nu en zou ze er het juiste etiket op kunnen plakken: helderrood, lichtguldenroedegeel, middenzeegroen, aquamarijn, lavendelblos, faalroodpaars, tarwe, navajowit [...] titaanwit, gele oker, cadmium geeloranje, rauwe sienna, bergbruin, Van Dyckbruin, vermiljoen en een beetje zwart.’

Het Frans heeft ook tientallen fraaie namen voor kleuren, zoals cuisse de nymphe émue, baise-moi-ma-mignonne, merde d’oye (letterlijk : ‘ontroerde nymfendij, kus-me-mijn-liefste, ganzenkak’).

Zaagtechnieken en marmersoorten

Duidelijk zal zijn waarom de vertaling van deze roman niet alleen prettig zoekwerk maar ook een warm gevoel voor taal opleverde. Eens te meer bleek hoeveel verborgen woordenschatten er bestaan. De manier waarop een boomstam is doorgezaagd bijvoorbeeld levert allerlei termen op voor de verschillende snijvlakken en manieren van zagen. En voor wie dacht dat marmer gewoon marmer was, is het een mirakel te zien dat er zoveel verschillende soorten van bestaan. Daarbij blijkt dat marmer beschrijven evenzeer een vak apart is als marmer imiteren met verf. Hier een blik in de studentenkamer van Paula:  

‘Haar slaapkamer is een verlengstuk van het atelier op school, ligt eveneens op het noorden en is net zo slecht verwarmd: haar lakens stinken naar benzine, haar pyjama heeft verfvlekken, de vensterbank staat vol vuile bakjes en her en der op de vloer slingeren mislukte panelen met vert de mer – ze had gedacht dat die marmersoort makkelijk te schilderen zou zijn, omdat het simpel marmer was, monochroom, de zee bij nacht, de dikke, basalten zee, groenzwart met draadvormige structuren erin van een lichtere groene kleur (serpentijn) en wit (speksteen), die aan het oppervlak een soepele, vezelige draad vormen, vergelijkbaar met kapotgescheurde verbandwatten, maar het is daarentegen een variëteit die alleen ervaren schilders durven te realiseren, en dat weet ze niet –, je moet de steen diepte geven, en daarvoor moet je erin gaan, afdalen naar het binnenste, maar dat lukt haar niet, ze verdrinkt.’

Gloednieuw literair genre

De lezer daalt in dit boek dus aan de hand van de schrijfster naar het binnenste van allerlei concrete aardse zaken, maar ook naar het binnenste van ambachten en vakken, van mensen, en ook van de taal. Sommige critici spreken over een gloednieuw literair genre, een genre dat om slow reading vraagt. Uiteraard is het lang niet overal zo technisch en opsommerig als in de citaten hierboven: het ingenieuze is ingebed in een even boeiend verhaal met personen wie niets menselijks vreemd is. Paula komt uiteindelijk terecht in Lascaux, waar muurschilders in beestenvellen hetzelfde vak hebben beoefend als zij. Ze mag meehelpen aan de vervaardiging van een natuurgetrouwe kopie van de rotstekeningen en gaat daar uiteindelijk letterlijk en figuurlijk in op.

Trouw vatte dit boek in een fraaie recensie aldus samen: ‘Huldeblijk aan de veelvormige rijkdom van het leven.’ Volstrekt terecht.

Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre vertalen beiden vanaf circa 1990. De laatste ruim tien jaar doen ze dat vooral samen en vooral uit het Frans en Engels. Enkele schrijversnamen en titels uit die periode: James Baldwin, John Boyne, Frans de Waal, Douglas Hofstadter, Marcel Pagnol, De preek over de val van Rome van Jerôme Ferrari (Europese Literatuurprijs 2014), Lionel Aso van Martin Amis [fragment], Geschiedenis van geweld van Edouard Louis [fragment], De spionne van Jean Echenoz e.v.a.

MINDBOOKSATH : athenaeum