Over het vertalen van Ovidius, Metamorphosen, door Piet Schrijvers

01 november 2022
| | | |

Piet Schrijvers vertaalde Ovidius’ Metamorphoses als Gedaantewisselingen. Op ons verzoek licht hij zijn vertaling van de eerste verzen toe. Over de meerduidigheid van Ovidius’ taal, en zijn interpretatieverschillen ten opzichte van Marietje d’Hane Scheltema’s vertaling.

Ovidius, Metamorfosen 1.1-2:

In nova fert animus mutatas dicere formas
corpora: di, coeptis nam vos mutastis et illas,
adspirate meis […]

Hier volgt allereerst de vertaling van mijn voorgangster Marietje d’Hane (1993) in zevenvoetige jamben; haar vertaling is te kwalificeren als eenduidig-letterlijk, maar daardoor (en ook door de jambische maat) als prozaïsch:

Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden
veranderd. Goden, leen mijn werk uw adem, want ook u
deed mee aan die veranderingen.

Mijn vertaling van deze beginregels (zojuist verschenen in een tweetalige editie bij Primavera Pers, Leiden) luidt in zesvoetige heffingsverzen/dactylische hexameters:

Gedaanten in nieuwe vormen veranderd verwoord ik geestdriftig
tot lijvige bundels. Goden, beziel wat ik ben begonnen
want ook die veranderde u […]

De twee vertalingen hebben gemeen dat ze beide de Latijnse uitdrukking mutatas formas weergeven met ‘gedaanten veranderd’, terecht omdat Ovidius een Latijnse vertaling biedt van het Griekse woord meta-morphosis, dat in het Nederlands wordt vertaald met de ‘gedaanteverandering’  of ‘gedaantewisseling’. Voor de rest verschillen de beide vertalingen in hoge mate. D’Hane heeft niet ingezien dat de eerste zin virtuoos meerduidig is, zoals bij de dichter Ovidius past. Zij legt de voor de hand liggende verbinding: ‘vormen veranderd in nieuwe lichamen’ en vertaalt het werkwoord dicere alsof het gevolgd werd door het voorzetsel de (van = aangaande). Men kan ook verbinden dicere in (‘verwoorden tot’): verwoording is zelf ook een gedaantewisseling (metamorfose) van een daadwerkelijke wisseling. Alleen dan wordt de betekenis duidelijk van het woordje et  (= etiam: ‘ook’): u, goden, hebben, evenals ik, vormen veranderd, u in mythisch-daadwerkelijke zin, ik als dichter-literator in talige zin.

De dichter vraagt vervolgens dat de goden spiritus (adspirate coeptis meis) levensadem verschaffen aan zijn begonnen kunstwerk, aan zijn taalbouwsels: maak ze levend, maak ze tot een levensechte herschepping. Hier benadrukt Ovidius zijn diepgevoelde, naturalistische  ambitie om kunst te scheppen die levende natuur lijkt te zijn geworden. Dit gekoesterde ideaal komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het verhaal over de beeldhouwer Pygmalion die aan de godin Venus vraagt dat zijn ivoren beeld van een vrouw een echt levend meisje mag worden (boek 10, 247-280) en het beeld verliest zijn hardheid, wordt zacht: het was een [echt] lichaam (corpus erat). Ook het woord corpora is naar mijn mening dubbelzinnig gebruikt: lichamen, maar ook geschreven verzamelwerken, want dat kan corpus/corpora ook betekenen: denk aan onze uitdrukking corpus iuris of de formulering de corpore toto van Ovidius zelf in zijn bundel Tristia (2.535), die slaat op de het epos Aeneis van Vergilius. Ik heb getracht de dubbelzinnigheid van corpora in de twee beginregels te handhaven door het Latijnse woord tweemaal te vertalen: 1. vormen, 2. bundels, met toevoeging van het adjectief ‘lijvig’ dat zowel van menselijke personen als van boeken/geschriften gezegd kan worden.

Een consequentie van deze interpretatie is dat carmen in regel 4 niet met ‘lied’ vertaald moet worden, zoals d’Hane doet, maar met het concrete dichtwerk dat nu geschreven en gelezen gaat worden (de een na laatste regel van het gedicht, 15.878, luidt dan ook: ore legar populi -mensen zullen mij lezen!). Ook het in regel 4 vermelde adjectief perpetuum [carmen] wordt dubbelzinnig in mijn poëticale contekst: het dichtwerk loopt door van het begin van de wereld tot aan Ovidius’ tijd (d’Hane’s ‘ononderbroken’ is consequent eenduidig), maar zijn dichtwerk is natuurlijk ook ‘eeuwig’ (het zal worden gelezen per omnia saecula, ‘tot in de eeuwen der eeuwen’, 15.878).

À propos, in de vierde beginregel: ad mea perpetuum deducite tempora carmen! is de werkwoordsvorm ook dubbelzinnig: niet alleen ‘leidt’ (d’Hane), maar ‘begeleidt’: deducere is de technische term in het Latijn voor het begeleiden/escorteren van een hogergeplaatste en als zelfbewust dichter voelde Ovidius zich minstens gelijk aan de goden als het concrete metamorfosen betreft. Tot slot: de uitdrukking fert animus is wel iets sterker dan ‘ik wil’; mijn geest sleept me mee, brengt me in vervoering…

Mijn meerduidige, poëticale vertaling van de beginregels komt overeen met wat de Amerikaanse latinist Karl Galinsky terecht opmerkte in zijn monografie Ovid’s Metamorphoses. An Introduction to the Basic Aspects (1975): ‘Ovid applied this variatio to a poem of epic length and to many of its individual episodes. And he applied it to a metamorphosis poem which by this procedure, too, becomes a poem that reflects metamorphosis rather than is about metamorphoses.’

Piet Schrijvers is emeritus hoogleraar Latijnse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Leiden, essayist en vertaler. In 2007 ontving hij de Oikos publieksprijs. Hij vertaalde werk van Lucretius (Martinus Nijhoffprijs 2011), Horatius, Vergilius [lees Schrijvers’ toelichting op zijn vertaling van de Aeneis, en fragmenten uit Aeneas en Bucolica], Seneca [toelichting], Martialis [toelichting] en Justus Lipsius.

Over het vertalen van Ovidius, Metamorphosen, door Piet Schrijvers

Delen op

€ 22,75
€ 21,99
€ 11,99
€ 17,99
€ 7,99
€ 16,90
€ 29,99
pro-mbooks1 : athenaeum