Over het vertalen van Caroline Lamarches Het einde van de bijen door Katelijne De Vuyst

11 april 2023
| | | |

Katelijne De Vuyst vertaalde Caroline Lamarches La fin des abeilles als Het einde van de bijen. Op ons verzoek licht ze haar vertaling toe. Lees over wat Lamarche bijzonder maakt, en waarom De Vuyst haar boeken graag vertaalt, over deze roman en over een problematische woordspeling: hoe vertaal je ‘vol plané’, ‘viol plané’?

N.B. Lees ook een frament uit Het einde van de bijen op onze site.

Caroline Lamarche: lyrischer, radicaler, efficiënter, ironischer

Caroline Lamarche gaat in haar verhalen vaak uit van autobiografische elementen, die daarna volledig gefictionaliseerd worden. Ze neemt geen blad voor de mond, maar schrijft onbeschroomd over het vrouw-zijn en de daarmee verbonden lichamelijkheid. Vermoedelijk wordt haar werk vanwege die aspecten soms vergeleken met dat van Annie Ernaux, een vergelijking die voor mijn gevoel niet echt opgaat. Lamarches taal is lyrischer, niet zo karig, en de woede die je bij Ernaux vaak aantreft, is in haar teksten afwezig of liever, bij Lamarche klinken de verontwaardiging en de aanklacht onderkoeld, ze worden gesublimeerd door de verbeelding, waardoor de valkuil van het zelfbeklag wordt ontweken. In die zin vind ik het feminisme van Lamarche niet alleen radicaler, maar ook efficiënter. Bovendien is haar stem altijd getint met een subtiele vorm van ironie, wat de vaak harde thematiek (Het geheugen van de lucht over een giftige intieme relatie en een verkrachting, Nacht op klaarlichte dag over een sm-relatie, Mira, een surrealistische fabel over de oorlog…) verteerbaar maakt, zonder iets van het effect weg te nemen. Integendeel, door de uitgebalanceerde toon en de uitermate precieze bewoordingen komt de boodschap des te beter aan.

Ik hou ervan het werk van Caroline Lamarche te vertalen. Omdat ze me telkens verrast door haar onderwerpen, omdat haar stijl helder is en tegelijkertijd subtiel en sensueel, vanwege de poëtische beschrijvingen van de natuur, de dieren, de dromen, die vaste motieven vormen in al haar boeken. Bovendien onderschat ze haar lezer nooit: ze geeft nooit veel uitleg, ze laat dingen zien en horen, maakt daarvoor gebruik van de schoonheid van de taal, en ze laat het aan de lezer over zelf de conclusies trekken uit alles wat tussen de regels wordt gesuggereerd. 

Het einde van de bijen: een schitterend portret

In Het einde van de bijen, het vierde boek van Caroline Lamarche dat ik voor Uitgeverij Vleugels vertaalde, wordt de hoofdrol gespeeld door de moeder van de vertelster, een vrouw die aan het begin van het boek 98 is, vrijwel blind is en in een rolstoel zit. Wanneer ze zich thuis niet langer alleen kan behelpen, vraagt ze haar kinderen zelf om haar naar het naburige verzorgingstehuis te brengen – ze wil hen immers niet langer ‘belasten’.
Ze wordt er opgenomen in de korte periode tussen de eerste en tweede lockdown in, even later gaat het land alweer op slot en een paar maanden later overlijdt ze, in volstrekte eenzaamheid. Op een eerste niveau vormt het werk aldus een aanklacht tegen het paniekerige beleid van de overheid, de minachting waarmee ouderen door de samenleving worden behandeld, de onpersoonlijke manier waarop met de ‘gasten’ in een rusthuis wordt omgegaan, het gebrek aan empathie bij een steevast overwerkt personeel.
Maar meer dan een aanklacht brengt Lamarche hier een hommage aan de generaties vrouwen, die hun hele leven thuis hard hebben gewerkt, maar die hiervoor niet het respect kregen dat ze verdienden. Van daaruit gaat het over de plaats van de vrouw in gezin en samenleving, en de werking van een microkosmos als de familie.
Lamarche schetst een schitterend portret van een bejaarde dame, die ondanks haar benarde situatie het hoofd niet laat hangen, maar moedig en opgeruimd de confrontatie aangaat met de ongemakken van de oude dag. Een andere thematiek die haar na aan het hart ligt en die steeds uitdrukkelijker aan bod komt in haar werk, is de bedreiging van het ecosysteem (door de verdwijning van bijen en insecten als gevolg van de klimaatopwarming).

Zo samengevat zou je kunnen denken dat Het einde van de bijen een somber boek is, maar dat klopt van geen kant. Het portret van de moeder wordt met een immense tederheid geschilderd, de toenadering tussen haar en de dochter is simpelweg ontroerend, de wrangheid van bepaalde situaties wordt verzacht door de droge humor van Lamarche, bijvoorbeeld in het hilarische verslag over de inbreker die als een modern Klein Duimpje zijn pad afbakent met theezakjes om zijn weg in het reusachtige huis terug te vinden. Of in het gesprek onderweg naar de kleermaakster, als de vertelster veertien is: ‘Op een dag moet je… met je man… Het is onaangenaam, maar maak je geen zorgen, het is maar een vervelend momentje, je bent het heel snel vergeten, en vooral, vooral, je mag nooit en te nimmer “nee” zeggen.’
En haar nuchtere commentaar: ‘Hoe het ook zij, haar terloopse opmerking, uitgesproken op een zogenaamd geruststellende toon, betekende het begin en het einde van mijn seksuele opvoeding.’

Woordspelingen: ‘vol plané, viol plané’

Caroline Lamarche houdt van woordspelingen, ze komen vrijwel in al haar teksten aan bod. En uiteraard zijn die lastig te vertalen. Ik heb lang geworsteld met een passage in het begin van het boek, waar ze beschrijft hoe ze als kind op een sneeuwdag op haar slee een helling afstuift, staand evenwel, als een ridder op zijn strijdros, en door een bult op haar parcours een duik neemt, die ze een ‘vol plané’, een zweefvlucht noemt. Maar dan opeens brengt ze dit in verband met ‘viol’, verkrachting:

Un vol plané.
Un viol plané.
Une lettre en plus, de l’alphabet celle qui mange le moins d’espace. Un viol plané, voilà ce que fait l’écriture lorsqu’elle s’empare de la vie d’autrui en se contentant d’un survol (l’écriture, ce gracieux planeur). Je me console en imaginant que mon père eût aimé mon viol plané, lui, l’homme aux calembours clandestins.

Ik heb me wekenlang het hoofd gebroken om hiervoor een oplossing te vinden, die niet geforceerd zou klinken. Maar zolang ik aan de betekenis van ‘zweven’ vast bleef zitten, kreeg ik niets bevredigends op het papier: ‘zeven’, ‘zweren’, ‘weven’…, niets wat ook maar in de buurt van het woordpaar ‘vol/viol’ kwam.
‘Vliegen’ leverde nog minder op, verder dan ‘liegen’, ‘liggen’ raakte ik niet. Met ‘klappen, kappen’ kon ik ook niets aanvangen. Ik moest dus de woordelijke tekst loslaten, en meer in functie van de globale betekenis denken.
Toen ik op het punt stond om op te geven en dacht: ik laat het Frans hier gewoon staan, ‘vol plané’ is een lemma in Van Dale, en iedereen zal het woord ‘viol’ wel kennen, bracht die ‘viol’ me bij gewelddaad, geweld, en vandaar bij ‘geveld’ – de ridder die van het paard was gekukeld. De Franse zin over de extra ‘i’ diende uiteraard eveneens te worden aangepast. Ik legde mijn vondst voor aan Caroline, die me carte blanche gaf om de voorgestelde aanpassing door te voeren. Wat uiteindelijk dit heeft opgeleverd: 

Geveld.
Geweld.
De v krijgt een extra vogeltje en onmacht verandert in kracht. Geweld, dat pleegt de literatuur als ze andermans leven steelt en zich daarbij beperkt tot een luchtige vlucht (het schrijven, gracieuze zweefvlieger). Ik troost me met de gedachte dat mijn vader, man van heimelijke calembours, dat geveld geweld vast zou hebben gewaardeerd.

Katelijne De Vuyst vertaalt ze proza uit het Frans, poëzie van en naar het Frans en uit het Engels en Nieuwgrieks. Ze vertaalde onder meer werk van Louis Aragon, Blaise Cendrars, Mina Loy, Anne Sexton, Stevie Smith, Paul Valéry, Jules Barbey d’Aurevilly, Emmanuel Bove, Caroline Lamarche, Olivier Rolin en Oliver Rohe. Ze is redacteur van de Poëziekrant en leidt regelmatig vertaalworkshops voor het ELV en de Vertalersvakschool Antwerpen.

pro-mbooks1 : athenaeum