Recensie: Als bij een Indische spekkoek

25 november 2015
| | | | | |

'We staan aan het begin van een nieuwe fase in de geschiedenis,' zo schrijft Harm Stevens in het op 10 november verschenen boek Gepeperd verleden (presentatie 18 november, Spui25!). Hoe verder we in jaartallen verwijderd raken van de koloniale oorlog in Nederlands-Indië, hoe beter we kunnen reflecteren op dit verleden. Enige tijd was er stilte rondom het onderwerp maar de afgelopen jaren zijn er weer nieuwe belangrijke titels verschenen. Gepeperd Verleden. Indonesië en Nederland sinds 1600 voegt een nieuw laagje aan de bestaande historiografie toe. Door nina kuin.

N.B. Woensdag 18 november vindt dus bij Spui25 de presentatie van Gepeperd verleden plaats, u kunt hierbij aanwezig zijn.

Het boek verscheen als tweede deel van de lopende landenreeks van het Rijksmuseum. In deze reeks belichten verschillende conservatoren de overzeese geschiedenis van Nederland en de voorwerpen die door deze contactmomenten in de collectie van het museum terecht zijn gekomen. Het eerste deel handelde over de Nederlandse betrekking met Ghana, nu beschrijft Stevens de verworven objecten uit Indonesië.

De keuze om voorwerpen te gebruiken als uitgangspunt voor een historisch werk is interessant. Zoals Stevens aangeeft vertegenwoordigen objecten de gezamenlijke geschiedenis en zijn de beschreven voorwerpen niet los te zien van het koloniale verleden. Hoewel deze geschiedenis gekenmerkt kan worden door conflict en strijd, legt Stevens met dit boek de nadruk op het gedeelde aspect van dit verleden. Hij plaatst de museumstukken tussen Nederland en Indonesië in want, zo geeft hij aan, beide landen hebben invloed op de geschiedenis en de betekenis van de objecten. De voorwerpen in het Rijks hebben 'menselijke verhalen' en bevatten zowel 'artistieke als historische betekenis maar ook ethische en morele problemen'.

De reis van een museumstuk

Het boek - dat ook als een museumcatalogus gezien kan worden - is opgebouwd in hoofdstukken waarin steeds één voorwerp centraal staat. Uit de keuze van de objecten blijkt hoe rijk de collectie van het Rijksmuseum is: de beschreven stukken variëren van schilderijen tot foto's, van bouwmodellen tot kostuums. Elk voorwerp vertelt zijn eigen geschiedenis en belicht op eigen wijze het koloniaal verleden. Knap beschrijft Stevens de gehele herkomstgeschiedenis van de voorwerpen. Hij stopt niet als het object eenmaal een museumstuk is geworden maar vertelt verder hoe het werk is tentoongesteld door de jaren heen en welke lading aan het werk werd toebedeeld. Zo trekt hij vanuit de ontstaansgeschiedenis van het museumstuk de lijn door naar het heden.

Een mooi voorbeeld is de beschrijving van de portrettengalerij afkomstig uit het regeringskasteel op Batavia, dat in 1950 eigendom van het museum werd. Stevens beschrijft de reis die de groep portretten van de opeenvolgende gouverneur-generaals hebben gemaakt. Deze schilderijen vertellen zo gezamenlijk het verhaal van de machtswisselingen in Indonesië, ook ver na de ontmanteling van het koloniaal bestuur. Eerst hoog aan de muur in een kasteel aanschouwd door het Nederlands bestuur vervolgens gelegen in een schimmelige kelder, bovenop elkaar. De schilderijen werden in 1949 tijdens hun verhuizing uit de kelder gefotografeerd door de bekende fotograaf Henri Cartier-Bresson, waarmee ze op iconische wijze symbool kwamen te staan voor het verlies van de kolonie.

'Behalve een kunstwerk is een schilderij ook gewoon een ding dat zo nu en dan versjouwd moet worden van de ene plaats naar de andere. Vaak zijn die momenten van verplaatsing geladen met historische betekenis.'

Tools of empire

Stevens geeft in het boek niet alleen een uitgebreide beschrijving van de herkomst van de voorwerpen maar plaatst de museumstukken ook in een breder kader door bij sommigen kwalificaties aan te brengen. Hij beschrijft enige objecten binnen de historiografische definitie van tools of empire. Deze van de Amerikaanse historicus D.R. Headrick afkomstige term wordt gebruikt om de geïmporteerde technologie te duiden die voor het imperialisme in de negentiende eeuw doorslaggevend kon zijn. Denk aan een uitvinding als de stoomboot en de indruk die dat achterliet bij de gekoloniseerde bevolking.

Volgens Stevens is de vuurtoren op Sumatra, waarvan het museum enkele schetsen en een model bezit, ook zo een tool. De gebouwde vuurtorens waren niet alleen imposant als constructie op zich maar hadden nog een andere functie. Het licht van de torens markeerde de grens van het gekoloniseerde rijk en scheen ook verder. Zo spreidde de macht van Nederland via het licht symbolisch over zee en land uit.

Dat dit soort objecten Nederland prestige gaf, blijkt ook uit het feit dat deze geïmporteerde constructies vaak werden afgebeeld op schilderijen. De Amsterdamse cartograaf Vinckboons trok in 1633 naar het eiland Banda Neira om daar een net gebouwd Nederlandse fort in kaart te brengen. Dit schilderij in de collectie van het museum laat een geordend stuk land zien met Nederlands ogende gebouwen. Maar Stevens kijkt verder naar dit schilderij en trekt een lijn naar de recentere geschiedenis. Hij beschrijft hoe Mohammed Hatta in 1936 naar het fort op Banda Neira verbannen werd. Door dit aan te stippen voegt hij een laag toe aan het historische landschap van het eiland en legt hiermee de nadruk op het gedeelde verleden in plaats van alleen de koloniale 'bezienswaardigheden'.

De veroveringen

Naast de naar Indië geïmporteerde voorwerpen zijn er ook Indonesische objecten in de collectie van het Rijksmuseum terechtgekomen. Deze 'geconfisqueerde' voorwerpen komen voort uit de Indonesische cultuur, maar Stevens kiest ervoor om het verhaal van de objecten te vertellen naar aanleiding van de aanraking en omvorming van deze symbolische voorwerpen met Nederland.

Zo vertelt hij het verhaal van het dajakschild (in de collectie aangeduid met de naam Schild van Atjeher). Kort stipt Stevens de herkomst van het schild aan, dat waarschijnlijk afkomstig is uit het oostelijk deel van Kalimantan. Daarna beschrijft hij welke rol dit schild in de geschiedenis heeft gespeeld en welke duiding eraan is gegeven. Zo geeft hij zijdelings een beschrijving van de strijd tijdens de Atjehoorlog (1873-1914). Aan de hand van veelzeggende foto's beschrijft hij vervolgens de oorlog minutieus vanuit beide strijdkrachten. Hij schroomt de bloedige geschiedenis niet en gebruikt soms harde kwalificaties voor de koloniale strijd, zoals de naar mijn mening iets te beladen term VOC-razzia.

Gezamenlijk erfgoed

Het gezamenlijk verleden, gekenmerkt door een strijd als de Atjehoorlog, krijgt met dit een boek een ander gezicht. De wederzijdse beïnvloeding en de omgang met het kolonialisme in zowel Nederland als Indonesië komt veelvuldig aan bod. Dit boek is dan ook zeer gelaagd in zijn opzet. Stevens:

'Dit boek beoogt vooral een register van verschuivende perspectieven te zijn, dat de eendimensionale blik op de gedeelde geschiedenis van Nederland en Indonesië tracht te versplinteren tot nieuwe geschiedenissen die naast elkaar bestaan of in laagjes op elkaar liggen als bij een Indische spekkoek.'

Gepeperd verleden is niet alleen een beschrijving van exotische en koloniale kunst in de collectie van het museum, maar voegt ook echt iets aan het corpus van de literatuur toe.

Nina Kuin studeerde geschiedenis en boekwetenschap en werkt bij de Athenaeum Rijksmuseumwinkel.

MINDBOOKSATH : athenaeum