Recensie: De Deense dertienjarige en de andere inboorlingen

25 november 2015
| | |

Is iedereen niet eigenlijk een vreemdeling in zijn eigen besloten samenleving? Dat is een van de vragen die de nieuw vertaalde roman van de Deen Erling Jepsen oproept. In Uit het dagboek van een konijnenfokker (Den sønderjyske farm, vertaald door Edith Koenders) volgen we de tienerjaren van Allan, een dertienjarige die konijnen fokt voor de slacht en dat met heel veel liefde doet. Dat gegeven leidt tot een onderhoudende roman over een stel malle Denen. Door fleur speet.

N.B. Eerder schreven vertalers Edith Koenders en Diederik Grit over de titel van het eerste hoofdstuk van Met oprechte deelneming.

Vreemdeling

Allan is een buitenstaander in de Zuid-Jutlandse dorpsgemeenschap. De Jepsenkenner weet al waarom. In Jepsens verfilmde seller De kunst om in koor te huilen klapte dezelfde Allan uit de school over zijn vader, de melkboer die in het dorp zulke grafredes wist te houden dat iedereen ervan snotterde. Maar Allans vader betastte Allans zusje, iets wat juist Allan naar buiten brengt. Zijn zusje werd uit huis geplaatst en werd langzaam gek. Jepsens kracht zit ’m in de onderkoelde humor waarmee hij deze tragiek brengt.

In Uit het dagboek van een konijnenfokker wordt de incest nergens benoemd, maar ook zonder kennis van de vorige romans is wel duidelijk dat Allans vader alle krediet in het dorp heeft verspeeld. Blamage volgt op blamage en ook Allan is daardoor besmet; hij kan geen vriendjes meer vinden. Hij moet zich behelpen met een knullig, weird buurjongetje, dat geobsedeerd is door een reuzensnoek waarover mythische verhalen de ronde doen. Hij denkt het beest zelfs met een bom uit het meer te krijgen.

Vriendschap

Bijna heel de roman, gewijd aan deze vriend Frode, kijkt Allan op zijn ‘eerste knecht’ neer. Frode plukt het gras voor Allans konijnen. Hij krijgt er een paar dropveters voor. Hij is wel weer handig met een luchtbuks, de Diana 22, waarmee de jongens rijen vogeltjes neerknallen. Tegen het eind, wanneer Allan een schrijver is die zijn dochter vermoeit met eindeloze verhalen over zijn jeugd, krijgt Allan door wat echte vriendschap is. Zoals in alle boeken van Jepsen is het dan de vraag wie er werkelijk geschift is.

Vader als sullige held

Dat geldt ook voor de vader, die het in de vorige boeken moest ontgelden, maar nu met meer mededogen lijkt te zijn neergezet. In Met oprechte deelneming ging Allans vader dood en kreeg Allan postuum de erkenning van zijn vader waar hij heel zijn leven naar zocht: zijn vader hield een plakboek bij met alle berichten over Allans schrijverschap. Nu, in Uit het dagboek van een konijnenfokker, hengelt Allan naar een compliment van zijn vader over de vele konijnen die hij weet te verzorgen en verkopen. Hij doet verschrikkelijk zijn best om zelfstandig te zijn en neemt zichzelf ongelooflijk serieus (wat natuurlijk heel grappig is: ‘Gras plukken voor konijnen moet je leren en dat kost tijd.’), maar het compliment van vader blijft uit.

Ook nu is vader een sul. Hij is een melkboer die de rondes doet terwijl er geld bij moet van een tante uit Duitsland. Vader voert een verbeten gevecht tegen de werkelijkheid. Dat uit zich ook wanneer de moderniteit zijn intrede in het dorp doet en de gemeenschap in twee stammen uiteen valt. Nieuwe kinderen van ouders met wasmachines uit de nieuwbouwhuizen aan de andere kant van het spoor vechten met de kinderen uit het authentieke dorp. Vader kan dat niet langer aanzien en neemt het op voor de dorpsbewoners en hun kinderen. Hij schrijft dorpsgeschiedenis met een heuse oproer op de Åvej, die Jepsen dan toch weer beschrijft als een storm in een glas water.

Zwart

Twee keer wordt Out of Africa van de Deense Karen Blixen genoemd, die een farm had in Kenia. De al mal wordende zus van Allan legt direct een link met Allans konijnenfarm. De serieuze ironie druipt van die opmerking af, een andere vergelijking ligt meer voor de hand: die Denen zijn ook maar een stel vreemde ‘inboorlingen’. Om dat Blixen-verhaal nog wat bedding te geven, loopt er ook nog een zwarte Afrikaanse vrouw door het dorp, die al evengoed een vreemdeling is. Maar ze had niet Deenser kunnen zijn dan ze is. Heel subtiel vertelt Jepsen zo iets over ingebakken vooroordelen, iets wat hij wat mij betreft wel wat sterker had mogen aanzetten om meer geëngageerde spanning in het verhaal te krijgen.

Onderkoelde grappenmaker

Zo denkt Allan: ‘Ik was erg tevreden over mezelf, want hoewel ik naast een meisje zat dat bijna niets aanhad, had ik iets samenhangends gezegd. Frode gaapte.’ Zelfs wanneer Allan aan de schoorsteen op een dak een lijk afsnijdt, weet Jepsen dat met verontrustende vanzelfsprekendheid te beschrijven.

Jepsen blijft een onderkoelde grappenmaker en dat is de enige reden waarom ik het Jepsen wel kan vergeven wanneer hij weer eens uitwaaiert of een absurdistisch thrillerelement toevoegt. Denkbeeldig zie je Jepsens ogen twinkelen terwijl hij nog een slokje van zijn koffiepunch neemt en besluit dat Frode een bom legt onder zijn hele verhaal. Klabam.

Fleur Speet is literair recensent. Ze schrijft onder meer voor De Morgen.

MINDBOOKSATH : athenaeum