Recensie: Een Bijbelse Shalev, van sprookjesachtig naar spookachtig

25 november 2015 , door Fleur Speet
| | |

Meir Shalev zoekt in zijn roman Een geweer, een koe, een boom en een vrouw, vertaald door Ruben Verhasselt, de contrasten op. Hij verenigt ze in een nieuw verhaal over de geschiedenis van de Joodse nederzetting. Door een oude, Bijbelse vertelstijl te mengen met moderne ironie. Door het tedere te mengen met het wrede, het zoete genot met het akelige lot. Door een oudere vrouw uit een pioniersgezin te laten snateren over de mannen in haar leven. En mensenlief, wat levert dat een ongelofelijk innemende roman op. Door fleur speet.

Parijs als Jeruzalem

Terwijl ik Een geweer, een koe, een boom en een vrouw las, maaiden twee jongens met AK-47’s rond op de redactie van Charlie Hebdo. Parijs leek me opeens even Jeruzalem. Of meer nog: opeens dacht ik iets beter te begrijpen uit welke dreiging en polarisatie de Israëlische literatuur vertrekt.

Maar van politieke romans moet Shalev niets hebben. Hij wordt geroemd om zijn fabelachtige vertelstijl, de geheimzinnige familieverbanden, de archaïsche aandacht voor de Joodse cultuur en zijn kriebelende humor, waarbij hij altijd overgeleverde verhalen oppakt. Hij is al jaren actief in de vredesbeweging en noemt de Israëlische regering een stelletje idiote kruisvaarders, zwaaiend met hun zwaarden zodra iemand een voet op heilig gebied zet. Maar zelfs al knoeide er iemand aan de remkabel van zijn auto, meningen verkondigt hij louter in columns.

De Bijbel en Shalev

Shalev is hevig geïntrigeerd door de Bijbel. Zijn werk is ervan doordesemd, geen verhaal dat er niet naar verwijst. Hij vergrootte zwakheden uit van bijbelfiguren in De Bijbel nu (1995), hij herschreef er delen van voor kinderen (Een zondvloed, een slang, een ark en een mandje, 2002) en een van zijn romantitels knipoogt er zelfs letterlijk naar (De kus van Esau, 1992).

Altijd al stak Shalev een beetje de draak met het Oude Testament, maar nu verandert hij het perspectief zodanig dat hij nog subtieler en cynischer dan anders blootlegt waar wij vandaan komen. De mensen in de Bijbel worden voortdurend door elkaar of het goddelijk lot belazerd. Het basisverhaal van onze cultuur verheerlijkt wraak en woede, en laat maar weinig ruimte over voor vergeving en herkansing. In het zojuist verschenen Een Bijbel van Philippe Lechermeier valt meteen op dat de meeste tekeningen van Rebecca Dautremer donker, boos of teleurgesteld zijn. Het is precies die visie op de Bijbel die Shalev in zijn roman uitdraagt, maar dan wel met aanstekelijke opgewektheid. Shalev combineert de zwaarte met scherts. Zijn hoofdpersoon bezweert de wraak, waarmee zij een familiegeschiedenis boven zichzelf uittilt en er een opera buffa van maakt.

‘Je wilde toch gender?’

De hoofdpersoon is de spottende, rouwende Roet (roepnaam Roeta), een godsdienstlerares op een middelbare school, kleindochter van Zeëv Tavori, een van de stichters van een Joodse nederzetting nabij Jaffa. Haar perspectief, dat van een vrouw die zich inleeft in mannen op ‘oorlogspad’, ontdoet de Bijbel van zijn stoere glamour. Roet noemt het ‘het meest seksistische boek dat er bestaat, het boek dat het best bij mijn overgrootvader past, als hij de moeite had genomen het te lezen’.

Shalev plaatst steeds kritische noten bij het ruige van de Bijbel, waardoor dat belachelijk wordt gemaakt of een fijnzinniger lading krijgt (een steen waar iemand zijn hoofd op wordt gelegd als kussen verraadt dat er sprake is van moord, een Kaïn en Abel-achtige situatie is gebaseerd op overspel, een vader is een Jakob die Jozef naar zijn broers stuurt, met de plagen van Egypte moet het maar eens uit zijn).

Roet vertelt haar verhaal aan Varda, een jonge onderzoekster die meer wil weten over de geschiedenis van de Joodse nederzetting en dat vanuit genderspecifiek perspectief (ja ja, de moderne wetenschap). Roet sneert dat ze de schande van haar kolonie komt aanschouwen, de schande die begon met haar opa Zeëv, een man die aan het einde van het verhaal een meer dan gruwelijke daad op zijn geweten blijkt te hebben. En dan vat ze die familiegeschiedenis als volgt samen: ‘Weet je, Varda, er zijn mannen die eens in de zoveel tijd iets dood moeten maken, en soms zelfs iemand. Anders worden ze gewoon gek. Dat is alles. Het is heel simpel.’ Eerder had ze Varda al radeloos toegeworpen:

‘Je wilde toch gender? Hier dan: een volk dat in zijn geheel één hongerig, vermoeid, afhankelijk, bevreesd, dorstig vrouwtje is, dat smacht naar een douche en geen bereik heeft. Ver weg van huis, ver weg van de verkeersweg, ver weg van liefde, ver weg van een ziekenhuis, ver weg van iedereen - zo ziet God zijn bruid graag.’

Wat mannen echt zoeken

Ze verwijst hier naar haar echtgenoot, die met hun bijna zes-en-een-halfjarige zoontje een wandeltocht, een jongenstocht, hield in de enorme woestijn van Negev, ergens vlakbij een mooie acaciaboom. Het jongetje werd heel Bijbels gebeten door een slang en de telefoon had geen bereik, het ziekenhuis was te ver. Hij stierf in de woestijn, in zijn vaders armen, die de berg af rende en na diens dood nog twaalf jaar binnen in zijn lichaam bleef rennen uit schaamte en wroeging.

Roet vindt het niet te geloven, haar zoontje die in deze moderne tijden door zo’n Bijbelse plaag wordt getroffen. Indirect lijkt Shalev hier te willen zeggen dat hij het onbestaanbaar vindt dat we heden ten dage nog zo worstelen met de Bijbel. Want ja, dat boek staat inderdaad vol met verderf, met doem, met God die de mensen tot wanhoop drijft.

Wat mannen echt zoeken, zo legt Roet aan Varda uit, zijn geen meisjes, maar andere mannen. ‘Dat is waar het ze aan ontbreekt. Diepe vriendschap, echte vrienden. Waar de meeste vrouwen een overschot van hebben, daar hebben zij een tekort aan, en op dat tekort is alles bij hen gebaseerd.’ Uiteindelijk is haar conclusie dat kracht of moed niet doorslaggevend zijn, maar iets anders, datgene waarmee de Israëlische David de Filistijnse reus Goliath versloeg:

‘Dat is wat Goliath de das om heeft gedaan: dat ineens tot hem doordrong dat die jongen niet de kracht, noch de moed van een kerel bezat, die hij zonder problemen de baas zou kunnen, maar de beangstigende zelfverzekerdheid van een mooie vrouw, als de uitstraling van de engelen die naar Sodom kwamen en daar iedereen met blindheid sloegen.’

Ziedaar: de schoonheid van een vrouw is veel krachtiger dan een man met al zijn wapens. Daar sta je dan met je mauser, opa. Al is dat geweer volgens zijn vrouw ‘niet alleen de hoofdpersoon van dit verhaal, maar ook de schrijver ervan’.

Strelen van taal

Dat citaat laat al zien hoe Shalev in hyperbolen en gedragen taal spreekt. De taal is dan ook een belangrijker hoofdpersoon dan dat geweer. De echtgenoot van Roet is onbelezen en slecht geschoold, toch is hij uiterst gevoelig voor de uitspraak van Roets Hebreeuws. Het woord ‘niezen’ in het Hebreeuws, door haar uitgesproken, vindt hij zo opwindend dat ze het een hele dag moet zeggen, al niest ze niet. Dat geeft een aandoenlijke lichtvoetigheid aan dit verhaal.

Liefde is vooral strelen van taal, zo blijkt. De woorden zijn bijna mensen, om van te houden en omhelzen. Shalevs woordkeus is heel fysiek en zinnelijk, de liefde die bedreven wordt is daardoor warm en tintelend. Shalev maakt je deelgenoot van de vrolijke intimiteit tussen de personages, wat de vertelling aangenaam teder maakt. Hij gaat uiterst zorgvuldig met ieder woord om, hij verleidt. Je voelt met hoeveel liefde en toewijding, hoeveel precisie, hij zijn verhaal componeerde.

De Bijbel en wij

De laatste keer dat ik een roman uitlas door een waas van tranen, is lang geleden. Huilen om een boek doe ik niet meer. Dacht ik. Tot ik aankwam bij de laatste pagina’s van Een geweer, een koe, een boom en een vrouw. Shalev had inmiddels al zoveel overhoop gehaald, zoveel verhaallijnen uitstaan en hernomen, hij had rookgordijnen opgeworpen en grappen gemaakt, hij had Roet steeds zijpaden in laten slaan die allen even smeuïg en spannend waren; ik was de tel kwijt, ik ging op in het verhaal. En opeens trok Shalev aan nog één draadje dat afgewerkt moest worden. Ik viel om en raakte ontroerd. Het sprookjesachtige veranderde opeens in zijn spookachtige tegendeel.

Meir Shalev schreef met Een geweer, een koe, een boom en een vrouw een uiterst rijk verhaal dat overweldigt en verrast. De toon van Roet is zo opgeruimd en tegelijk ironisch bezwerend dat je je geen moment verveelt. Shalev zet slimme technieken in om je bij Roet als onbetrouwbare, lukraak kletsende verteller te betrekken en blijkt achteraf heel precies een verfijnd bouwwerk te hebben geschapen, dat wemelt van de tegenstellingen en toch staat als een huis.

Shalev toont door al die contrasten hoe mal de wereld is, en ook de Bijbel. En hoezeer die wereld verhalen biedt om naar te luisteren, zodat we meer compassie kweken voor elkaar. Door (niet zonder pijn) de vergelding uit de Bijbel te bespotten, predikt hij juist verdraagzaamheid. Hoewel Shalev politiek geen stelling neemt, biedt zijn roman dus toch leerzame kost voor deze dagen.

Fleur Speet is literair recensent. Ze schrijft onder meer voor De Morgen.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum