Recensie: Een bijzonder soort kunstwerk

25 november 2015 , door Peter C. Kop
| | |

Twee dagen nadat de schrijver Willem Witteveen het manuscript van zijn De wet als kunstwerk bij de uitgever had ingeleverd, vertrok hij met vrouw en dochter Marit, die het geheel nog een keer had gelezen en had geholpen bij de eindredactie, om zeven uur 's ochtends van huis om op vakantie te gaan naar Indonesië. De reis zou, schrijft zoon Freek in een ten geleide, een bekroning worden van het leven als gezin. Het vliegtuig, de MH17, stortte neer in Oekraïne, niemand overleefde. Door peter kop.

Instrument of kunstwerk

Witteveen was sinds 1990 hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap in Tilburg en vanaf 2007 ook hoogleraar rechtstheorie en retorica. Tevens was hij lid van de Eerste Kamer voor de PvdA. Veel van de hoofdstukken in De wet als kunstwerk - onder meer alle hoofdstukken van het tweede deel - zijn als columns en essays eerder gepubliceerd in de rubriek 'Nomoi' van het tijdschrift RegelMaat, vaak wel ingrijpend herzien.

De wet als kunstwerk gaat over wetten, 'constructies die de juridische contouren van ons handelen bepalen' maar ook 'een soort kunstwerken die gebruik maken van taal om iets te zeggen'. Volgens Witteveen gaat deze laatste zienswijze terug tot Plato:

'We zijn in de moderne wereld behoorlijk ver van die traditie afgeraakt. Wij zien de wet niet meer als een kunstwerk, maar als een instrument. Wetten drukken een politieke wil tot macht uit, en in een democratie zijn bepaalde organen bevoegd om hun wil om te zetten in het machtswoord van de wet. De wetten worden dan de instrumenten die men nodig heeft om bepaalde doelen te realiseren.'

Witteveen stelt dat de vaak onuitgesproken veronderstelling dat wetten een soort instrumenten zijn een vergissing is, of op zijn best een halve waarheid:

'De wet is in de eerste plaats een maatschappelijke betekenisconstructie die als een bijzonder soort kunstwerk kan worden begrepen.'

Kritische lezers

Witteveen gaat in het eerste deel van het boek in op de theorieën van - onder anderen - vier denkers: Plato, Montesquieu, Jeremy Bentham en de Amerikaanse jurist Lon Fuller, die elk over wetten hebben geschreven en het denken daarover een andere wending hebben gegeven. Hij stelt dat we door met hen in debat te gaan zelf als lezers en burgers de traditie van kritisch en constructief wetgevingsadvies kunnen voortzetten.

Wetten moeten worden geïnterpreteerd. Witteveen benadrukt dat de rol van de rechter als een tovenaar van de interpretatie - met vele theorieën over hoe die interpretatie plaatsvindt - ertoe heeft geleid dat van de rechter te veel wordt verwacht en te weinig aandacht wordt geschonken aan de kwaliteit van de wet- en regelgeving die de rechter moet toepassen. Er zijn te veel problemen op zijn bord terechtgekomen. Een verstandige wetgever moet de rechter niet overvragen.

Van Rousseau tot De Gouges

In het tweede deel van zijn boek behandelt Witteveen derhalve tien geboden voor de wetgever, waarvan acht zijn ontleend aan de geschriften van Lon Fuller. De geboden dienen als conceptueel kader om een aantal denkers uit de traditie van politieke theorie over wetgeving te introduceren. In de dertig hoofdstukken van dit deel behandelt de schrijver dertig filosofen van, zoals hij zegt, heel diverse pluimage, 'telkens zowel historisch geduid als bij de actualiteit betrokken'. Bekende filosofen komen aan bod, waaronder Jean-Jacques Rousseau en Immanuel Kant, 'pure' juristen als de Romeinse rechtsgeleerde Tribonianus en de Franse wetgever Portalis, maar ook socioloog Georg Simmel, cultureel antropoloog Clifford Geertz en bisschop Isidorus van  Sevilla. In elk hoofdstuk van dit deel worden drie denkers behandeld waardoor opvattingen uit verschillende tijdperken bij elkaar worden gebracht.

Zo komt in het hoofdstuk 'Algemeenheid' Rousseau ter sprake. De Franse filosoof poneert dat het object der wetten steeds algemeen zou moeten zijn en dat de wet daarmee de onderdanen in hun geheel en de daden als abstracte handelingen op het oog heeft, nooit een mens als individu of een bijzondere handeling. Daarna besteedt de schrijver tevens aandacht aan Belle van Zuylen, die zich stellig keert tegen het gebruik in dezen van veralgemeende begrippen, die haars inziens altijd iets gebrekkigs hebben, en aan Olympe de Gouges, die niet inziet waarom de onvervreemdbare rechten van de Franse Revolutie niet ook aan vrouwen, zouden toekomen. De Gourges stierf onder de guillotine, zoals zovelen in die dagen.

In het derde deel wordt aan de orde gesteld of er in de hedendaagse democratie en rechtsstaat nog plaats is voor de in dit boek geschetste traditionele aanpak van de wet als kunstwerk en de desbetreffende politieke theorie. Witteveen bespreekt deze vraag in een aantal essays over het perspectief voor een wetgevingskunst in haar ongevallige omstandigheden.

Witteveen schrijft in een rustig tempo en behandelt vele filosofische problemen naast vele praktische en actuele kwesties. De student vindt hier een uitstekende en breed uitwaaierende inleiding tot de rechtsfilosofie, die dus niet beperkt is tot de verplichte weetjes. De parlementariër wordt aangespoord tot reflectie over de kern van zijn bezigheden en bemoeienissen. Witteveens gedachtegoed blijft in dit waardige monument doorleven.

Peter C. Kop is rechtshistoricus, voorheen raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden, en auteur van Mens en burger. Een geschiedenis van de grondrechten en Slachtoffers van het Duitsche geweld.

MINDBOOKSATH : athenaeum