Recensie: Gloeiende kooltjes van civiele vitaliteit

25 november 2015 , door Pieter Hoexum
| | | |

De directeur van het Wereld Natuur Fonds, Johan van de Gronden, is filosoof. Hijzelf gebruikt liever de ouderwetse term 'wijsgeer', hij noemde althans het boek dat hij schreef: Wijsgeer in het wild. Dat is niet alleen een lekker allitererende titel, het klopt ook want het is een fijn ouderwets getoonzet boek geworden met ouderwets moralistische 'essays over mens en natuur'. In tien beschouwingen brengt Van de Gronden verslag uit van reizen door zeer verschillende landschappen, van de binnenlanden van China tot die van Amerika en van de weiden van Friesland tot de kliffen van Denemarken. Door pieter hoexum.

De wijsgeer en de schrijver

Het gaat Van de Gronden er vooral om een verband te leggen tussen landschap en moraal: hij probeert er wijze lessen uit te peuren. (Overigens, wie op zoek is naar dat soort, maar dichterbij huis gelegen plekken kan terecht bij een ander, redelijk recent boek over wildernis: Verborgen wildernis van Kester Freriks en Jan Werner.) De mooiste passages in Wijsgeer in het wild, waarvan er gelukkig veel zijn, zijn echter die waar Van de Gronden de innerlijke wijsgeer even laat rusten en de schrijver in hem de boventoon laat voeren. Dan geeft hij zich over aan lyrische natuurbeschrijvingen en sfeervolle reisverhalen. Dan verdwijnt het hoogdravende even naar de achtergrond en er komt een heel gevoelig en scherpzinnig waarnemer te voorschijn. Bijvoorbeeld als hij in de voetsporen van Maria Sibylla Merian door Suriname (en Friesland!) ronddwaalt.

Of door China, waar Van de Gronden samen met Kristofer Schipper op zoek gaat naar sporen die het taoïsme in het landschap achter heeft gelaten en naar rituelen die zelfs nu nog beoefend worden. Ze zoeken naar eeuwenoude wierookverenigingen die de oude rituelen in ere houden. De officiële instanties weten nergens van, maar op afgelegen plekken op het platteland van China blijken nog steeds in alle rust tempelbijeenkomsten te worden georganiseerd volgens eeuwenoude taoïstische voorschriften. Van de Gronden: 'Het zijn precies deze informele en horizontale sociale structuren, deze gloeiende kooltjes van civiele vitaliteit, waar mijn belangstelling naar uitgaat.'

Van de wetenschap naar de moraal

Als kind had Van de Gronden, zo schrijft hij in de inleiding, al een grote fascinatie voor alles wat groeit en bloeit, voor de levende natuur. Dat is natuurlijk niet verrassend, maar des te verbazingwekkender is dat hij als kind ook al de wens koesterde filosoof te worden:

'Andere kinderen wilden piloot worden, of brandweerman, maar ik had het in mijn hoofd gehaald filosoof te worden. Vraag me niet waarom. In de grote kring van familie en vrienden was geen filosoof te bekennen. In de boekenkast stond Heinz G. Konsalik, niet Plato.'

Je zou denken dat Aristoteles zijn jeugdheld moet zijn geweest: Aristoteles was naast filosoof, en misschien wel in de eerste plaats, grondlegger van de biologie. De bioloog-schrijver Armand Marie Leroi schreef er onlangs nog een prachtig boek over: De lagune. Hoe Aristoteles de wetenschap uitvond. Maar Socrates en niet Aristoteles werd Van de Grondens held. En dat is bepaald niet onbegrijpelijk, want Socrates' voornaamste bijdrage aan de filosofie was toch de wending van de (natuur)wetenschap naar de moraal. Het ging Socrates er niet meer om de gehele natuur maar meer specifiek om het menselijk gedrag en dat wilde hij niet zozeer verklaren als wel kunnen beoordelen: Socrates was meer "moralist" dan wetenschapper. Ook Van de Gronden wil zo'n wat ouderwetse moralist zijn.

In het essay waarin Van de Gronden het meest expliciet ingaat op het verband tussen landschap en moraal, neemt hij wat afstand van de oervaders van de Nederlandse natuurbescherming, mensen zoals de bekende Jac. P. Thijsse en de iets minder bekende Victor Westhoff. Van de Gronden verwijt hen een eendimensionale blik op de natuur te hebben: 'Natuurstudie verschaft [volgens hen] zeker genot, maar dat genot verwijst niet meer naar een andere orde, noch noopt de natuur tot fundamentele reflectie op het eigen bestaan.' Behalve een sterke voorkeur voor deftig-ouderwets taalgebruik blijkt hier ook uit dat de twintigste-eeuwse natuurbeschermers voor Van de Gronden te modern zijn.

Westhoff was ook dichter, Van de Gronden haalt een gedicht van hem aan: 'Ik vraag naar liefelijk en schoon, / niet naar ethiek en 's werelds loon.' De poëtica van Westhoff als dichter zowel als natuurbeschermer luidt volgens Van de Gronden grofweg: 'bezing, beschrijf, benoem, leg uit, breng verbanden in kaart, maar hoedt u voor een duiding aan gene zijde.' Van de Gronden wil zich juist wel aan die hogere duiding wagen en grijpt terug op de filosofie van met name Immanuel Kant, die een verband probeerde te leggen tussen sublieme natuurervaringen en de menselijke moraal: 'Kant denkt [...] dat het onze morele geaardheid is die ons ontvankelijk maakt voor het sublieme, terwijl sublieme natuurervaringen ons op hun beurt aansporen om een beter mens te worden.'

Nostalgisch mopperen en pragmatisme

Af en toe loopt het bij Van de Gronden uit op ouderwets en zelfs nostalgisch mopperen op het moderne instrumentalisme, schaalvergroting en het verloren gaan van de menselijke maat. In Nederland gaat volgens Van de Gronden winstbejag te vaak boven natuurbeheer en loopt natuurbescherming maar al te vaak uit op 'koehandel': uiteindelijk mag de natuur toch aangetast worden, als daar maar 'compensatiemaatregelen' tegenover staan. Gelukkig is hij niet heel consequent want uiteindelijk, als puntje bij paaltje komt, blijft hij met beide benen op grond en volkomen nuchter en pragmatisch. In een mooi hoofdstuk over de grutto en het Friese weidelandschap merkt hij terecht op dat als we twee cent meer voor een liter melk betalen, de boeren helemaal niet aan schaalvergroting en intensivering hoeven te doen. Het is uiteindelijk gelukkig dus toch koehandel en met instrumentalisme is op zich niets mis, als je het maar voor de juiste doelen inzet.

Gek genoeg is Van de Gronden op z'n best als hij zich houdt aan de door hem versmade poëtica van Westhoff: van 'beschrijven en bezingen'. Al met al is Wijsgeer in het wild een mooi, evocatief boek dat ondanks de soms wat hoogdravende somberheid opvallend opbeurend en enthousiasmerend eindigt: 'De pure pracht van de plek maakt een irrationeel optimisme in mij wakker.'

Pieter Hoexum is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofen kwam uit in 2003, in 2014 verscheen zijn Kleine filosofie van het rijtjeshuis. Hij heeft ook een website: pieterhoexum.wordpress.com.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum