Recensie: Het dwalende denken van Ortega y Gasset

25 november 2015 , door Maarten Steenmeijer
| | |

In 1930 bundelde José Ortega y Gasset in La rebelión de las masas (letterlijk: De opstand van de massa's) een aantal stukken die hij voor het dagblad El Sol had geschreven. Drie jaar later verscheen het boek in de vertaling van Johan Brouwer onder de nog dikker aangezette titel De opstand der horden. Het werd hier, net als in veel andere landen, een non-fictiebestseller die een grote rol zou spelen in de zelfbespiegeling van Europa tijdens het Interbellum. Maar ook na de oorlog zou Ortega's werk nog van betekenis zijn in het intellectuele debat. Door maarten steenmeijer.

N.B. Dit is een uitgewerkte versie van Maarten Steenmeijers lezing tijdens de Amsterdamse Boekennacht.

Het hoogste goed en het ergste kwaad

De laatste druk van Brouwers vertaling verscheen in 1983. Moeten we hieruit afleiden dat De opstand der horden daarna niet meer relevant was? Of had de vertaling zijn langste tijd gehad? Of beide wellicht? Diederik Boomsma's nieuwe vertaling geeft een ondubbelzinnig antwoord: De opstand van de massamens, zoals La rebelión de las masas nu in het Nederlands heet, is niet alleen een memorabel tijdsdocument, maar ook een tekst die je vaak doet vergeten dat hij bijna negentig jaar geleden is bedacht.

Ortega beschouwde de massamens als een nieuw sociaal-cultureel fenomeen dat zijn oorsprong had in de negentiende eeuw. In die eeuw ondergingen de Europese samenlevingen een metamorfose dankzij de revoluties in de politiek (de liberale democratie) en de wetenschap (die de industrialisering mogelijk had gemaakt). De bevolking, de steden en de welvaart groeiden met een snelheid die ongekend was in onze geschiedenis. Deze ontwikkeling bracht een nieuw menstype voort dat, aldus Ortega, dominant zou worden in de twintigste eeuw en de moderne Europese beschaving dreigde te ontwrichten: de massamens.

Op meerdere plaatsen in zijn boek benadrukt Ortega dat Europa zich op een cruciaal punt in zijn ontwikkeling bevond. Wat de vooruitgang had gebracht was ongekend, maar deze zegenrijke loop van de geschiedenis zou in zijn tegendeel gaan verkeren als de massamens aan zijn lot zou worden overgelaten. Maar het was nog niet te laat, zo meende Ortega: 'De opstand van de massamens kan een aanloop zijn naar een nieuwe organisatie van de mensheid die haar gelijke niet kent. Maar die kan ook uitlopen op een ongekende ramp.' Elders noemt de Spaanse denker de massamens zelfs 'een brok potentie, zowel tot het hoogste goed als tot het ergste kwaad'.

Het is een misvatting te denken dat de massamens synoniem zou zijn met het Russische communisme en het Italiaanse fascisme. De massamens is volgens de Spaanse denker een veel breder verschijnsel. Het omvat heel Europa en betreft niet alleen de laag geschoolde massa's, maar loopt door alle sociale klassen heen. De massamens is een mentaliteit, die ook het denken en handelen van bijvoorbeeld dokters, ingenieurs en wetenschappers bepaalt.

Specialisering en gebrek aan historisch besef

Wat verstaat Ortega precies onder massamens? Je zou hem kunnen omschrijven als een anomalie: de massamens is een barbaar die leeft in de hoogste vorm van beschaving die de mensheid tot nu toe heeft voortgebracht: de Europese. Hij is banaal, kortzichtig, lui, ondankbaar, verwend, vulgair, en daar zit hij helemaal niet mee. Sterker nog: hij is fier op zijn vulgariteit. Zijn enige criterium en horizon is hijzelf.

Wat Ortega misschien wel het meest zorgen baart is dat de massamens geen historisch besef heeft en de omstandigheden waarin hij leeft als even vanzelfsprekend beschouwt als de natuur. 'De nieuwe mens wil autorijden en ervan genieten. Hij denkt dat die auto een soort vrucht is die vanzelf uit een paradijselijke boom is gevallen. In zijn binnenste heeft hij geen weet van het kunstmatige, bijna ongelooflijke karakter van de beschaving.'

Maar de verworvenheden van de moderne samenlevingen - meer welvaart voor meer mensen, meer luxe, meer mobiliteit - zijn tot stand gekomen dankzij een eeuwenlange geschiedenis van grote inspanningen en zullen alleen maar verder ontwikkeld kunnen worden als er opnieuw grote inspanningen worden geleverd. Kennis van het verleden is daarbij onontbeerlijk. 'We hebben onze hele geschiedenis nodig. Niet om erin terug te vallen, maar om te zien of we eraan kunnen ontsnappen.' En: 'Het verleden is onze herinnering aan onze vergissingen.' Door zijn ahistorische mentaliteit dreigt de massamens de beschaving die hem heeft voortgebracht om zeep te helpen.

Waarom noemde Ortega, gezien het gemakzuchtige, zelfgenoegzame karakter van de massamens, zijn boek eigenlijk niet De toestand van de massamens of De opmars van de massamens? Dat heeft te maken met Ortega's aanname dat er twee soorten mensen zijn, meesters en leerlingen: 'De samenleving is altijd een dynamische eenheid van twee factoren: selecte minderheden en de massa.' De massamens wil daar niets van weten. Zijn opstand bestaat erin dat hij zich niet laat leiden door een intellectuele aristocratie die de moderne beschaving verder moet helpen.

Maar deze onrustbarende stand van zaken kwam volgens Ortega ook voor rekening van de intellectuele elite, die het af had laten weten. Om te beginnen de politici, wier doel het is 'om meer verwarring te scheppen dan er eerst was'. Maar ook de wetenschappers krijgen ervan langs. Ortega verwijt hun dat ze zich opsluiten in hun specialisme en dat ze een brede visie missen op een wereld die steeds complexer wordt en daarom des te meer behoefte heeft aan wat wij nu generalisten noemen. Het ontbrak, kortom, aan de grote ideeën die de Europese beschaving nodig had. Wat dit betreft hoefden we volgens Ortega overigens weinig te verwachten van het volk, dat wel tradities, rituelen en geloofsovertuigingen voortbrengt, maar geen nieuwe ideeën.

Een Algemene Europese Staat

Ortega koppelt de opkomst van de massamens aan een andere ontwikkeling: de Europese natiestaatvorming, die in de negentiende eeuw zijn beslag had gekregen. Maar door de schaalvergroting - globalisering, zouden we nu zeggen - was de natiestaat in de twintigste eeuw een te klein jasje geworden voor de Europese landen. Het was daarom tijd voor wat Ortega een Algemene Europese Staat noemde. Belangrijker dan de verschillen tussen de Europese natiestaten was nu wat zij gemeen hadden. In het 'Voorwoord voor Fransen' dat hij later toevoegde aan De opstand van de massamens noemt hij vrijheid en pluriformiteit de twee kerneigenschappen van Europa en schrijft hij dat Europa een 'dynamische eenheid' is.

Wat hij hiermee bedoelde wordt duidelijk in het laatste en langste hoofdstuk van De opstand van de massamens, 'Wie heeft de leiding in de wereld?' Daarin stelt Ortega dat nationalisme en staat geen statische fenomenen zijn en dat ze niet gefundeerd zijn op etnische, taalkundige, culturele en geografische eigenschappen die met elkaar een nationale identiteit zouden vormen. De staat - dus ook de Algemene Europese Staat - is een project, een proces dat gedreven wordt door een breed gedragen wil om een staat te vormen. De massamens dreigde dat project in de wielen te rijden. Of liever gezegd: de massamens was een symptoom van Europa's gebrek aan zelfvertrouwen in zijn eigen bestemming.

Ortega voorspelde dat Europa na dertig jaar een catastrofe te wachten stond als de massamens de scepter zou blijven zwaaien. Deze voorspelling bleek aan de optimistische kant: nog geen tien jaar nadat La rebelión de las masas was gepubliceerd brak de Tweede Wereldoorlog uit. Die ramp bleek daarentegen niet de nekslag te zijn voor het grote Europese project dat Ortega's droomscenario vormde, al moet daar onmiddellijk aan worden toegevoegd dat er een grote kloof gaapt tussen de Europese Unie en wat Ortega in gedachten had met zijn toekomstbeeld van een Algemene Europese Staat.

Een van de kernpunten van Ortega's denken is dat hij het menselijk bestaan op alle niveaus als een voortdurend proces ziet. Het leven, de geschiedenis, Europa: alles is in beweging, alles is voortdurend in wording. Aan de basis van dit idee ligt zijn opvatting over wat het leven is: 'de wezenlijke confrontatie met gevaar en problemen.' Voor de mens, en met name de aristocratische intellectueel die richting zou moeten geven aan de loop van de geschiedenis, kan het leven daarom niets anders zijn dan een niet aflatende reeks grote inspanningen en offers. Met deze nadruk op de taken en plichten van de intellectuele aristocratie is De opstand van de massamens een uitgesproken moreel werk.

Het is moeilijk voorstelbaar dat Ortega geen rol voor zichzelf zag weggelegd in de verheffing van de massamens. Sterker nog: megalomanie was hem niet vreemd. Zo valt in de verleden jaar verschenen biografie van Jordi Gracia te lezen dat Ortega ervan overtuigd was dat hij de filosofische paraplu had bedacht die Einsteins relativiteitstheorie volgens hem ontbeerde. Hij had het er uitvoerig over met de natuurkundige toen deze in Madrid op bezoek was maar die begreep niet goed wat hij bedoelde, wat voor Ortega aanleiding was om Einstein te beschouwen als een typisch voorbeeld van de geborneerde wetenschapper die hij in De opstand van de massamens aan de schandpaal nagelt. Nog een voorbeeld: toen Heidegger in 1927 Sein und Zeit publiceerde, was Ortega er zeker van dat hij vijftien jaar eerder met het concept razón vital (vitale rede) de holistische visie op de relatie tussen bewustzijn en wereld al had geïntroduceerd waarmee de Duitse filosoof met zijn spraakmakende werk nu goede sier maakte.

Filosofie als houding

Ortega heeft zijn leven lang zijn best gedaan om iets te worden wat hij niet was: een van de grote, baanbrekende filosofen van de twintigste eeuw. Het is daarom tragisch dat hij er nooit toe is gekomen om de twee grote filosofische werken te voltooien die al heel lang door zijn hoofd spookten, La aurora de la razón histórica en El hombre y la gente. Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. De wereld om hem heen en de almaar uitdijende bibliotheek in zijn hoofd waren een niet aflatende aanleiding om het ene na het andere stuk te schrijven: essays, artikelen, voordrachten, colleges. Stukken die hij regelmatig bij elkaar zette in thematisch verwante bundels als De opstand van de massamens. Bundels die niet per se filosofisch van aard waren, maar vaak meer sociologisch of cultureel waren georiënteerd.

Een mooi voorbeeld van Ortega's manier van werken is ook Wat is filosofie?, de teksten van een reeks voordrachten die hij in dezelfde periode schreef en die een aantal jaar geleden opnieuw in het Nederlands is vertaald maar ten onrechte aan de aandacht is ontsnapt. Ook in Wat is filosofie? is een schrijver aan het woord die geen ideeën poneert maar verkent. Dat verklaart waarom hij in zijn teksten regelmatig meldt dat hij bepaalde ideeën verder zal uitwerken in nog te schrijven werken en dat hij om de haverklap het voorlopige en onvolledige benadrukt van wat hij op papier heeft gezet (al hield dit laatste natuurlijk ook verband met zijn overtuiging dat zijn belangrijkste werken nog geschreven moesten worden). Kenmerkend voor Ortega is ook dat hij filosofie zag als een houding, de hoogste waarover we beschikken om onze wereld en ons bestaan te duiden.

Ortega is nooit de grote systeembouwer geworden die hij graag had willen zijn. Altijd is hij een speculatieve, dynamische denker en schrijver gebleven die niet boven maar midden in de werkelijkheid dacht en schreef. Aan abstracties had Ortega niet speciaal een broertje dood, maar dat waren voor hem geen vaste of ultieme waarheden, het waren hulpjes bij het brede denken waarvoor hij zijn leven lang op de bres stond. Het leven, de geschiedenis, daar ging het om.

Spaanse reus

Ortega deed wat hij niet laten kon: stukken schrijven over de mens en zijn omstandigheden, die hij als één organisch geheel beschouwde. Nooit heeft hij helemaal kunnen accepteren dat zijn grote kracht lag in het dwalende denken dat dankzij zijn rotsvaste en pijlscherpe pen zelden uit koers raakte. Een prachtig voorbeeld van dit dolende denken en schrijven is het al eerder genoemde 'Voorwoord voor Fransen', dat hij in 1937 in Oegstgeest schreef en dat in feite een aaneenrijging van superieure terzijdes is. Het stuk is in de uitgave van deze nieuwe vertaling opgenomen, die alleen daarom al de moeite meer dan waard is.

Ver vóór het poststructuralisme schreef Ortega al over de onmogelijkheid om elkaar via taal te begrijpen. Opmerkelijk is ook zijn omschrijving van links en rechts als 'twee van de ontelbare manieren die de mens ter beschikking staan om een imbeciel te zijn'. Ook keek ik op van de passages waarin hij schrijft over de bedreigingen die China en de islam voor Europa zouden vormen ('de paardenstaart van een Chinees die opduikt in de Oeral, of een geweldige uitbarsting van het islamitische magma').

Ook in De opstand van de massamens zelf slaat Ortega zijpaden in die ik niet graag had willen missen. Zo legt hij haarscherp uit waarom ijdeltuiten andere mensen nodig hebben, waarom de concepten waarmee we onze wereld proberen te begrijpen per definitie ironisch zijn en waarom een Spanjaard zo graag met ons meeloopt als we hem de weg vragen.

Ortega's werk is misschien wel meer literair dan filosofisch of sociologisch. Met deze kwalificatie wil ik geen afbreuk doen aan zijn denken, maar juist de eigenzinnige kracht ervan onderstrepen. Ortega is een groot schrijver. Het is daarom te hopen dat De opstand van de massamens en Wat is filosofie? de aftrap zullen vormen van een literaire doorstart in ons land van het in alle opzichten kolossale oeuvre dat deze Spaanse reus bij elkaar schreef.

Maarten Steenmeijer is literair vertaler, criticus voor de Volkskrant en hoogleraar Spaanse Letterkunde en Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

MINDBOOKSATH : athenaeum