Recensie: Het verhaal moet je zelf maken

25 november 2015 , door Helen Westerik
| | | |

Zaterdag 25 april opende in Eye de tentoonstelling If We Ever Go To Heaven met het werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge. In de speciaal hiervoor gemaakte, ruim vijfenveertig meter lange fries trekt een parade langzaam aan het publiek voorbij. NAI/010 publiceerde de catalogus, net als dit werk More Sweetly Play the Dance getiteld, met een prachtige leporello van de fries. Achtergronden en inspiratiebronnen en vooral heel veel illustraties geven een extra dimensie aan de door Kentridge geschapen wereld.
Door helen westerik.

Kentridge laat in het midden of de fries een religieuze processie voorstelt, of een protestmars, een dodenmars of een misschien vrolijker tafereel. Wat je ziet is een achtergrond van animaties met houtskooltekeningen en acteurs die uit karton vervaardigde props dragen. De attributen lopen uiteen van portretten tot typmachines tot infusen. De mensen en de muziek zijn Afrikaans. Het roept associaties op met anti-apartheidsmarsen (Kentridges ouders waren anti-apartheidsadvocaten) maar, door de infusen, ook met de AIDS-crisis in Afrika. En hoewel hij geen propagandistische of eendimensionale politieke kunst maakt, gaat zijn werk altijd heel sterk over het sociale klimaat in Zuid-Afrika.

Zijn die mensen verslagen of juist niet, zijn ze strijdbaar? Je kunt geen eenduidige lezing uit het werk halen. Gelukkig niet. Maar het fascineert en het overweldigt. De catalogus geeft meer achtergrond, maar ook geen uitsluitsel. Ook hierin nodigt Kentridge je uit om zelf te kijken en zelf een verhaal te maken.

Dance macabre?

De titel van dit werk geeft ook geen uitsluitsel: 'More Sweetly Play the Dance'. Tenminste, todat je hoort dat deze titel ontleend is aan een zin uit de 'Todesfuge', het meest bekende gedicht van Paul Celan. Kentridge zei tijdens de opening dat hij die zin nooit helemaal heeft begrepen, maar dat deze hem altijd fascineerde. Dance is in Celans origineel Death. Celans gedicht gaat over de vernietigingskampen waar zijn ouders in omkwamen. En ineens voelt de processie wat beklemmender aan. De zin blijft mysterieus, evenals het werk. Het zou loodzwaar en drammerig kunnen zijn, maar dat wordt het nergens.

In de tentoonstelling, maar niet in de catalogus: De Neus en de Revolutie

'I Am Not Me, the Horse Is Not Mine' is de intrigerende titel van een werk dat uit acht videoschermen bestaat. Het blijkt een Russische plattelandsuitdrukking te zijn, die gebruikt wordt als verontschuldiging. Ook hier is er een literaire link, en wel met het verhaal 'De neus' van Gogol. Het werk stamt uit 2008, twee jaar voordat Kentridge de operaversie van Sjostakovitsj' De Neus regisseerde. 'I Am Not Me' beslaat een hele zaal. Er is geen ontkomen aan. Waar je ook kijkt word je ondergedompeld in de wereld van Kentridge, waarin zwart-wit de boventoon voert en verschillende animatietechnieken refereren aan de hele kunstgeschiedenis, de film- en pre-filmgeschiedenis, met de Russische avant-garde in een prominente rol. Niet verwonderlijk, want Kentridge toont transcripties van de gesprekken waarin bolsjewiek Nikolai Bukharin zich verdedigt tegenover zijn voormalige kameraden, twee jaar voor zijn schijnproces en zijn executie. Ook hier is er de grimmige ondertoon met het luchthartige gevoel van sommige panelen dat maakt dat je je vinger niet helemaal op kunt leggen.

Tot slot is 'Other Faces' te zien, deel uit de reeks Drawings for Projection. Mooi, intiemer, minder theatraal dan zijn andere werken. Het is ook directer in de link met het apartheidsverleden. Deze animatie gaat over een autobotsing tussen een witte industrieel en een zwarte priester. Beiden komen vaker in zijn werk terug. De botsing is een botsing tussen culturen en geschiedenissen. Bekend terrein voor Kentridge, die in Johannesburg opgroeide. De film is gemaakt door steeds opnieuw houtskooltekeningen te filmen en uit te vegen, gefilmd op vijfendertig milimeter. Opnieuw is het medium, het efemere van het houtskool perfect om de film uit te tillen boven het strikt politieke, naar het poëtische.

De catalogus

De catalogus bij de tentoonstelling is dus gewijd is aan 'More Sweetly Play the Dance'. Het boek belicht de verschillende ideeën achter de processie, de ontstaansgeschiedenis van het werk (op de uitnodiging van Eye en Lichtsicht, als een project voor de biënnale in Bad Rothenfelde). Het mooie van de catalogus is dat deze, zoals gezegd, net als het werk zelf geen eenduidige uitleg geeft van de fries, maar een aantal handvatten biedt voor interpretatie. Eye-curator Jaap Guldemond gaat in op de schaduwen die Kentridge gebruikt en waarmee hij onder meer refereert aan Plato's allegorie van de grot.

Kentridge zelf schrijft over de manier waarop het werk gemaakt is. De techniek en de manier waarop sommige props in de film terecht zijn gekomen en hoe hij de processie filmde. Hij vertelt over de context, de ebola-epidemie die heerste toen hij aan het filmen was bijvoorbeeld. Maar ook over andere elementen. De kerken in Zuid-Afrika, waar de kerkgangers dansen tot ze in trance zijn. De mensen aan de onderkant van de samenleving in Johannesburg, die nog voor de ochtend begint vuilnis verzamelen voor een paar grijpstuivers. Hieruit kun je als lezer, kijker of bezoeker van de tentoonstelling je eigen verhaal destilleren. Want hints zijn er te over, maar het verhaal moet je zelf maken.

If We Ever Go To heaven bevat drie werken die zo rijk zijn dat een enkel bezoek eigenlijk niet volstaat. Ik kan niet wachten om terug te gaan en me opnieuw onder te dompelen. Gelukkig heb ik een boek in huis om in ieder geval één van de werken opnieuw te zien.

Helen Westerik is rubrieksbeheerder filosofie, film en media bij Athenaeum Boekhandel. Ze is filmhistorica en schrijft ook voor cultureelpersbureau.nl.

MINDBOOKSATH : athenaeum