Recensie: Het verslag van een helletocht

25 november 2015 , door Martin Smit
| | | | |

‘Papa!’ roept de jongen naar zijn vader. Hij wil in de buurt van zijn vader zijn. Hij loopt in diens nabijheid, maar hij komt niet naast hem. Hoe is het met zijn vader, vraagt hij zich voortdurend af. Hijzelf moet dan nog geboren worden, en toch is hij er. De Franse tekenaar Jacques Tardi voert zichzelf op als vragende jongeling en volgt de dodenmars die zijn vader als Duits krijgsgevangene moet maken. Het is een ontdekkingstocht en zoektocht naar het verleden van zijn vader. Was de hel ooit dichterbij dan in Ik, René Tardi, krijgsgevangene in Stalag IIB? Door martin smit.

ue

Notitieboekjes

De Franse striptekenaar Jacques Tardi, onder andere bekend van zijn ‘eeuwigdurende’ serie Isabelle Avondrood, van zijn vierdelige epos over de Commune van Parijs – De stem van het volk - en van zijn realistische verhalen over de Eerste Wereldoorlog – Loopgravenoorlog en De grote slachting – publiceerde onlangs het tweede deel van Ik, René Tardi, krijgsgevangene in Stalag IIB. Het is het verhaal van zijn door de Duitsers gevangen genomen vader tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tardi (1946), actief als tekenaar sinds de jaren zeventig, publiceerde drie jaar geleden het eerste deel van Ik, René Tardi, krijgsgevangene in Stalag IIB. Het zojuist verschenen tweede deel, Mijn terugkeer naar Frankrijk, is opnieuw gebaseerd op kleine, summiere notitieboekjes die zijn vader bijhield tijdens diens vijfjarige Duitse gevangenschap.

In juni 1940 werd een deel van Frankrijk in snel tempo door het Duitse leger veroverd. De Franse krijgsmacht kon niet opboksen tegen de Duitse overmacht. De Franse militairen die door de Duitsers krijgsgevangen werden gemaakt, werden overgebracht naar in Duitsland en Polen ingerichte kampen. De vader van tekenaar Tardi was bestuurder van een Franse tank, toen hij tijdens de Duitse inval gevangen genomen werd en overgebracht werd naar het krijgsgevangenkamp Stalag IIB in Polen.

Genoteerd in een keurig, secuur handschrift, hield René Tardi vanaf dat moment nauwgezet zijn belevenissen bij in kleine notitieboekjes. Pas na vijf jaar in gevangenschap wist hij het bevrijde Frankrijk te bereiken. Toen Jacques Tardi opgroeide werd er thuis over de oorlog nauwelijks gesproken. Wat zijn vader in de oorlogsjaren had meegemaakt kwam hij pas te weten toen hij jaren later diens boekjes met aantekeningen vond. In de jaren tachtig vroeg Tardi hem ook zijn herinneringen aan die jaren op papier te zetten. Zijn vader overleed in 1986. De schriftjes hielden Tardi echter bezig. De afgelopen jaren zette hij de belevenissen van zijn vader om in een stripverhaal.

Overleving

De strips die Tardi tekende over de Eerste Wereldoorlog geven onverbloemd de rauwe werkelijkheid weer van die oorlog. Hij tekent graag over de oorlog, dat is duidelijk, maar allerminst om deze te verheerlijken. Integendeel, zijn standpunt is duidelijk: oorlog is een van de verschrikkelijkste dingen die een man, een vrouw, een gezin of een familie kan overkomen. Het zijn de generaals die met de eer gaan strijken, maar de gewone man of vrouw moet letterlijk het vuile werk opknappen. De generaals, en hun opdrachtgevers - regeringen en staten - zijn de ware misdadigers in een oorlog. Van de consequenties van hun handelen voor de bevolking hebben ze nauwelijks besef.

De strips van Tardi zijn een aanklacht tegen die staten en regeringen, door onopgesmukt de dagelijkse oorlogsellende in beeld te brengen. Het verhaal van krijgsgevangenen in Duitse kampen is een minder bekende episode uit de Tweede Wereldoorlog. Stalag IIB is een traag verhaal, maar daarom niet minder boeiend. Het toont de monotone, dagelijkse gebeurtenissen die de gevangenen meemaken: opstaan, bezoek aan de latrine, proberen iets te eten te krijgen, de ruzies met bewakers en het einde, de dood van vele medegevangenen. Maar zelfs dat wordt in hun armzalige bestaan gewoon routine. Het is vechten voor jezelf, voor je overleving. En ergens is er dan nog die gedachte aan thuis, aan een geliefde, aan familie.

Dodenmars

De vader van Jacques Tardi worstelt zich letterlijk naar het mogelijke feestelijke weerzien met zijn geliefde in Frankrijk. Maar voor het zover is en hij niet weet of hij dat moment ooit zal bereiken, beleeft hij een tocht naar de hel. Hij legt honderden kilometers af in wat later als dodenmarsen te boek kwam te staan. Door de opmars van de Sovjettroepen werden krijgsgevangenen vanuit de kampen in Polen gedwongen met duizenden van het oosten naar het westen te trekken.

De belevenissen van Tardi’s vader vormen de grondslag voor deze stripalbums. In dit nieuwe deel volgt Tardi de tocht die zijn vader moest maken op de voet. Dankzij diens nauwkeurige notities – ‘de 12e april, Zidderich-Bülow, 20 km en nog wat’, ‘de 19e, Pekatel-Gammelin 22 km’, -  ontstaat een beeld van de verschrikkingen die de gevangen moeten hebben doorgemaakt: de Duitse beulen, de magere rantsoenen, de luizen, de ratten, het verlangen naar een stukje vlees, het doodschieten van gevangenen die niet meer mee kunnen komen.

Zoals altijd voor zijn strips, verrichtte Tardi ook voor dit verhaal een uitputtende research. Hij reisde de hele route van de dodenmars van zijn vader na, nam foto’s van locaties, steden en dorpen, en kon op die wijze enkele onjuistheden in diens verslag corrigeren en de decors van het verhaal uiterst gedetailleerd neerzetten.

Kleuren

Net als in het eerste deel is in dit tweede deel nauwelijks sprake van kleur. Consequent maakt Tardi drie brede tekeningen onder elkaar per pagina, even grauw en grijs als de werkelijkheid die hij in beeld brengt. Op de tekeningen overheersen het wit van de sneeuw, het grijs van de uniformen, de wolken, de regen en de geleefde, uitdrukkingsloze gezichten van de voort slenterende mannen. Op enkele pagina’s is minimaal de kleur rood gebruikt: voor bloed, een Rode Kruis-auto of een hakenkruisvlag. Slechts éénmaal zijn een aantal pagina’s helemaal rood: bij een gruweldaad die zijn vader begaat. Maar het einde van het verhaal is niet zonder reden volop in kleur.

Een verhaaltechnische vondst -  zonder meer van literair gehalte – is dat Tardi zichzelf als jongeling in het verhaal opvoert. De jonge Jacques is voortdurend in de nabijheid van zijn vader, hij loopt mee met de colonne gevangenen, hij observeert en geeft commentaar op de gebeurtenissen. Hij en zijn vader voeren gesprekken – die natuurlijk in werkelijkheid pas veel later plaats vonden - en hij vraagt door over onduidelijkheden in diens verhaal.

Door de data die zijn vader opschrijft te koppelen aan oorlogsgebeurtenissen die elders plaatsvinden en waar de gevangenen geen weet van hebben, zoals de bombardementen op Dresden en Hamburg, de V2-fabrieken in Peenemünde, waar de gevangenen langs trekken, of de veldslagen die de Duitsers verliezen van het oprukkende Sovjetleger, plaatst Tardi de persoonlijke belevenissen van René Tardi in een breder kader. Op die manier krijgt de lezer een kleine geschiedenis van de nadagen van de Tweede Wereldoorlog door de ogen van een vragenstellende puber en een bijna op sterven na dood zijnde krijgsgevangene.

Martin Smit is redacteur van het tijdschrift De As, publiceerde artikelen in De As, De Parelduiker en Leovardia, en is medewerker van Athenaeum Nieuwscentrum.

MINDBOOKSATH : athenaeum