Recensie: Mondriaan, schilder

25 november 2015 , door Pieter Hoexum
| | | | |

Jan Bors essay Mondriaan filosoof is een bijzonder geval. Ondanks de geringe omvang van zo'n 125 pagina's kun je het gerust een levenswerk noemen – over het leven van de schilder en dat van de auteur. Het is dan ook het beste het in kleine beetjes tot je te nemen, iedere dag een eetlepel, met druppels over Bor in Japan en zen in Mondriaan, over kijken en schrijven en denken. Het maakt je een beter mens.
Door pieter hoexum.

N.B. Meer Mondriaan? We publiceerden voor uit Léon Hanssens biografie van zijn Parijse jaren, De schepping van een aards paradijs. En we deden dat uit de Amsterdam Museum-catalogus Mondriaan in Amsterdam 1892-1912.

Mondriaan geen filosoof

Mondriaan filosoof is natuurlijk — de titel zegt het — een essay over Mondriaan, maar het is ook een soort autobiografie van Jan Bor. Al met al is het een behoorlijk complex geheel geworden, maar even complex en schitterend als Mondriaans Victory Boogie Woogie, waar het vaak over gaat.

Je wordt ook regelmatig op het verkeerde been gezet, ik wel althans. Dat begon al met de titel, die maakte dat ik begon te lezen met het idee dat dit precies de verkeerde benadering van Mondriaan en schilderkunst in het algemeen zou zijn. Bij de grote overzichtstentoonstelling van Mondriaan in 1994 in het Gemeentemuseum Den Haag stond ook al in verschillende kranten dat Mondriaan eigenlijk filosoof zou zijn geweest. Ik vond dat toen al grote onzin, vooral ook omdat uit de tentoonstelling nu juist bleek dat Mondriaan een schilder bij uitstek was, en vreesde nu dat ook Bor van Mondriaan een filosoof op canvas zou maken. Maar al op de eerste bladzijde blijkt dat Mondriaan wat Bor betreft géén ideeënschilder is; het gaat volgens Bor bij Mondriaan niet om het idee achter het doek, maar om de verf op het doek.

Bor en zen

Juist, zeer juist zelfs... Maar hoezo dan die titel Mondriaan filosoof? Voordat je daar antwoord op krijgt, krijg je eerst (een versie van) het levensverhaal van Bor. Hij groeide op in een ‘nogal benard negentiende-eeuws artistiek milieu’, met een vader die ‘niet onverdienstelijk kunstschilder’ is. In zijn tienerjaren bevrijdt Bor zichzelf door het Stedelijk Museum in Amsterdam te bezoeken, met name tentoonstellingen zoals Bewogen beweging: daar was natuurlijk niets benard of negentiende-eeuws aan. Hij leerde er ook Mondriaans schilderijen kennen, maar kon er toen nog niets bijzonders in zien.

Dat kwam pas tien jaar later, nadat hij terugkeerde van een lang verblijf in Japan. Hij was wel filosofie gaan studeren, maar daar blijkbaar van de regen in de drup beland, want hij raakte ‘existentieel op een dood spoor’. Ten einde raad reisde hij naar Japan om daar zen te beoefenen, want als ze ergens verstand van het Niets en de Leegte hebben, dan is het wel in zen-kloosters. Dat klinkt allemaal nogal heftig, maar Bor weet zijn neiging tot mateloosheid goed verteerbaar te maken met laconieke opmerkingen zoals: ‘Waarom ik er zen ging doen? Dat wist ik toen niet precies en dat weet ik eigenlijk nog steeds niet helemaal goed.’

Mondriaan amateurfilosoof

Verlicht of niet, bij terugkomst in Nederland blijkt Bor in elk geval ontvankelijk voor Mondriaans schilderkunst. Hij citeert uit een artikel van zichzelf uit de jaren negentig: kijkend naar een Compositie van Mondriaan uit 1922, had hij...

‘… het gevoel er door te worden opgezogen: het ritme van de lijnen, vlakken kleuren, de perfecte harmonie van het geheel, deden me mijzelf een ogenblik vergeten. Alsof ik werd uitgetild boven de gefragmenteerde wereld van alledag en werd binnengevoerd in een wereld, niet van stilstand maar van een gespannen evenwicht. Een gevoel van ontroering maakte zich van mij meester.’

Dat is mooi gezegd, maar nu begint het weer complex te worden, want in dit nieuwe, grotere essay komt Bor terug op zijn eigen eerdere teksten over Mondriaan. Destijds wilde Bor namelijk de min of meer filosofische teksten die Mondriaan geschreven heeft, serieus nemen en ze zelfs als uitgangspunt nemen. Dat liep vast omdat Mondriaan toch een te amateuristisch filosoof bleek en er met een hutspot aan inspiratiebronnen een beetje een potje van maakte. Bor toont zich ondertussen zelf wel een kritisch en scherpzinnig filosoof, want hij geeft haarfijn de tegenstrijdigheden in Mondriaans denken aan.

Mondriaan zenfilosoof

Om een toch al lang verhaal kort te maken: in dit essay schuift Bor weliswaar Mondriaan de metafysicus ter zijde, maar benadrukt hij ook dat Mondriaan een zeer intuïtief werkende schilder is en als zodanig beïnvloed is door oosterse denkbeelden... Kort gezegd: Mondriaan is dan wel geen schilderende Plato, hij is toch wel een soort zen-schilder. Vandaar de titel van het essay: Mondriaan filosoof. Helemaal overtuigend vond ik dat niet, vooral niet omdat Bor steeds benadrukt dat Mondriaan ‘voorbij het denken gaat’. Als dat zo is, zou ik hem toch geen filosoof noemen, want zoals Coen Simon juist zegt: Filosoferen is makkelijker als je denkt.

Bor heeft wel gelijk als hij aan het slot schrijft dat Mondriaans schilderijen uiteindelijk wijzen op ‘een ervaring buiten de taal: een woordeloos zien, een woordeloze visie'. Maar dat gaat eigenlijk op voor iedere goede schilder en dat is ook wat mij zo aantrekt in schilderkunst. Ik kan me dat goed herinneren van een van de eerste intense kijk-ervaring die ik had, ook in het Stedelijk Museum in Amsterdam, namelijk tijdens de tentoonstelling La Grande Parade, de grootse afscheidstentoonstelling van Edy de Wilde in 1984. Daar was overweldigend veel te zien, vooral de Nieuwe Wilden, maar de doeken van Ellsworth Kelly maakten op mij een onuitwisbare indruk. Zijn Blue Curve bijvoorbeeld bood inderdaad een ‘woordeloze visie’.

Bor koelbloedig

Dit doek is overigens momenteel te zien tijdens de grote Matisse-tentoontelling, waar het zeer op zijn plaats is. Ik noem Kelly en Matisse vooral omdat zij worstelen met een probleem waar alle schilders mee worstelen, en dus ook Mondriaan. En dat is het probleem van het contrast tussen lijn en kleur, tussen schilderen en tekenen — die twee lijken onverenigbaar en toch moet elke schilder (en tekenaar) dat klaarspelen. Bij Bor krijg je de indruk dat hij meent dat het tamelijk uniek is voor Mondriaan dat hij worstelde met dit probleem, en dat dat samenhangt met zijn ‘filosofie’. Mondriaan is echter slechts uniek door de eigen oplossing die hij vond voor dit algemene probleem: namelijk door, zoals hij hij bijvoorbeeld in Victory Boogie Woogie deed, de lijnen op te laten lossen in kleurvlakjes. Ook Matisse en in navolging van hem Kelly, vonden oplossingen voor dit probleem, namelijk door te gaan ‘knippen’ in kleurvlakken en zo lijn en kleur als olie en azijn toch te mengen.

Ten slotte kunnen al deze bedenkingen nauwelijks als kritiek op Bors essay gelden. Want ook al zegt Bor herhaaldelijk het denken te willen loslaten en een sprong in het diepe te willen wagen, dat valt gelukkig allemaal nogal mee: Bor levert in dit essay fraaie staaltjes koelbloedig filosoferen en opent je bovendien de ogen voor Mondriaan.

Pieter Hoexum is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofen kwam uit in 2003, in 2014 verscheen zijn Kleine filosofie van het rijtjeshuis. Hij heeft ook een website: pieterhoexum.wordpress.com.

MINDBOOKSATH : athenaeum