Recensie: Mysterieuze metafictie kruipt onder de huid

23 november 2015
| | |

In Rien ne s’oppose à la nuit (2011) deed De Vigan op zeer indringende wijze verslag van haar jeugd en de zelfmoord van haar geesteszieke moeder. Met een miljoen verkochte exemplaren werd deze zeer dicht op de huid geschreven roman een bestseller. Datzelfde succes valt De Vigan nu ten deel met haar nieuwste boek D’après une histoire vraie, dat begin november terecht werd bekroond met de Prix Renaudot. De Vigan schreef een zeer indringende en intelligente psychologische thriller, die tot het verrassende einde de lezer voor dilemma’s blijft stellen. Door marjolein corjanus.

Autobiografie en autofictie

In de moderne Franse roman zijn op zijn minst twee belangrijke trends aan te wijzen: zowel het eigen zielenleven als de scheidslijn tussen feit en fictie worden uitgebreid onderzocht en beschreven. De plot, voor zover daar al uitgebreid sprake van is, raakt daarbij wel eens ondergesneeuwd, zodat de lezer zich achteraf kan afvragen wat het boek eigenlijk te zeggen had. In D’après une histoire vraie treft de lezer ook weer veel metafictionele bespiegelingen aan die ook nog voornamelijk over de psyche van de hoofdpersoon gaan. Het moet niet gekker worden.

Vervreemding

Maar toch. Dit boek van De Vigan heeft een buitengewoon knappe gelaagdheid. Zoals de mysterieuze L. zich nestelt in het leven en hoofd van hoofdpersoon ‘Delphine’, zo kruipt dit boek onder de huid van de lezer. L. (wat in het Frans natuurlijk doet denken aan ‘elle’) komt in Delphines leven in een periode waarin de laatste zich erg kwetsbaar voelt. Haar kinderen verlaten het ouderlijk huis en haar partner moet voor een belangrijke opdracht regelmatige langere perioden naar het buitenland. Daarnaast worstelt Delphine met haar mediabekendheid sinds het succes van haar laatste boek. Ze moet omgaan met de druk van haar lezerspubliek en ervaart het bovendien als zeer vervreemdend dat haar lezers zich een beeld van haar vormen dat niet altijd strookt met de werkelijkheid. Een medewerkster van het fameuze onderzoeksinstituut CNRS interviewt haar zelfs over haar médiatisation.

Comme une méduse

Delphine, die ook nog eens worstelt met een writer’s block, denkt aanvankelijk in L. een echte vriendin te hebben gevonden, die haar in deze moeilijke periode kan bijstaan. L. fascineert en intimideert Delphine en isoleert haar langzamerhand van haar omgeving, terwijl Delphine er steeds meer van overtuigd raakt dat alleen L. haar uit haar impasse kan helpen. Ondertussen neemt L. niet alleen haar leven maar ook haar werk over. Ze begint zelfs op Delphine te lijken en terwijl de laatste tot niets meer komt en zich leeggezogen voelt, lijkt L. energieker dan ooit.

‘Parfois me vient l’image un peu galvaudée d’une araignée qui aurait tissé sa toile avec patience, ou d’une pieuvre aux multiples tentacules, dont j’aurait été prisonnière. Mais c’était autre chose. L. était plutôt une méduse, légère et translucide, qui s’était déposée sur une partie de mon âme. Le contact avait laissé une brûlure, mais elle n’était pas visible à l’oeil nu. L’empreinte me laissait en apparence libre de mes mouvements. Mais me reliait à elle, bien plus que je ne pouvais l’imaginer.’

Die absurde, symbiotische relatie vormt de spanningsboog van het boek. De lezer vraagt zich al snel af hoe dit af gaat lopen en hoe de goedgelovige en kwetsbare Delphine uit deze wurggreep kan ontsnappen.

Stephen King

D’après une histoire vraie is dan ook veel meer dan de zoveelste autofictie-roman, het is ook een psychologische thriller. In interviews heeft De Vigan zich laten ontvallen graag een eerbetoon te willen schrijven aan Stephen King, van wie drie citaten in het boek zijn opgenomen. Er gaat iets dreigends uit van L. en Delphine lijkt daar geen antwoord op te hebben. In het boek zitten een aantal onvervalste schokeffecten, waarvan je als lezer meteen rechtop gaat zitten.

Zo vertelt L. al vroeg dat ze linkshandig is, net als Delphine, wat meteen een band schept. Totdat Delphine ziet dat L. juist met rechts schrijft en eet. Het is een griezelig scène. Vanaf het begin van haar contact met L. ontvangt Delphine anonieme dreigbrieven en het blijft in het ongewisse of deze van L. afkomstig zijn of niet. L. is altijd net in de buurt om Delphine te troosten als ze weer zo’n nare brief ontvangen heeft en duikt ook heel toevallig op als Delphine op raadselachtige wijze van de trap is gevallen en haar voet heeft gebroken. Delphine is voor alle zorg afhankelijk van L.: de emprise mentale is compleet. En de dreiging blijft niet bij woorden alleen.

Alter ego

L., die werkt als biograaf en ghostwriter, is van mening dat fictie als romanvorm heeft afgedaan. Een compleet verzonnen personage kan nooit het effet du réel hebben dat een persoon van vlees en bloed biedt. Bovendien zijn ‘waargebeurde verhalen’ de grote en dwingende wens van het lezerspubliek en nu Delphine eenmaal een autobiografische roman heeft gepubliceerd, is er geen weg meer terug, betoogt L. Delphines nieuwste fictieproject, waarover ze aarzelend vertelt, wordt door L. genadeloos getorpedeerd. Een tijdlang vormt dit project nog een houvast in Delphines inspiratieloze leven en een toevluchtsoord buiten het bereik van L., totdat al haar aantekeningen gestolen worden tijdens een metrorit samen met, uiteraard, L.

De discussies die de twee schrijfsters voeren doen meermaals aan als een twistgesprek tussen twee alter ego’s, waarbij de vraag zich voordoet of L. niet eerder een holle afspiegeling van Delphine is. Autofictie is dan niet alleen over jezelf schrijven, maar ook jezelf omschrijven. ‘Write yourself, you will survive,’ wordt er ergens in het boek gezegd. En wie de werkelijkheid verbeeldt, laat altijd de verbeelding toe. De Vigans roman is dan ook een reflectie op de vocation performative van de literatuur en op literatuur als machtsmiddel. Het moet een vervreemdende ervaring zijn om te verkeren in een milieu van schrijvende vrienden die allemaal schrijven over hun leven. De vergelijking met reality-tv en zelfs de film The Truman Show dringt zich op. Heeft De Vigan de paranoia van iedere (autofictie-)auteur verbeeld?

Non, ce n’est pas moi

Het derde en laatste gedeelte van D’après une histoire vraie is getiteld ‘La Trahison’. Maar lang blijft onduidelijk wie nu wie verraadt. Delphine besluit haar nieuwste boek over L. te schrijven, maar het levensverhaal dat L. haar vertelt, blijkt samengesteld uit citaten uit Delphines eigen boekenkast. Dat wil echter nog niet zeggen, merkt Delphine op, dat het niet ook echt gebeurd kan zijn.

Wat de lezer nog meer verwarring kan brengen is het feit dat D’après une histoire vraie nadrukkelijk een reconstructie is. Delphine beschrijft haar ervaringen achteraf, met behulp van aantekeningen maar haar relaas is doorspekt met onzekerheden als ‘je crois que’, ‘peut-être’ en ‘je ne suis pas sûre.’ Zo worden de twijfels van de vertelster die van de lezer.

Daarnaast heeft de enigszins mediaschuwe De Vigan niets los willen laten over de feitelijke achtergrond van haar boek: ‘Si je réponds à cette question, j’ai l’impression d’annuler tout le questionnement que j’ai mis en place. [...] Ce qui m’intéresse, c’est le voyage que j’invite les lecteurs à faire dans ce questionnement.’ En de pasfoto’s op het boekomslag zijn niet van De Vigan zelf: ‘Non, ce n’est pas moi. La personne qui est sur les photos aura peut-être un jour envie de dire qui elle est mais ce n’est pas à moi de le faire.’ Die geheimzinnigheid zette sommige Franse journalisten er zelfs al toe aan De Vigans eigen gangen na te gaan. Zo ontstaat steeds weer een extra laag mysterie die het boek omkleeft, als een heus droste-effect.

Ik zal hier de ontknoping van De Vigans ingenieus opgebouwde roman niet verraden, het is aan de lezer om de intense leeservaring die D’après une histoire vraie biedt, zelf te ondergaan.

Marjolein Corjanus is freelancevertaler en -redacteur en daarnaast zelfstandig onderzoeker op het gebied van de Franse letterkunde. Eerder schreef zij voor literair blog De Papieren Man.

MINDBOOKSATH : athenaeum