Recensie: Realpolitiker of idealist?

25 november 2015 , door Tom Hofland

Henry Kissinger, een van de meest geprezen en verafschuwde politici van de tweede helft van de twintigste eeuw, is een uitstekend onderwerp voor een brede biografie. Hij werkte onder Richard Nixon en Gerald Ford, en won in 1973 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn inspanning om de Vietnamoorlog te beëindigen. Maar tegelijkertijd gingen er ook stemmen op om hem te vervolgen voor misdaden tegen de menselijkheid. De Britse historicus Niall Ferguson tracht beide zijden van deze figuur te belichten in een tweedelige biografie, waarvan Kissinger: 1923-1968, het eerste deel, eind september verscheen.

N.B. Op 26 oktober vertelt Niall Ferguson bij het John Adams Institute over zijn biografie. U kunt hierbij aanwezig zijn. Plus: wij bieden Kissinger: 1912-1968 goedkoper aan: elders € 51,50, bij Athenaeum € 34,95.

Een tragedie van onmogelijke keuzes

Dit eerste deel gaat over de periode voordat Kissinger in 1969 onder Nixon definitief het Witte Huis betrad. Fergusons centrale stelling is dat Kissinger, in ieder geval in de beschreven periode, niet de harde machtspoliticus was waar hij later vaak voor aangezien werd. In plaats daarvan stelt hij dat Kissinger een academisch idealist was die, in de traditie van Woodrow Wilson, geloofde dat in internationale betrekkingen macht ondergeschikt moet zijn aan idealen. Ferguson onderbouwt dit met een uitgebreid relaas over de jonge(re) jaren van de staatsman: van zijn jeugd als Joods kind in nazi-Duitsland en de vlucht naar Amerika, via de terugkeer naar Duitsland in het Amerikaans leger in de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog, tot de daaropvolgende periode als student en beginnend academicus aan Harvard. Met behulp van van Kissingers persoonlijke archieven schetst Ferguson het beeld van een historicus die de internationale diplomatie beschouwt als een tragedie van onmogelijke keuzes.

De stelling dat Kissinger gezien moet worden als idealist loopt echter flink wat averij op wanneer het boek de jaren zestig betreedt. Aan de ene kant is Kissinger kritisch over het amorele pragmatisme van de Kennedy-regering, met name waar het Berlijn betreft. Maar aan de andere kant doet hij wel zijn uiterste best om het logische gevolg van een principiële opstelling over Berlijn (kernoorlog) te vermijden via kunstgrepen als 'beperkte kernoorlog'. Daarnaast stelt hij dat het gebruik van bijvoorbeeld staatsgrepen door de VS best gelegitimeerd kunnen worden om de 'psychologische oorlog' tegen de Sovjet Unie te winnen. Op momenten lijkt het daardoor alsof Ferguson vooral bezig is met het verdedigen van zijn onderwerp waar een kritischer benadering en meer nuance gepaster waren geweest. Zo wordt uit Kissingers doctoraalscriptie over het Congres van Wenen wel erg makkelijk afgeleid dat zijn voorkeur uitging naar de door ethiek gedreven Brit Henry Robert Stewart in plaats van naar meesterstaatsman maar realpolitiker Klemens Wenzel Lothar von Metternich uit Oostenrijk.

Een zeer invloedrijke speler in de Koude Oorlog

Ferguson is vooral op stoom wanneer hij Kissingers in een historische context plaatst. Zijn beschrijving van de absurde ontwikkelingen in Hitler-Duitsland is zowel verschrikkelijk als intrigerend. En de auteur slaagt er bijzonder goed in om de bizarre sfeer van de Koude Oorlog te schetsen, bijvoorbeeld de (achteraf onnodige) opschudding over de missile gap, de vermeende voorsprong van de Russen op het gebied van rakettechnologie. Ook de Amerikaanse politiek komt ruimschoots aan de orde, met een focus op de intriges binnen de Republikeinse Partij die Nixon (en daarmee Kissinger) uiteindelijk aan de macht zouden brengen. Het boek leest dan ook als een interessante collectie verhalen over internationale en Amerikaanse politiek in de periode van 1923 tot 1968.

Wat Fergusons werk een beetje gekunsteld aan doet voelen in dit deel, is dat de alle feiten waar Kissinger later in de publieke opinie voor is aangevallen (Cambodja, Chili) nog moeten plaatsvinden. Ferguson probeert als het ware bij voorbaat al te bewijzen dat deze gebeurtenissen niet het gevolg zijn van een cynische realpolitische opvatting van de wereldpolitiek à la Bismarck maar van een door idealen gedreven idee van wereldorde en Amerika's plaats daarin, zeker in de Koude Oorlog. Een volledig oordeel over zijn rehabilitatie van Kissinger zal daarom moeten wachten tot het verschijnen van het tweede deel van de biografie. Desondanks biedt het eerste deel van Kissinger een verhelderende inkijk in de ontwikkeling van een zeer invloedrijke speler in de Koude Oorlog.

Tom Hofland studeerde filosofie, politiek en economie in Oxford en volgt nu rechten en geschiedenis aan de UvA. Hij is hoofdzakelijk geïnteresseerd in klassieke en moderne geschiedenis en schrijft een scriptie over de Irakoorlog van 2003.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum