Recensie: Verdediger van het bastion van de Hoge Literatuur

25 november 2015 , door Fleur Speet
| | |

Criticus Arie Storm schreef een nieuw schrijftipboek, Het schrijven van een roman. Met veel leeshuiswerk, handige lijstjes, en een poëtica die heel erg op die van de romancier Arie Storm lijkt. Maar vooral een poëtica die gemakzuchtige pulp vermijdt. En lessen. De leraar Arie Storm laat zien hoe de echte schrijvers het doen, en neemt je mee naar een wereld waar plot er minder toe doet, stijl effectief moet zijn, en waar humor niet mag ontbreken. Maar vooral is Storm een uitdager in dit boekje. Hij wil prikkelen tot échte romans. En prikkelen doet hij, vindt fleur speet.

Verleiden met kundigheid

In Het schrijven van een roman kun je heel wat tips vinden over verleiden met kundigheid. Eerder al schreef Storm daarover in De X-files van de literatuur (2005) en Het onontkoombaar eigene van de Nederlandse roman (2009), schrijftipboeken waaruit hij passages en citaten overneemt, waardoor Het schrijven van een roman lijkt op een geactualiseerde, ingedikte (eigenlijk te korte) reprise. Het nieuwe schrijftipboek verscheen echter bij een andere dan Storms gebruikelijke uitgeverij, in de serie Querido Academie, waar potentiële schrijvers het vak kunnen leren op (de naam zegt het al) academisch niveau. Storm gaf les aan Schrijversvakschool ’t Colofon en was tot september vorig jaar gastdocent aan de Vrije Universiteit.

Goed. Wat nu te doen? Allereerst moet je om te leren schrijven uiteraard veel lezen en daarbij de juiste vragen stellen. Daarom citeert Storm veel uit zijn favorieten (de bekende Nabokov, Banville, Bellow, Salinger, Kellendonk, maar ook Messud en Dibbets: niemand is obscuur). Al stelt hij weinig vragen, hij laat zien hoe de vaklui het dóen. Hij geeft de antwoorden, als een leraar, met veel 'moeten'.

Slapstick

Direct valt op hoe hij glashard het adagium ontkracht dat je je personages in alle situaties moet kennen. De geijkte vraag ‘Wat zou hij of zij doen als de lift blijft hangen?’ hoef je niet meer te stellen, want een roman is niet het leven zelf, de roman moet op het leven lijken. En dus hoef je slechts te gebruiken wat nodig is (dat laatste verzin ik er zelf maar bij, want Storm legt dat niet meer uit, hij gaat verder met de mededeling dat het personage belangrijk moet zijn; ja, ammehoela, wat anders).

Storm presenteert drie handige lijstjes voor aan de muur: 1. de veertien punten over een levendig en intrigerend personage dat de juiste vragen stelt, 2. de zeven vuistregels voor een naam, 3. en de elf voorwaarden voor sprankelende taal (waar hij verder helaas nauwelijks op ingaat). Ondertussen weidt Storm uit over onder meer een tegenstander, beweging en het weer, en schrijft hij droogjes: ‘Ik beschouw mezelf werkelijk als een schrijver (zeg dit vaak tegen jezelf).’

Die opmerking tussen haakjes neigt zoals veel opmerkingen in dit boek naar slapstick. Ook in zijn romans vind je veel van die relativerende zinnetjes. Ik krijg voortdurend het idee dat de romancier Storm op een heel serieuze manier alles wat hij schrijft belachelijk maakt, omdat hij zich realiseert - terwijl hij zich laat meevoeren door de malende gedachten van zijn hoofdpersonen - dat we allemaal betekenisloze zielen zijn, kruimels op de rok van het universum. Dat laatste besef is innemend, maar de manier waarop hij dat vormgeeft maakt het clownesk, bewust stuntelig en helaas zelfs vaak onbetekenend. Hij slaat in zijn romans zijn eigen ideeën en vooral sentimenten dood. Misschien is hij (toch bekend als vilein criticus) gek genoeg wel té bescheiden.

Storms literatuuropvatting

Volgens mij is schrijven voor Storm als ademen. Het is voor hem gewoon en noodzakelijk tegelijk. Noodzakelijk omdat hij niet anders kan, dit is immers zijn vak, hij verdient er zijn brood mee, en gewoon omdat hij het uit zijn mouw lijkt te schudden. Zijn zinnen kenmerken zich door vaart en precisie. Ze zijn grappig, actief en scherp en daaruit spreekt zijn grote opgewektheid en veerkracht. Meerdere keren verklapt hij dat hij met zoveel plezier zijn dagelijkse 500 woorden proza bij elkaar tikt. Dat plezier zit in het schrijven zelf, als aanvallend spel met vorm en taal, en dus ook in zijn literatuuropvatting. Die is vanzelfsprekend gebaseerd op veel lezen en analyseren, op vertalen, maar ook op de schrijftipboeken van James Wood (How Fiction Works, dat hij vertaalde), John Gardner, Gerard Reve en Thomas Rosenboom.

Zijn literatuuropvatting komt hierop neer: de plot is niet bijster belangrijk (die volgt vanzelf), de stijl moet effectief, eenvoudig en allesbehalve zoetsappig zijn, maar veel belangrijker: dikke pret en ernst moeten samenkomen. ‘Alle goede schrijvers zijn geestig,’ zo stelt hij, en: ‘Literatuur is altijd op een gruwelijke manier komisch.’ Het is de positie van de getergde komiek die boven het leven staat, die er deel van uitmaakt, maar er zich tegelijk met humor veilig van distantieert. Storm maakt heel aannemelijk dat dit goede literatuur oplevert, maar er bestaan natuurlijk ook andere opvattingen. Het hangt er maar vanaf waarvan je houdt.

‘Waarvan je houdt’ klinkt vrijblijvend, maar dat is het niet. Integriteit en kunde blijven wel degelijk van belang, wat je smaak ook is. Wat dat betreft heb ik grote bewondering voor Storm. Zijn boek is een queeste, hij verdedigt te vuur en te zwaard het bastion van de Hoge Literatuur. Toen Storm de klassieker van Wood wilde vertalen, was de uitgever ongeïnteresseerd, zo vertelt hij op een site, omdat je er ‘een mopje Henry James, Saul Bellow en Nabokov voor gelezen [moet] hebben’ en dat hebben ‘de meeste schrijvers die dit soort boeken kopen niet’. Imbecielen, sneert Storm terecht.

Teleurstelling

Waar de meeste mensen van blijken te houden, is van gemakzuchtige pulp met clichés. Voor hen schrijft Storm nadrukkelijk niet. Wel voor de aankomend romancier die het aandurft plezierig te puzzelen voor weinig (financieel) succes, maar (hopelijk) wel enige hulde. Het roept bij mij de vraag op hoe je balanceert op het randje van de Literatuur met een grote L terwijl je - zoals Roth, zoals Messud - kassuccessen boekt. Maar dat is het geheim, dat weet eigenlijk niemand. Daarvoor is de chemie van het schrijven te ingewikkeld en maakt effectbejag (waartoe ieder advies kan leiden) literatuur al snel glibberig.

Ik vermoed dat Storm vooral schrijft vanuit de teleurstelling dat zoveel mensen zo slecht (willen) schrijven. Als recensent krijgt hij heel wat rommel op zijn bureau, begrijpelijkerwijs wijkt hij graag uit naar de buitenlandse literatuur. Daarom daagt Storm steeds uit, daarom prikt en prikkelt hij. Hij wacht op een intelligent weerwoord, op Échte Romans. Tussen de enthousiaste en enthousiasmerende regels door lees je dan ook zijn deceptie dat niet iedereen zijn opvattingen deelt.

Al jaren toont de Amerikaanse psycholoog James Pennebaker aan (al werd dit pas onlangs breed uitgemeten in de pers) dat wil je je bloeddruk verlagen, je kans op hartaanvallen verminderen en jezelf beschermen tegen stress en eenzaamheid, je het beste iedere dag een kwartiertje aan je roman schrijft. Precies wat Storm zegt; iedere dag 500 woorden. Kom op, dat kan iedereen. Maar eerst aandachtig zijn boekje lezen. Dat maakt het leven voor iedereen aangenamer. Ook voor Storm.

Fleur Speet is literair recensent. Ze schrijft onder meer voor De Morgen.

MINDBOOKSATH : athenaeum