Recensie: Waarom we aanraking willen

25 november 2015 , door Pieter Hoexum

Het essay De thigmofiel van Middas Dekkers kan, zoals de meeste boeken van Dekkers, gemakkelijk onderschat en moeilijk overschat worden. Deze beschouwing over Het verlangen naar geborgenheid, de ondertitel, verdient een plaats naast de reusachtige Sferen-trilogie van Peter Sloterdijk. Het zijn tweelingboeken over de mens als geborgenheid zoekend dier. En lezen doe je dit boek bij voorkeur in bed, liefst onder de dekens.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Rood. Lees het fragment op Athenaeum.nl.

Bart, de jongste poes van Midas Dekkers, is doodsbang voor de glazenwasser. Voor Dekkers zelf en zijn andere huisdieren is het viermaandelijkse bezoek van de glazenwasser ook wel een inbreuk op hun privacy, maar Bart lijkt het als levensbedreigend te zien en doet wat ieder dier in doodsnood doet: ze kruipt weg, onder een loper in dit geval. Toch kan het gevoel van veiligheid niet alle wegkruipgedrag verklaren, want ook de andere poezen kruipen graag weg, bij voorkeur in een krappe doos waar ze net niet inpassen. Dan voelen ze bij iedere beweging die ze maken de doos tegen zich aandrukken en aaien zodoende als het ware zichzelf – en er niets zo geruststellend als geaaid worden. Poezen zijn echte thigmofielen: ze zijn gek op thigmos, aanraking.

Het is niet alleen veiligheid of geruststelling waar de thigmofielen op uit zijn. Ik denk dat Midas Dekkers gelijk heeft als hij zegt dat het uiteindelijk gaat om geborgenheid. En het dier dat misschien wel het meest verlangt naar die geborgenheid is de mens, zodat je kunt zeggen dat het essay het beste is te lezen als een verhandeling over de mens als huisdier.

Thuis

Aangezien Dekkers van huis bioloog is en dit boek over het verlangen naar geborgenheid gaat, deed het mij meteen denken aan het net verschenen en door mij hier besproken Huiswaarts, van bioloog Bernd Heinrich. Ik heb De thigmofiel voornamelijk gelezen als een belangwekkend verhaal over thuis:

‘Op wc’s en onder douches blijven mensen langer dan strikt noodzakelijk. Groot is mooi en veel is lekker, maar vaak zit de wereld je te wijd. Hoe groter de hei is, des te kleiner is het hutje waarnaar je verlangt. […] Een castle zal nooit je home worden, je home is je castle.’

Wetenschappelijk pretenties heeft Dekkers geloof ik niet; aan een vraagstelling of conclusie of zoiets vervelends doet hij niet. De thigmofiel is geen studie, maar een essay: het is vorm van hardop denken, van grasduinen. Eigenlijk is het boek niet meer of minder dan een hele reeks verrukkelijke voorbeelden van thigmofilie. Meestal komen die voorbeelden uit 'de natuur', Dekkers is immers bioloog, maar hij is ook een lezer. En niet alleen wetenschappelijk lectuur, overal vindt Dekkers iets van zijn gading, van het Journal of Mundane Behaviour tot Kafka. Niet voor niets eindigt het boek met een ode aan het lezen in bed. Wat het wegkruipen in een te krappe doos voor een poes is, is het in bed lezen voor de mens.

'Hoe houd je een mens?' vraagt Dekkers zich af. 'Voor honden en cavia's heb je tientallen gidsen vol aanwijzingen, maar waar blijft Mensen houden in huis en tuin voor iedereen?' Dit boek van Dekkers is toch op zijn minst een voorstudie voor zo'n gids, hij weet precies aan te geven waar het in de kern om draait. Uit het verlangen naar geborgenheid spreekt niet alleen gemakzucht, het gaat ook om het innemen van een eigen positie, een eigen plek en een verlangen naar erkenning. Dekkers vertelt over een negentiende-eeuwse verlichte industrieel die voor 'zijn' arbeiders een modeldorp had gesticht. Hoewel de woningen nogal krap waren hielden de meeste bewoners één kamer helemaal vrij als 'mooie kamer'. Dekkers: 'Hun weldoener stond dat niet toe. In zijn sociale welwillendheid begreep hij niet dat een woning meer is dan een plaats om te eten en te slapen. Behalve jezelf woont in een goed huis ook je gevoel van eigenwaarde.'

Lichte toets of de dreunende mokerslagen

De thigmofiel doet vreemd genoeg ook aan de Sferen-trilogie van Peter Sloterdijk denken. Heel vreemd is dat trouwens niet, want het gaat over hetzelfde: de mens als geborgenheid zoekend dier. Maar de vorm is wel diametraal tegenovergesteld: Sferen heeft een reusachtige omvang, drie nachtwachten naast elkaar, terwijl Dekkers een paar aquarellen aflevert. Dreunende mokerslagen of lichte toets... misschien valt de vergelijking voor Dekkers niet eens zo slecht uit. Hoe dat ook zij, net zoals het me onjuist lijkt Sloterdijk vanwege zijn pompeuze zinnen terzijde te schuiven als louter gewichtigdoenerij, lijkt het me even onjuist Dekkers te veroordelen vanwege zijn voor velen misschien moeilijk te verdragen lichtheid.

Sterker nog, Vic van de Reijt had zeer gelijk toen hij op donderdag 29 oktober in een interview met Het Parool zei:

'Ik ben nu zijn nieuwe boek aan het lezen: De thigmofiel. Midas Dekkers dient het voorbeeld te zijn voor alle beginnende schrijvers, op het gebied van kennis, eruditie en welgevormde zinnen. Hij verdient de P.C. Hooftprijs voor essayistiek, maar is tegelijkertijd een van de meest onderschatte auteurs. Zijn boeken worden geen literatuur gevonden. En waarom? Omdat hij weleens een grapje maakt. Ik hoop dat ik word gevraagd voor de jury, dan ga ik dat onrecht rechtzetten.

Ik hoop op mijn beurt dat Van de Reijt inderdaad als jurylid gevraagd wordt.

De thigmofiel is dus makkelijk te onderschatten en moeilijk te overschatten; neem alleen al de bibliografie van ruim vijf pagina's. Als een ijverige bij is Dekkers voor dit boek van bloem tot bloem gevlogen, overal haalde hij wat nectar en maakte daar een heerlijk potje honing van. En in dat potje is het fijn toeven.

Pieter Hoexum is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven.De dood en de filosofen kwam uit in 2003, in 2014 verscheen zijn Kleine filosofie van het rijtjeshuis. Hij heeft ook een website: pieterhoexum.wordpress.com.

MINDBOOKSATH : athenaeum