Recensie: Archeoloog van het nabije verleden

25 februari 2016 , door Fleur Speet
| |

Ze worden nog maar zelden geschreven, romans die zich traag voltrekken en die in een zakelijke en toch beminnelijke stijl het verleden tot leven wekken. Dijk van Hans Maarten van den Brink is zo’n boek. Het doet denken aan novellen van F. Bordewijk en Willem Elsschot, aan de jaren vijftig van Anna Blaman. En dat terwijl de roman gaat over twee jonge mannen die in 1961 beginnen bij de Rijksdienst van het IJkwezen. Vandaar dat Dijk nu al een klassieke roman genoemd is: de stijl en het tempo hebben iets degelijks, alsof de woorden in de tijd gestanst zijn, net als op het omslag.

De ambtenaar

In Dijk krijgen we een herinnering voorgeschoteld aan Karl Dijk, een stipte, starre ambtenaar. Karls collega, gepensioneerd, wordt geplaagd door herinneringen en spookbeelden aan hem. Opeens staat Karl middenin zijn woonkamer. Gelukkig beschikt de collega over een reflex ‘die het jarenlange werken op een groot kantoor mij heeft aangeleerd: dat je een probleem kunt parkeren, in een neutrale stand kunt zetten, terwijl je wacht op een nieuw inzicht of op het moment dat het vanzelf verdwijnt’.

De collega en verteller van het verhaal denkt terug aan de afscheidstoespraak die hij in opdracht van de directeur over Karl schreef. Karl werd vlak voor zijn pensionering ontslagen. In die speech is de hele ontwikkeling van het wegen en meten in Nederland samengebald, iets fundamenteels en feitelijks dat nagenoeg uitgestorven is. Van den Brink volgt die speech als rode lijn van zijn verhaal, dat verder uit fragmentarische herinneringen bestaat.

Doorbraken, nauwelijks opgemerkt

Dat Van den Brink een onderwerp bij de kop neemt dat zo goed als verdwenen is, hoeft niet te verbazen. Ook in zijn debuut De vooruitgang en zijn iconische novelle Over het water draait het om de verdwenen tijd en de ongemakkelijke verandering die daarmee samengaat. Een ambtenaar als Karl Dijk, iemand met grote vakkennis en vasthoudendheid, is een uitstervend ras. Inmiddels draait het om generieke in plaats van specifieke kennis. Van den Brink legt dat verlies vast. Hij laat zien hoe de digitalisering en het groeiende kapitalisme de kleine middenstand vermaalt. Het is alsof een plakje tijd wordt afgestoken om de sedimenten erin te bestuderen. Van den Brink lijkt op een archeoloog van het nabije verleden. De ondertitel van de roman luidt niet voor niets ‘een vergelijking’. Van toen, met nu, nu alles holler lijkt, meer vorm dan inhoud.

‘Koning Willem I had bij de invoering verklaard dat de IJkwet bedoeld was om de eerlijkheid te bevorderen.’ Alle kruideniers dezelfde geijkte weegschaal, geen gesjoemel, geen klant bedonderd. Maar met de opkomst van de voorverpakkingen worden de weegschalen overbodig en de nieuwe elektrische weegschalen van de supermarkten verdringen de markt. Dan hebben we het nog niet over de vernietiging van het beroep van binnenuit: al sinds 1961 werd getwijfeld over de opzet van de Dienst, wat uiteindelijk leidde tot privatisering en teloorgang. Niets blijft zoals het is.

Zo komen doorbraken tot stand. Niet met een knal maar min of meer per ongeluk, nauwelijks opgemerkt, langzaam en voorzichtig, fluisterend en sijpelend, tot het op een gegeven moment te laat is om er nog iets aan te doen.

Het werk en het weten

Mensen ontlenen hun eigenwaarde voor een groot deel aan hun werk. De verteller, en ook Karl, zíjn hun werk. En hoewel de mannen vijfenveertig jaar collega’s waren, weet de verteller niets over Karls privéleven. Ja, dat Karl veranderde ‘door dezelfde te blijven’, zoals de kilo in Parijs onder twee stolpen werd bewaard. Karl werd het ijkpunt van zijn collega en met de tijd veranderden de herinneringen aan Karl. Maar hoe goed kun je elkaar kennen? De verteller kent eigenlijk zijn eigen vrouw niet eens. Want wat doet zij op haar avondjes uit met haar vriendinnen?

Vragen die Van den Brink oproept met aangenaam bescheiden ironie: ‘Maar aan de gezichten van de toehoorders zag ik dat ik er voorlopig uitstekend in was geslaagd om niets opmerkelijks te zeggen.’ Die zin verraadt hoe slim Van den Brink tewerk gaat. Want bij het open einde weet je dat hier wel degelijk iets opmerkelijks is opgetekend.

Fleur Speet is literair recensent. Ze schrijft onder meer voor De Morgen.

MINDBOOKSATH : athenaeum