Recensie: Betoverend portret van een gezin in IJsland

28 april 2016 , door Godeke Donner
| |

Het begon met een blog. Schrijfster Laura Broekhuysen hield een jaar lang voor de Revisor een dagboek bij over haar leven samen met haar IJslandse echtgenoot en hun dochter van twee op een boerderijtje in een verlaten IJslands fjord. Daar woont ze sinds anderhalf jaar. De afzonderlijke stukken zijn nu gepubliceerd in het boek Winter-IJsland.

Het komt niet zo vaak voor dat je een unieke stem treft in de rijstebrij aan boeken waar we ons als lezers doorgaans een weg door eten. In Winter-IJsland klinkt zo’n stem.

Broekhuysen ondervindt meteen aan den lijve dat je op IJsland minimaal zes maanden per jaar in ondergesneeuwd landschap leeft.

‘De watervalletjes hangen in trossen aan de rotswand, Grýla’s trofeeën, baarden van gesneuvelde aardmannen. Ons uitzicht is een schilderij van een met sneeuw geverfde berg en stilstaand water, de suggestie van een rimpeling is er wel, maar het rimpelen zelf ontbreekt. Onze dochter maakt sneeuwpoppen met neuzen van wortel, ogen van steen, monden van tak. Ze omhelst haar nieuwe vrienden. Als de koppen eraf blijven rollen, huilt ze. Binnen haal ik de ijspegeltjes uit haar wimpers.’

Hoe wonderschoon wil je het hebben?

Een pijnlijk andere wereld

Ze is in verwachting van haar tweede kind en doet intussen haar best zich het IJslands meester te maken. De overgang van Amsterdam naar de grillige omlijsting van het fjord valt haar zwaar. Tot in de wijde omgeving woont er niemand dan dit drietal. ‘De man’, zoals ze haar echtgenoot in Winter-IJsland noemt, is opeens zijn stedelijke context kwijt. In plaats van het landschap van mensen en bouwsels wordt hier de omgeving slechts door natuur uitgedrukt: ‘Ik vraag me af of bij gebrek aan onze eigen diersoort, de spiegelneuronen in onze hersenen zich kunnen richten op andere visuele prikkels.’ En: ‘Een hoofd gaat synchroniseren met de plek waar het zich bevindt.’

Het zijn meesterlijke observaties van een verre en vreemde wereld. Als Floortje Dessing afreist naar het einde van de wereld om daar een reportage over een solitair levend mens te maken, hangen we massaal aan haar lippen. Wel, hier lees je hoe het is vanuit de binnenkant ver van de bewoonde wereld. Een wereld die nog kleiner is omdat je je hoogzwanger nu eenmaal niet makkelijk kunt verplaatsen.

‘Onze dochter’ mag voor het eerst naar de speelschool. Vader zet moeder en dochter af en rijdt meteen door naar de grote stad. Moeder moet drie uur stukslaan in Kjalarnes – dat behalve de school bestaat uit een tankstation en een sporthal. Ze vraagt op school of ze in de schoolbibliotheek mag wachten, maar nee, die is alleen voor leerlingen. Dan maar naar de sporthal, waar drie personeelsleden die niets te doen hebben haar verwelkomen.

‘Ik installeer me met mijn cursus IJslands en wacht tot mijn schaamte zakt. De wind jaagt over het wateroppervlak, zwembadblauw. Ik heb zin om erin te springen, mijn gloeiende wangen te koelen.’

Niet alleen de dagelijkse routines zijn volstrekt anders, ook de omgangsvormen verschillen pijnlijk van wat Laura gewend is. ‘De man’ deelt niets mee maar verricht zijn handelingen zonder overleg. Niet: o ja we hebben een boot, zal ik die te water laten, maar binnen een kwartier ligt de boot klaar. ‘Vraag ik mijn man: Hoe zeg ik dit in het IJslands?, dan is het antwoord negen van de tien keer: dat zegt nooit iemand.’

De muziek van de literatuur

Het voelt heel eenzaam af en toe, als vader en dochter samen IJslandse kinderliedjes zingen en kletsen in het IJslands. Maar moeder heeft haar muziek. Laura Broekhuysen is violiste, aan het Amsterdamse conservatorium afgestudeerd. In haar vorige boek, de roman Hellend vlak, groeit een jong meisje op in een IJslands fjord. Haar beide ouders zijn musici. Zijzelf heeft een bijzonder gehoor waardoor de roman leest als een verslag van zintuiglijke ervaringen. Een on-Hollands boek werd het genoemd, meer poëzie dan proza. Zelf zegt Broekhuysen dat ze haar boeken op klank en ritme componeert.

Ook in Winter-IJsland speelt de muziek een belangrijke rol. Bij het luisteren naar een Quator van Messiaen zegt Broekhuysen:

‘Ik hoor iets wat door een mens is gemaakt op een plek waar niets door een mens is gemaakt. Muziek krijgt in dit fjord haar identiteit terug door hoe ze zich emancipeert van haar omgeving, door het verschil tussen wat er klinkt en wat er niet klinkt, zoals het contrast tussen bergrug en lucht.’

Maar al die bespiegelingen vallen in het niet bij de onroerende momenten als moeder over haar dochter schrijft. ‘Seismograafje’ noemt Broekhuysen haar want het kleine wijze meisje dat in dit universum vader-moeder-fjord leeft, heeft antennes voor alles wat zich van buiten aandient. Een ijscoman die zomaar ’s nachts aanklopt terwijl het 10 graden vriest: ‘Ik wil ijs,’ zegt dochter. Een huilende vrouw langs de kant van de weg voor wie niet wordt gestopt, waarop na een lange dag vol gebeurtenissen dochter ’s avonds vraagt: ‘Huilt die vrouw nog?’

Winter-IJsland is licht, het is klein, en het is door zijn naturel een toegankelijker boek dan haar vorige. De verleiding is groot om er passages uit te blijven citeren, zo betoverend is dit portret van een man, een vrouw, een kind en een kind op komst. Alle lagen zijn aangeboord, eerst die lange, lange winter en dan opeens het licht van een veel te korte zomer. ‘Op onze armen schijnt de zon, maar onder ons vel staat ons bloed stil. Het is midzomer, warmer dan dit zal het niet worden.’

Godeke Donner studeerde Nederlandse Letterkunde en Algemene Literatuurwetenschap en schreef boekrecensies voor verschillende kranten. 

MINDBOOKSATH : athenaeum