Recensie: De karavaan kruipt voort

29 augustus 2016 , door Arjen van Meijgaard
| | |

In Adieu Parijs (33 jours), nauwgezet vertaald door Marianne Gaasbeek, verhaalt Léon Werth over zijn vertrek uit Parijs aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Het is niet alleen een ooggetuigenverslag, maar ook een reflectie op de situatie, een poging nuances aan te brengen tussen goed en kwaad, tussen het aansluiten bij de vijand of juist verzet plegen. De lezer zou zich kunnen afvragen hoe zijn of haar rol in een dergelijke onstuimige tijd zou zijn geweest.

De karavaan kruipt voort

Het is 1940 en de Duitsers staan op het punt om Parijs in te nemen. Een lange stoet burgers verlaat met allerhande vervoermiddelen en soms lopend de hoofdstad richting het zuiden. De vijftienjarige zoon van het echtpaar Werth is al eerder vertrokken, met twee vrienden. Pas 33 dagen later zullen ze weten of hij ook veilig is aangekomen. Léon vertrekt met zijn vrouw en de inwonende voormalige gouvernante in de hoop dat zij hun buitenhuis in Saint-Amour zullen bereiken. De tocht is uitputtend.

Ik heb slaap. Honderdduizenden geëvacueerden, vluchtelingen, verjaagd door de autoriteiten of vrijwillig vertrokken, honderdduizenden mensen die van de ene dag op de andere nomaden zijn geworden, zijn even slaperig als ik. […] Roerloze paarden kijken naar de weg, contemplatief, de eindeloze stoet in zich opnemend die hen niet meer verbaast maar wel biologeert. Een ervan staand op zijn vier hoeven, en met de hals tegen een boom rustend, is dood.

De karavaan kruipt over de smalle weg. Af en toe komt een kolonne soldaten van de andere kant, uitgeput, moedeloos van een gevecht tegen de Duitsers. Dan weer worden ze ingehaald door manschappen die juist het gevecht tegemoet gaan. Maar er passeren ook Duitsers, er vinden gevechten plaats, de vluchtende burgers moeten dekking zoeken en wachten tot ze weer verder kunnen.

De moeilijkheid van een verslag

In tegenstelling tot Storm in juni van Irène Némirovsky, dat ook over de uittocht uit Parijs gaat, heeft Werth duidelijk geen roman geschreven. Hij beschrijft zijn observaties, probeert dingen te begrijpen en wat hij ziet en voelt zo goed mogelijk onder woorden te brengen zonder ze te romantiseren of er fictieve elementen aan toe te voegen. Hij beseft terdege de moeilijkheid van het maken van een verslag, want hij wil er geen rapport van maken.

Aan de andere kant is het onmogelijk om alleen de naakte feiten uit de doeken te doen. Gebeurtenis, emotie en opinie lopen door elkaar. Al is een verslag nog zo waarheidsgetrouw, het geeft een begin en een eind aan iets wat dat niet heeft en vertaalt het als het ware naar toneel. Het verklaart en rechtvaardigt gebeurtenissen die niet vergezeld gaan van commentaren en verklaringen, en waar ook helemaal geen logische verklaring voor hoeft te komen.

De Saint-Exupéry

Het voorwoord van Adieu Parijs is van De Saint-Exupéry en toont duidelijk de vriendschap tussen beide auteurs. De kleine Prins is zelfs opgedragen aan Léon Werth, 'toen hij nog een jongetje was.' Een enkele keer wordt De Saint-Exupéry genoemd, bijvoorbeeld wanneer Werth zich drukt maakt over de vraag of hij Terre des Hommes kan meenemen. 'Niet omdat het een luxe uitgave is, zeer luxe zelfs. […] Maar omdat De Saint-Exupéry me het boek gegeven heeft, omdat het mooie papier, de ongesneden pagina's geen weelde en ijdelheid zijn, maar vriendschap.' Achterin Adieu Parijs staat een aantal chronologische aantekeningen waaruit de vriendschap van beide mannen blijkt.

Uit hokjes

Léon Werth haalt in dit verslag mensen uit hokjes. Overwonnen Fransen hoeven niet per se de Duitsers te haten. Ze kunnen Hitler ook een zegen vinden voor het land. Maar als je heult met de vijand, kun je ook nog vluchtelingen in huis opnemen en aan voedsel helpen. Het is niet zwart-wit. En de vijand is niet altijd de vijand. Er zijn Duitsers die de Franse bevolking eten geven en met beleefdheid tegemoet treden, zich min of meer verontschuldigend voor de situatie. Er is zelfs een Duitse kolonel die zijn rang en wellicht ook leven riskeert omdat hij Werth aan benzine helpt. De auteur vraagt ook expliciet aan de lezer om zich te 'onthouden van een al te deugdzame verontwaardiging' en niet te 'oordelen vanuit de hoogte van de zuivere moraal'. Nogmaals, niemand weet immers hoe hij of zij zelf in een dergelijke oorlogssituatie zou handelen.

Het intrigerende is de onzekerheid over de gebeurtenissen die hij zo goed onder woorden brengt. Tot waar zijn de Duitsers gekomen, is Parijs al bezet, wanneer geven we ons over, hoe gaat het met vrienden en familie, zijn we verraden door onze politici?

Uit een kleine, met een zeildoek overdekte vrachtwagen […] is een vrouw uitgestapt die eruitziet als een feeks: 'We zijn verkocht, we zijn verraden…' Deze gemeenzame aantijging, die ik naderhand onderweg nog zo dikwijls heb gehoord, leek op zich afdoend te zijn. Ik heb nooit antwoord gekregen op de vraag 'Door wie?' Maar het volk beschikt over de gave om de toekomst te voorspellen en kan het heel goed stellen zonder kritische studies die de werkelijkheid voorzichtig aftasten.

De aansluitende gedachte is algemeen en zou ook heel goed in deze tijd geuit kunnen worden. Hebben we ons oordeel klaar op basis van de situatie om ons heen, of tasten we de werkelijkheid eerst af om vervolgens in te zien dat er veel kleuren zitten tussen zwart en wit?

Arjen van Meijgaard schrijft korte verhalen en bespreekt Nederlandse en Franse fictie, voor onder andere NBD/Biblion, en eenboekrecensie.blogspot.nl, waarop hij impressies over vergeten boeken noteert.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum