Recensie: Een reis door de negentiende eeuw

22 november 2016 , door Tim de Wit
| |

Er valt wat voor te zeggen dat de samenleving waarin wij vandaag de dag leven grotendeels is gevormd door de negentiende eeuw. Aan het begin van deze eeuw was Europa een agrarische samenleving, grotendeels in handen van een door een de van de Franse Revolutie herstelde aristocratie. In 1914 was deze samenleving na honderd jaar van relatieve interne vrede en revolutionaire ontwikkelingen op gebieden als politiek, wetenschap, cultuur en economie haast onherkenbaar veranderd. Met zijn nieuwe monografie De eeuw van de macht: Europa 1815-1914 (The Pursuit of Power, vertaald door Het Vertaalcollectief) schreef de Britse historicus Richard J. Evans een chronologische opvolger van Tim Blannings gerespecteerde The Pursuit of Glory: Europe 1648-1815 (2007), en presenteert hij ons een elegante biografie van een eeuw die niet alleen van groot belang was voor de Europese geschiedenis, maar voor die van de hele wereld.

Het belang van vrede

Het gebeurt regelmatig in de wereldgeschiedenis dat een tijd van ophef en oorlog voorafgaat aan een periode van relatieve vrede en welvaart. De negentiende eeuw vormt daarop volgens Evans geen uitzondering. Hij begint zijn verhaal met een bijzondere bron, namelijk de autobiografie van Jakob Walter, een Duitse steenhouwer die in 1812 onder Napoleon diende tijdens diens noodlottige invasie van Rusland. Walter had geluk en overleefde het, maar hij had weinig goede woorden over voor Napoleon, die hij in persoon zag toen de Grande Armée zich terugtrok over de Berezina:

'Hij zag toe hoe zijn leger in de meest ellendige toestand passeerde. Het is onmogelijk te vermoeden wat hij in zijn hart gevoeld moet hebben. Uiterlijk leek hij onverschillig en onbekommerd over de ellende van zijn soldaten […].'

Hierna betoogt Evans dat de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen vaak als minder destructief worden gezien dan de wereldoorlogen die een eeuw later begonnen, maar dat twintig jaar bijna constante oorlog wel degelijk een enorme impact op Europa hadden: 'Tijdens de conflicten stierf een op de vijf Franse burgers die tussen 1790 en 1795 waren geboren.'

Volgens Evans was het dus niet zo gek dat de grootmachten op het Congres van Wenen een nieuwe wereldorde in het leven riepen die gebaseerd was op het uitpraten van conflicten op congressen in plaats van het constant voeren van oorlogen, zoals dat in voorgaande eeuwen was gebeurd. Oorlogen zoals de Krimoorlog en de Frans-Duitse oorlog kwamen voor in het negentiende-eeuwse Europa, maar dit waren beperkte conflicten die hooguit een paar jaar duurden en meestal met een paar bepalende slagen werden beslist.

Deze relatieve vrede tussen de Europese grootmachten was volgens Evans zeer belangrijk, al slaat hij daar af en toe misschien een beetje in door. Zo beweert hij dat het onjuist is te denken dat de sleutel tot de Europese wereldoverheersing in de negentiende eeuw al in voorgaande eeuwen te vinden is. In plaats daarvan beargumenteert Evans dat de zaken die nodig waren voor het imperialisme (zoals telegraaflijnen en grote kanaalprojecten) nooit bewerkstelligd hadden kunnen worden als de Europese landen in de negentiende eeuw geen onderlinge vrede hadden gehad. Deze stelling is wellicht wat kort door de bocht aangezien dit het onderwerp is van een grootschalig geschiedwetenschappelijk debat: die van de Great Divergence.

Coherent

Al is vrede een belangrijk thema in Evans’ studie over de negentiende eeuw, hij beweert zelf dat deze tijd ook gekenmerkt werd door, zoals de titel al aangeeft, het verlangen naar macht, dat een grote variatie aan verschillende processen aanstuurde:

'De Europese samenleving van de negentiende eeuw was geheel doordrongen van dit machtsstreven. Staten streefden naar wereldmacht, regeringen naar koloniale macht, legers bouwden hun militaire macht op, revolutionairen smeedden plannen om de macht te grijpen, politieke partijen voerden campagne om aan de macht te komen, bankiers en industriëlen streefden naar economische macht en lijfeigenen en kleine pachtboeren werden geleidelijk bevrijd uit een systeem van machtsmisbruik door adellijke grootgrondbezitters.'

Uit dit citaat in de inleiding valt al heel goed af te leiden dat Evans van plan is om in te gaan op alle mogelijke aspecten van de negentiende eeuw. Zijn hoofdstukken zijn dan ook ingedeeld op onderwerpen die alle mogelijke categorieën omvatten.

Op politiek gebied gaat Evans in op zaken zoals het Congres der Mogendheden van Metternich, het imperialisme en de vereniging van Italië en Duitsland door Cavour en Bismarck. Maar hij bespreekt ook culturele onderwerpen als de zeer emotionele kunstuitingen van de Romantiek en hoe mannen later in de eeuw vaak extreme stijlen van gezichtsbeharing gingen laten staan om juist emoties te verhullen. Ook schrijft Evans over sociale zaken als de slechte omstandigheden van de industriële arbeidersklasse en het verval van de traditionele adel. Tot slot komen economische onderwerpen zoals de Industriële Revolutie en de hongersnoden in de jaren 1820 en 1840 ruimschoots aan bod.

Het is niet makkelijk om zo’n omvangrijke studie te schrijven die zowel coherent als vermakelijk is. Maar Evans slaagt erin om een werk dat heel makkelijk saai en onoverzichtelijk kan worden, luchtig en soms zelfs komisch te laten zijn. Dit bewerkstelligt hij onder meer door ieder hoofdstuk en soms zelfs iedere paragraaf te laten beginnen met een anekdote. En Evans trakteert de lezer ook op een grote hoeveelheid citaten van allerhande personen die vaak niet alleen verhelderend, maar ook vermakelijk zijn. Een voorbeeld hiervan is een citaat van de Oostenrijkse oud-keizer Ferdinand I, die in 1848 vervangen werd door zijn neef Frans Jozef omdat Ferdinand te veel met de verdreven Metternich geassocieerd werd en daarnaast door zijn epilepsie niet in staat was om te regeren. Toen Frans Jozef oorlog na oorlog verloor deed Ferdinand de volgende uitspraak: 'Ik weet niet waarom ze Frans Jozef hebben benoemd; ik zou net zo goed zijn geweest in het verliezen van veldslagen.'

Bronnen

Het boek heeft een paar zwakke punten. Zo heeft De eeuw van de macht bijvoorbeeld net als Blannings in Pursuit of Glory geen voetnoten maar een literatuurlijst. Door dit gebrek kunnen citaten niet aan een directe bron gekoppeld worden en dat kan er soms voor zorgen dat anekdotes ongeloofwaardig overkomen. Omdat Evans een gerespecteerd historicus is, en schijnbaar het voorbeeld van Blanning volgde bij deze keuze, kan hem het voordeel van de twijfel gegeven worden op dit punt, maar zorgvuldiger bronvermelding was wat mij betreft beter geweest. Gelukkig staat dit het leesplezier niet in de weg.

Voor iemand wiens interesse uitgaat naar de negentiende eeuw is dit werk absoluut een aanrader. Het is een charmant portret van deze periode, dat de prijzenswaardige ontwikkelingen in deze eeuw toont maar ook op de keerzijden hiervan ingaat.

Tim de Wit volgt een onderzoeksmaster geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en is redacteur van Skript Historisch Tijdschrift.

MINDBOOKSATH : athenaeum