Recensie: Het fatale probleem met poëzie: gedichten

30 november 2016 , door Marleen Louter
| | | | | | |

Als er één kunstvorm is die door de eeuwen heen wordt gekenmerkt door een opeenvolging van aanklacht en verdediging, is het de poëzie. Plato wilde in zijn ideale staat de dichters de mond snoeren omdat die het volk misleiden door verbeelding als waarheid voor te stellen. De Italiaanse futuristen in het begin van de twintigste eeuw haatten de poëzie omdat zij ‘de peinzende onbeweeglijkheid’ verheerlijkt. Ben Lerner - dichter, essayist, criticus - concludeert al in de eerste pagina’s van zijn essay The Hatred of Poetry (Arthur Wevers' vertaling Waarom we poëzie haten verschijnt in januari 2017) dat poëzie en de haat jegens poëzie onlosmakelijk verbonden zijn.

Die innerlijke tegenstrijdigheid benoemt hij als de ‘bittere logica’ van de poëzie, die hij uitlegt aan de hand van een citaat van Allen Grossman:

‘Poetry arises from the desire to get beyondthe finite and the historical – the human world of violence and difference – and to reach the transcendent or divine. […] But as soon as you move from that impulse to the actual poem, the song of the infinite is compromised by the finitude of its terms.’

‘[P]oëzie komt voort uit het verlangen om voorbij het eindige en het tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente of goddelijke te bereiken. […] Maar zodra je overgaat van die impuls naar het feitelijke gedicht stuit het lied van het onbegrensde op de beperkingen van de taal.’

Drie voorbeelden

Ieder mens die onderdeel uitmaakt van een taalgemeenschap, zo stelt Lerner, is een dichter. Of je dat talent nu al vroeg in jeugd verloren bent of het hebt weten te behouden tijdens je groei naar volwassenheid. En daarom is ieder mens zich bewust van die beperking. Maar tegelijkertijd heeft ieder mens om die reden een besef van de samenhang tussen poëzie en de ‘menselijke potentialiteit die niet door poëzie kan worden verwezenlijkt’. Het is de reden waarom de poëzie weliswaar door de eeuwen heen is verguisd en bekritiseerd, maar nooit simpelweg is afgeschreven.

Dat werkt Lerner uit aan de hand van drie gedichten. Het eerste is van William Topaz McGonagall, volgens Wikipedia ‘de slechtste dichter ooit’. Zijn gedicht ‘The Tay Bridge Disaster’ wordt door Lerner inderdaad in een minutieuze analyse met de grond gelijk gemaakt. Maar, zo stelt Lerner, juist door het falen van de dichter wordt de afstand tussen het virtuele, gedroomde gedicht en het feitelijke gedicht voor de lezer voelbaar. En daarmee bereikt McGonagall in feite hetzelfde als John Keats  in zijn ‘Ode op een Grieks mengvat’, waarin Keats met al zijn dichterlijke vaardigheid overbrengt hoe de ‘onmogelijke muziek’ waaruit het gedicht is voortgekomen net buiten het bereik van de lezer ligt:

Heard melodies are sweet, but those unheard
Are sweeter; therefore, ye soft pipes, play on;
Not to the sensual ear, but, more endear’d,
Pipe to the spirit ditties of no tone.

Een melodie is ’t mooist wanneer die niet
te horen is – dus fluiten, speel maar door,
niet voor het zintuig is je zachte lied,
het klinkt het innigst in het geestesoor.

Marianne Moore – Lerners derde voorbeeld – gaat nog een stap verder: in alle facetten van haar dichterschap, van de extreme dissonantie in haar gedichten tot de ongewone verschijningsvorm ervan (teksten op opengepeuterde enveloppen, aantekeningen op reclamebiljetten), toont zij minachting voor het gedicht. Het effect dat ze daarmee bereikt, is een nadruk op de potentie van haar gedichten – Lerner noemt dat de ‘virtualiteit’ – in plaats van op de feitelijke verschijningsvorm. De gedachtestreepjes die haar poëzie kenmerken ziet Lerner als ‘markers of the limits of the actual, vectors of implication where no words will do’, ‘markeringen van de begrenzingen van het feitelijke, vectoren die naar zaken wijzen waarvoor woorden niet toereikend zijn’.

Poëzie en politiek

Het tweede deel van zijn essay wijdt Lerner aan een ander verwijt dat veelvuldig opklinkt met betrekking tot de poëzie, namelijk dat ze er maar niet in slaagt een politieke verandering teweeg te brengen. Ook hier draait Lerner de redenering om: die veelgehoorde kritiek is volgens hem tegelijkertijd een uiting van het geloof in een poëzie die dat wel zou moeten ambiëren: het geloof in de poëzie die een natie kan verenigen.

De dichter wiens oeuvre in het teken staat van die ambitie, is Walt Whitman. Lerner laat overtuigend zien hoe die ambitie wordt weerspiegeld in de formele kenmerken van diens ‘expansieve’ poëzie. Dat gebeurt in lange zinnen – redevoeringen haast – waarin hij de wereld probeert te bevatten:

Thou Union holding all, fusing, absorbing, tolerating all,
Thee, ever thee, I sing.
 
Thou, also thou, a World,
With all thy wide geographies, manifold, different, distant,
Rounded by thee in one—one common orbic language,
One common indivisible destiny for All.
 
Jouw Unie die iedereen bevat, versmelt, absorbeert, tolereert,
Jou, altijd jou, bezing ik.
 
Jij, ook jij, een Wereld,
Met al je uitgestrekte geografieën, veelvoudig, verschillend, afgelegen, door jou gevangen in een – een gemeenschappelijke orbische taal,
Een gemeenschappelijk ondeelbaar lot voor Iedereen.

Maar Lerner schetst ook hoe zelfs Whitman in zijn teksten uitdrukkelijk vermeldt dat zijn poging om als dichter ‘in iedereen aanwezig te zijn’ tegenstrijdig is en dat hij bestaande verschillen tussen groepen mensen in zijn poëzie zowel wil onderkennen als opheffen. ‘The lyric — that is, the intensely subjective, personal poem — that can authentically encompass everyone is an impossibility in a world characterized by difference and violence,’ zegt Lerner. ‘Lyriek - dat wil zeggen het intens subjectieve, persoonlijke gedicht – is een onmogelijkheid in een wereld die wordt gekenmerkt door verscheidenheid en geweld.’

Open plek

Moeten we de poëzie dan maar als nutteloos bestempelen en opzij zetten? Nee, besluit Lerner zijn essay, maar wantrouw wel de feitelijke vorm van het gedicht. Want juist door je af te keren van het kunstwerk wordt de kleine open plek die het gedicht creëert zichtbaar: de plek waar het onzegbare wordt gezegd. Of, in de woorden van Marianne Moore:

I, too, dislike it.
     Reading it, however, with a perfect
     contempt for it, one discovers in
it, after all, a place for the genuine.

Ook ik houd er niet van.
      Wanneer men poëzie leest echter, met een
      volkomen minachting, ontdekt men er,
tenslotte, toch ruimte voor het authentieke in.

Marleen Louter is neerlandica. Ze schreef recensies voor Recensieweb.nl en werkte als redacteur voor onder meer Athenaeum.nl. Nu is ze redacteur bij Uitgeverij Leopold en freelancer.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum