Recensie: Kleine grote steden

26 september 2016 , door Pieter Hoexum

De enige manier voor Nederland om nog mee te doen in de wereld, is Amsterdam te laten doorgroeien naar een inwonertal van twee miljoen. Deze schokkende boodschap heeft Zef Hemel de afgelopen jaren al vaak verkondigd, nu onderbouwt hij die in zijn nieuwe boek De toekomst van de stad. Gelukkig bevat het boek meer dan dat en is deze on-Nederlandse visie op stedelijkheid voor Nederlandse lezers op een vreemde manier ook wel geruststellend: je blijkt inderdaad zo kneuterig als je altijd al vermoedde (maar liever niet toegaf).

N.B. De presentatie is 27 september bij Spui25. U bent van harte welkom.

Hemels boek is een pleidooi voor de metropool, zoals de ondertitel luidt. Hij pakt het grondig aan en wil ook antwoord geven op fundamentele vragen’ zoals: Wat is een stad? Waarom groeien sommige steden? Kunnen megasteden bestaan? Is de stad een oplossing of een probleem? En vooral: hoe kostbaar en profijtelijk is grootstedelijkheid? Het boek biedt zodoende een overzicht van wereldwijde stedelijke ontwikkelingen en vooral van het denken daarover en omgaan daarmee. De belangrijkste denkers en doeners komen aan bod, van Ebenezer Howard en Patrick Geddes tot Van Eesteren en Le Corbusier tot van Charles Fourier en Peter Kropotkin tot Edward Glaeser en Richard Florida.

Hemel bezet sinds 2012 de Wibautleerstoel voor grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam, en je zou het boek een soort collegedictaat kunnen noemen, ware het niet dat het vlot leesbaar is en het ronduit spannend wordt als blijkt dat Hemel zich heeft bekeerd tot het gedachtegoed van de eigenzinnige Jane Jacobs, beroemd vanwege Dood en leven van grote Amerikaanse steden en andere boeken over steden en economie. Hemel is van opleiding planoloog – en was als zodanig in dienst van de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam – maar realiseerde zich door lezing van onder andere de boeken van Jacobs dat steden veel interessanter zijn dan plannen, en dat planologen, hoe goed ze het ook bedoelen, meer kwaad aanrichten dan goed.

Operatie geslaagd, patiënt overleden

Hemels boek begint bij de tentoonstelling 'De functionele stad', die op 1 juni 1935 opende in het Stedelijk Museum van Amsterdam, en die georganiseerd was door het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM), dat onder voorzitterschap stond van de Nederlander Cornelis van Eesteren: de slechterik in het verhaal van Hemel. Zoals zoveel modernistische stedenbouwers en architecten, beschouwde Van Eesteren zichzelf als een soort dokter – en de stad als patiënt.

Door de stad te ordenen wilden de modernisten de stad overzichtelijk, ruim en functioneel maken. De stad werd aangeharkt en in de ogen van Hemel zodoende ‘vermoord’. Een stad is namelijk inherent wanordelijk, dynamisch en hectisch en een stad tot rust brengen is een stad doden. Van Eesterens plannen werden uitgevoerd in de Westelijke tuinsteden maar dat maakte van Amsterdam volgens Hemel bepaald geen grote stad, integendeel. De operatie van dokter Van Eesteren en de zijnen is misschien wel geslaagd – maar de patiënt is overleden.

In vergelijking met ‘specialisten’ zoals Van Eesteren, stelt Hemel zich meer op als ouderwetse huisarts die liefst zo weinig mogelijk doorverwijst naar een specialist en sowieso zo weinig mogelijk ingrijpt maar uit wil laten zieken. En als er niets aan klachten te doen is, is hij niet te beroerd dat ook te zeggen: 'U moet er mee leren leven.' In geval van steden zou je bijvoorbeeld kunnen klagen over de vloedgolf toeristen, over de gentrificatie en de ongelijkheid, over de chaos, de troep en onrust, de anonimiteit en eenzaamheid. Dat zijn 'ziektes' waarvan je een stad niet kunt genezen zonder haar te doden.

Grote stad: probleem of oplossing?

Voor modernisten zoals Van Eesteren was de grote stad het grote probleem en planning de oplossing: het was zaak de stedelijke groei in te tomen. Voor Hemel is het precies andersom: de planning is het probleem en de grote stad is de oplossing. Hemel wil de stad niet plannen maar ‘loslaten’, zijn eigen gang laten gaan.

Dat klinkt aangenaam bescheiden, en dat wil Hemel ook: ‘Na alles wat de vorige generaties in onze steden hebben aangericht dient juist bescheidenheid ons te sieren.’ Zelf blijkt Hemel veel moeite te hebben met juist die bescheidenheid, als een soort Louis van Gaal hoont hij opponenten weg: ‘Hoe dom kun je zijn?’ En al een paar zinnen na zijn oproep tot bescheidenheid schrijft hij: ‘Laten we […] beginnen met de lessen uit het verleden te leren en ervaringen op andere continenten in ons denken te betrekken, want ditmaal moet het echt anders, béter.’

Zoals Van Eesteren heilig geloofde in ‘licht, lucht en ruimte’, zo gelooft Hemel heilig in verdichting, concentratie en agglomeratie. Zo kan grootstedelijkheid ontstaan, iets wat ‘alleen hele grote steden aan mensen kunnen bieden: complexiteit, diversiteit, dichtheid, gelaagdheid, cultuur, beschaving, rijkdom, mogelijkheden, kansen’. Later nuanceert hij dit met de opmerking dat ‘groot’ voor hem een ‘kwalitatief begrip [is], een mentaliteit’, die niet ‘alleen’, maar ‘eerder’ bereikt wordt ‘door stapeling en lastige verdichting dan door gemakkelijk matjes uitrollen in de polder’.

Doorsneeland, lappendeken

Ik geloof graag dat dat stedelijkheid een mentaliteit en manier van leven is: stedelingen zijn vrije mensen, geen onderdanen maar burgers, die op tamelijk afstandelijke, zakelijke manier met elkaar omgaan. Maar dan nog is de vraag hoe sterk het verband tussen gebouwde omgeving en mentaliteit is: komt die mentaliteit automatisch voort uit dichte en geconcentreerde bebouwing, en uitsluitend daar?

Het is wellicht te gemakkelijk om, zoals sommige van Hemels opponenten, te zeggen dat Nederland één grote stad is, maar het lijkt toch wel duidelijk dat verreweg de meeste inwoners van Nederland stedelingen zijn, een grootstedelijke mentaliteit hebben en een ‘burgerlijk’ (‘stads’) leven leiden. Het bloed kroop waar het niet gaan kon, zelfs de bewoners van de zo door Hemel gehate en verachte voorsteden en buitenwijken hebben een stedelijke mentaliteit.

Door de Nederlandse steden te zien in het licht van ontwikkelingen in zo'n beetje de hele wereld en de wereldgeschiedenis, maakt Hemel de Nederlandse lezer zich ervan bewust hoe klein Nederland is en hoe klein onze zogenaamd grote steden. Hemel heeft gelijk, veel stelt het niet voor. Maar ik neem er genoegen mee en de genoeglijkheid van de Nederlandse stad is mij veel waard. Dan maar niet mee in de vaart der volkeren.

Volgens Hemel wordt het niks zonder echte metropool. Ik hoop echter dat Amsterdam een kleine grote stad blijft. Volgens Hemel zou dat voor Nederland rampzalig zijn, het zou een 'doorsneeland worden'. Tegenover dit grootse en meeslepende pleidooi stel ik een kleine smeekbede: mag Nederland alsjeblieft een doorsneeland blijven, en vooral ook een lappendeken van stadjes en stukjes groen.

Pieter Hoexum is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofen verscheen in 2003, begin 2014 verscheen Kleine filosofie van het rijtjeshuis. Hij heeft ook een website,pieterhoexum.wordpress.com.

MINDBOOKSATH : athenaeum