Recensie: Koningslichamen: stap in de wereld die Michon heet

25 augustus 2016 , door Marjolein Corjanus
| | |

De rol van de literair vertaler als ambassadeur van het oeuvre van een buitenlandse schrijver kan en mag niet worden onderschat. Wat Jeanne Holierhoek deed voor het werk van Tournier, Marijke Arijs voor Nothomb en Martin de Haan voor Houellebecq, bewerkstelligde Rokus Hofstede voor het oeuvre van Pierre Michon. Mede dankzij zijn inzet verschijnt nu, met een vertraging van veertien jaar, alsnog de vertaling van Corps du Roi (Koningslichamen) bij uitgeverij Van Oorschot, waar het merendeel van Michons oeuvre al eerder verscheen.

Bref et violent

Michon debuteerde relatief laat, op zijn achtendertigste, met Vies Minuscules (1984), waar hij bovendien zo'n achttien jaar aan schreef. Het debuut en de bijkomende erkenning bevrijdden hem van de last van zijn verleden, zijn jeugd zonder vader en zijn zoekende bestaan dat erop volgde. In Vies Minuscules beschreef Michon tot in de kleinste details zijn afkomst en daarmee zichzelf. Literatuur als troost, ook voor zijn moeder, die naar verluidt het boek nog vasthield toen zij kort voor haar dood naar het ziekenhuis werd gebracht.

Michon (1945) is een estheet en een asceet tegelijkertijd, die wars is van publicitaire heisa, zeer spaarzaam publiceert en minutieus schaaft aan zijn teksten. De titels van Michon zijn dan ook rijker van inhoud dan hun omvang doet vermoeden: 'Il faut que ce soit violent et bref,' zei hij eens in een interview.

In Corps du roi beschrijft en analyseert Pierre Michon het werk en leven van door hem bewonderde schrijvers zoals Beckett, Hugo, Flaubert en Faulkner. De titel verwijst zowel naar het eeuwige lichaam als naar het sterfelijke lichaam van de schrijver, de koning, zo legt Michon in de eerste bladzijden uit. In zijn onnavolgbare en in Frankrijk zeer geroemde schrijfstijl borduurt Michon voort op deze beroemde personages, in een zeer eigen mengvorm van fictie en non-fictie. Het resultaat is een erudiete lappendeken, een patchwork van citaten, impressies en gedachtespinsels, waar de vertaler als een soort literair spoorzoeker mee aan de slag moest. Het is de grote verdienste van Hofstede dat hij Michons idiolect helder, vlot leesbaar en inzichtelijk heeft weergegeven.

Beckett en Flaubert

Michon begint zijn boek met zijn analyse van een bekend portret van Beckett, die hij 'de literatuur in eigen persoon' noemt. Dan, in het tweede deel, gaat het meteen over Flaubert, want in Michons werk is Flaubert nooit ver weg. Als een almachtige poppenspeler laat Michon de schrijver Flaubert ontstaan en zijn eigenaardigheidjes hebben. Hij geeft hem het verlangen mee 'om in deze wereld te zegevieren door middel van de letteren'. Vervolgens beschrijft hij Flaubert als God, abstract en onaantastbaar, 'als het absolute proza'. Zo'n oppermachtige schrijver moet je eigenlijk vergelijken met een boom, met een 'lichaam van hout':

Het is een staat van zijn die mij een inspanning waard lijkt. Madame Bovary en Saint Julien schrijven, af en toe alleen wat vage, diepe klanken voortbrengen, een boom worden die door de wind wordt omarmd en gewiegd, dat is een doel waarvoor je je kunt inspannen; met het menselijkste van alle middelen, namelijk de taal; buiten het mensengeslacht staan en klanken uiten van bladeren, van gongs, van lawines, buiten het mensengeslacht gaan staan en het uit de hoogte overzien, het overdekken met je schaduw, het overdekken met je geruis, het bedelven onder je bladerdek, dat is een inspanning waard.

De olifant

Opvallend en kenmerkend voor Michons schrijfstijl zijn de even merkwaardige als treffende metaforen die de schrijver met zijn pen schept. Zo speelt hij met het beeld van de olifant in het gelijknamige hoofdstuk dat hij wijdt aan Faulkner, de man die hem naar eigen zeggen de weg naar zijn pen wees: 'Il est le père de tout ce que j'ai écrit.' Michon benoemt de drukkende en bulderende aanwezigheid van de oorlog als olifant, maar ook de lotsbestemming; de erfbelasting van de voorvaderen kunnen zwaar wegen als een olifant. En dan is er nog de krachtige ervaring van koning alcohol die Michon beschrijft als olifant:

En omdat je de olifant ditmaal hebt ingeslikt, vertrappel je in jezelf alle wonderbaarlijke, weerzinwekkende verschijningsvormen ervan, alles wat je wilt zijn, alles wat je niet wilt zijn en alles wat je bent. Deze tegennatuurlijke dans heeft bovendien het voordeel dat hij zijn eigen straf bevat: dan lig je tenminste ook echt onder de olifant, hij trekt zijn logge poten op en komt een hele nacht boven op je zitten, met zijn slagtanden in de vloer gestoken aan weerszijden van je hoofd. Die magiër, die dansende zestonner heeft verder het vermogen om de verbrandingen te versnellen en je bestaan in de mate van het mogelijke te doen lijken op dat van een lucky strike.

'De tekens tieren welig' staat er ergens in de tekst. Als lezer is het soms hard werken om de kronkels en sprongen in Michons schrijfstijl te volgen, maar wie een beetje zijn best doet, voelt zich gewiegd en geborgen door de wereld die Michon heet.

De ontroering van het gedicht

Michons stijl is cerebraal te noemen maar is tegelijkertijd ook heel persoonlijk en zo nu en dan zeer ontroerend. Zo beschrijft Michon het sterfbed van zijn moeder en hoe hij daar tot bidden kwam:

En toen drong de tekst, het gebed, zich op, van heel ver gekomen, alsof hij door een ander was gezonden, en ik droeg hem met luide stem voor, zodat de dode het als het ware kon horen: 'Gij mensenbroeders, gij die na ons leeft, wilt ons toch niet met een kil hart gedenken, want al wie medelijden met ons heeft, die zal God met recht vergeving schenken.' Het hart en de ziel schoten toe, ik zei het gedicht op van begin tot eind zoals het opgezegd moet worden, in tranen, ik stond voor het lijk van mijn moeder zoals je ervoor moet staan, in tranen.

Michon wijdt een hoofdstuk aan de functie van gedichten en hoe deze mensen diep kunnen treffen. Hij gaat uitgebreid in op Victor Hugo's gedicht Booz endormi, dat als mooie coda achterin het boek is opgenomen, in de vertaling uit 1954 van Martinus Nijhoff. Hij beschrijft 'wat iedereen erin kan horen' maar ook wat je er nog meer in kunt horen, een bijbels stamverhaal bijvoorbeeld. Hij verbindt er een jeugdherinnering aan, over zijn schooltijd, de maaitijd op het platteland, zodat het gedicht een liefdevolle maar ook zinnelijke context krijgt, 'een zomertekst'.

Tekens tieren welig

Michons boek is zowel een eerbetoon aan beroemde, klassieke schrijvers als een variatie en voortborduren op hun werk. Aanleiding is de 'posture' van de schrijver, zoals deze zich profileert voor het oog van de fotocamera, waarbij de fotograaf het lichaam van de schrijver tot icoon maakt. Maar vergeet daarnaast niet de meer dan markante kop van de schrijver zelf, die je vanaf het omslag achterop aangrijnst. Daar kan de lezer dan zelf mee aan de slag.

Marjolein Corjanus is freelancevertaler en -redacteur en daarnaast zelfstandig onderzoeker op het gebied van de Franse letterkunde. Eerder schreef zij voor literair blog De Papieren Man.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum