Recensie: Niet alleen in de stromende regen en op zeepkisten

09 mei 2016 , door Bob Hopman
| | | | | | | | | |

In de essaybundel Vrouwen schrijven niet met hun tieten, geschreven door zesentwintig jonge, vrouwelijke auteurs en samengesteld door Wiegertje Postma, wijst Nikki Dekker (1989) mij (1985) op de samenstelling van haar uitzonderlijk vrouwelijk georiënteerde boekenkast. Via een zorgvuldig telsysteem komt ze tot op een percentage vrouwelijke auteurs van 43 procent. Ik laat me verleiden en kom langs hetzelfde telsysteem, na twee van mijn kasten, op het schokkende percentage van vier procent vrouw: niet een minderheid, maar een haast beledigend deficiënt aan vrouwen in wat ik toch een mooie representatie van Westerse kunst vind. Het is vlak voor mijn neus, zichtbaar aanwezig.

Op voorhand in de verdediging

Dit overduidelijke tekort maakt het schrijnend dat een aanzienlijk deel van de auteurs in Vrouwen schrijven niet met hun tieten zich moet toeleggen op de verdediging van de relevantie van hun feministische ‘zaak’. De titel van het essay ‘Kun je je niet druk maken over iets écht belangrijks’ van Asha ten Broeke (1983) zegt genoeg. Zij haalt Piet Klein aan, adjunct-hoofdredacteur van RTL-nieuws, die vindt dat hij wel iets beters te doen heeft dan de kleine problemen van de hedendaagse vrouw bespreken. Ten Broeke moet er een - kort, maar toch - volledig essay aan wijden om een Klein te weerspreken. Aafke Romeijn (1986) opent met cijfers over seksueel geweld, alsof zij moet verdedigen dat ze schrijft over Anke Laterveer, haar optreden in het VARA-programma Pauw naar aanleiding van haar ervaring met seksueel geweld, en de golf van schofterige tweets die de uitzending opleverde. De inhoud van het verhaal van Laterveer zelf, ook opgenomen, zou die verdediging bij voorbaat overbodig moeten maken.

Het is onmogelijk voorbij te gaan aan het belang van deze ‘heftige’ essays en de ernst van het feit dat ze schijnbaar bij voorbaat in de verdediging moeten. En toch zijn het niet alleen de cijfers en de heftigheid van de verhalen die Vrouwen schrijven niet met hun tieten zo relevant maken. De wijze waarop het ‘feminisme 4.0’, zoals Sarah Sluimer (1985) het in haar essay noemt, zich manifesteert, is zeker zo interessant. Deze jongste ‘golf’, als men hem zo zou kunnen noemen, typeert zich door een grote variatie in strijdwijze, doelen en zelfs in de gedachte wat nu wel en niet anti- of pro-vrouwelijk zou zijn.

Van Cyrus tot Linda.

De beroemde clip bij Miley Cyrus’ popnummer Wreckingball? Volgens Hanna Bervoets (1984) is het een beeltenis van krachtig optreden, en heeft het weinig met verkeerde seksualisering te maken. Al was het alleen maar om de legerkistjes van Cyrus, ‘een teken dat ze niet op het punt staat met iemand naar bed te gaan’. Eerder artistiek dan pornografisch, aldus Bervoets, en daarmee gaat de schrijver in tegen de mening van erkende feministen (3.0) als Sinéad O’Connor en Annie Lennox.

Clarice Gargard (1988) gaat de strijd aan met Linda. over een op het oog toch veel artistieker project dan Cyrus produceerde. Geraldine Kemper en Kim Feenstra lieten zich voor dat magazine, al vrijend, naakt fotograferen. Mooi, zeker, volgens Gargard, artistiek, ook dat, maar tevens een ‘toonbeeld van hoe wij als samenleving homoseksualiteit oppoetsen, voorverpakken en glamourous maken voor de massa’. En daarmee in de oorsprong een uiting van een heel ‘fout’ verschijnsel in onze samenleving.

Gevarieerd en verdeeld

Bervoets en Gargard laten zien hoe de schrijvers in de bundel vergelijkbare zaken op volstrekt verschillende manieren – zij het altijd vanuit genderperspectief – bekijken en tot heel verschillende conclusies komen. Feminisme 4.0 botst, discussieert, is het niet eens. Volgens het ene essay zijn social media een uitgesproken sterk platform, een ander stuk pleit juist voor een meer ‘mainstream, massaal feminisme’. Van het soort dat ‘in de stromende regen op een zeepkist’ wordt uitgevochten dus, in de woorden van Fatima Warsame (1994). Van haar mag het trouwens ook allemaal wat minder ‘wit en hoogopgeleid’.

Dat de diversiteit en het ‘verschil in ervaringen en opvattingen’ van de auteurs, die mij in positieve zin opvallen aan deze bundel, in de inleiding al door Wiegertje Postma worden benoemd, is misschien wel het grootste compliment dat je de samensteller zou kunnen maken. Het boek geeft precies het toegankelijke, gevarieerde en brede beeld van de moderne strijd voor gelijkwaardigheid dat het zegt te wíllen geven. De inhoud is furieus en schokkend, zoals bij Laterveer of Romeijn, of humoristisch en sympathiek zoals bij Basje Boer (1980).

Zij neemt in haar essay UglyCry allerlei films onder de loep, op zoek naar de mooiste weergave van de ‘manicpixiedream girl’: het zo geliefde stereotype van de losbandige, ontoegankelijke, maar in de praktijk altijd op het tweede plan staande vrouwelijke personage. Misschien niet de belangrijkste, maar wel een geruststellende gedachte die spreekt uit Vrouwen schrijven niet met hun tieten: feminisme kan tegenwoordig, naast relevant en gelukkig nog altijd springlevend, soms best gewoon leuk zijn.

Bob Hopman is docent Nederlands. Sinds 2007 schrijft hij besprekingen voor Recensieweb.nl.

MINDBOOKSATH : athenaeum