Recensie: Volstaan woorden tegen terrorisme?

10 mei 2016 , door Maarten Dessing
| | | |

De Nederlandse autoriteiten praatten tegen de Molukse gijzelnemers. Het aantal slachtoffers bleef zo beperkt. Russische autoriteiten gebruikten buitensporig veel geweld tegen Tsjetsjeense terroristen. Met vele doden tot gevolg. Frank Westerman woonde beide keren om de hoek en onderzoekt in Een woord een woord wat beter is. Hij komt er niet helemaal uit.

N.B. Wij publiceerden eerder voor uit Een woord een woord. Lees het fragment op Athenaeum.nl. Eerder publiceerden we Westermans nawoord bij de Gilgamesj voor. Lees het op Athenaeum.nl. We bespraken Dier, bovendier en zijn keuze uit het werk van Ryszard Kapuscinski.

Achterop Een woord een woord van Frank Westerman wordt de hoofdvraag van het boek helder en scherp verwoord. ‘De verblinding van de terrorist versus de verbeelding van de schrijver. Wie wint?’ Na bijna driehonderd pagina’s besluit Westerman ten gunste van de verbeelding van de schrijver. Maar dat lijkt vooral een kwestie van overtuiging te zijn. Westerman is een man van het woord. Na een carrière als journalist schreef hij een tiental, veelal erg succesvolle boeken. Het hanteren van de pen bracht hem roem, erkenning, een inkomen, een identiteit, kortom, alles. De pen móét daarom wel krachtiger zijn dan het zwaard.

Persoonlijke betrokkenheid

In Een woord een woord plaatst Westerman twee persoonlijke ervaringen tegenover elkaar. Als jongen te Assen maakte hij van dichtbij de Molukse gijzelingen mee. De pantserwagen stond bij hem in de straat, hij had een pasje nodig om de gecontroleerde zone in te komen waar hij woonde. Een kwart eeuw later deed hij als correspondent in Moskou verslag van verschillende acties van de Tsjetsjeense terrorist Sjamil Basajev. Het theater waar enkele tientallen terroristen 850 bezoekers van een musical gijzelde, bevond zich bij hem om de hoek.

De bezette schouwburg stond aan de Doebrovskajastraat, waaraan ook mijn huis annex correspondentenkantoor lag. Al was ik tien maanden tevoren terug verhuisd naar Amsterdam, het voelde nog steeds als ‘bij mij in de straat’. Als ik even een broodje ging halen liep ik over het schouwburgplein, dat er nu op televisie verlaten bij lag – gedompeld in een oranje gloed. Onder de lantaarnpalen tegenover mijn flat stond een sliert ambulances te wachten – bumper aan bumper.

Zoals wel vaker in zijn oeuvre schemert die betrokkenheid door in zijn proza. Westerman kiest nooit zomaar een onderwerp dat hem interesseert, zoals zo veel non-fictieauteurs, maar probeert werkelijk een vraag te beantwoorden die op een of andere manier voor hem van groot belang is. Dat maakt zijn werk zo de moeite waard. In de laatste boeken zijn dat vragen die rechtstreeks over zijn vak gaan. In Stikvallei (uit 2013) ging het over het ontstaan en de kracht van verhalen, in Een woord een woord over de vraag of zijn woorden iets kunnen uitrichten tegen kogels.

Dutch approach versus Russische bruutheid

Het mooie van beide ervaringen met terrorisme is dat de aanpak van de overheid in Nederland en Rusland niet meer van elkaar kon verschillen. Den Haag zette iedere keer psychologen in, die met – soms eindeloos – praten de Molukkers wisten te bewegen om gijzelaars vrij te laten of ultimatums te verschuiven. Met als gevolg dat de gevolgen van hun acties beperkt bleven. De verschillende gijzelacties kostten bij elkaar zes gijzelaars en zeven gijzelnemers het leven. En een groot aantal daarvan omdat premier Van Agt niet langer wilde treuzelen, maar actie verlangde.

Rusland voelde zich daarentegen zo vernederd dat slechts één antwoord gepast leek op zoveel bruut geweld: nog bruter geweld. De theatergijzeling werd binnen 72 uur beëindigd door een verdovingsgas naar binnen te spuiten. Door een te hoge dosering stierven 39 gijzelnemers en 129 gijzelaars – vergast door hun eigen regering, zoals Westerman pijnlijk onderstreept. Bij de bevrijding van de gegijzelde school in Beslan twee jaar later vonden zelfs 334 mensen (of 385, volgens andere bronnen) de dood bij de bestorming door Russische commando’s.

Wat is dan beter? Westerman noteert meerdere malen met nauwelijks verholen trots dat ze zogeheten Dutch Approach van geduldig blijven praten in kringen van terreurexperts helemaal niet wordt bespot maar juist bewonderd. Niet alleen in de softe jaren zeventig, ook nu nog. Internationale deskundigen als Guy Olivier Faure en Adam Dolnik – door Westerman neergezet als de crème de la crème in dit veld – weten daarom alles van de treinkapingen. Faure snapt alleen niet waarom Molukkers zoiets immobiels als een trein kaapten, zo vertrouwt hij de auteur toe.

Praten met IS?

Ook op een andere manier heeft praten gewerkt, beweert Westerman stellig. Initiatieven van de overheid om Molukkers tegemoet te komen – variërend van hun grieven aanhoren tot hen naar Ambon laten reizen – hebben ervoor gezorgd dat de terroristische acties na 1978 ophielden. De geradicaliseerde jongeren staakten hun verzet omdat (een deel van) hun frustratie werd weggenomen. Terwijl Rusland meer dan vijftien jaar na de eerste strafcampagne tegen Tsjetsjenië nog altijd last heeft van periodiek oplaaiend terroristisch geweld uit de Kaukasus.

Ik zou graag net zo hard geloven in de suprematie van het woord als Westerman. Maar dan wil ik ook weten hoe de Dutch Approach succesvol kan zijn in een ander conflict dan het toch lokale en eenduidige probleem van genegeerde Molukkers. Hoe kan het gesprek aangaan en onderliggende problemen wegnemen helpen tegen Al-Qaida en IS die op vele verschillende manieren in veel verschillende landen actief zijn? Zeker, ook deze terroristen hebben een morele basis waarop je ze kunt aanspreken, maakt Westerman duidelijk. Maar hóé dan. Daarover geen woord.

Fictieve woorden

Het andere aspect van Een woord een woord maakt duidelijk hoe moeilijk het in de praktijk is om het woord in te zetten tegen geweld. Dat is de participerende rondgang van Westerman langs anti-geweldscursussen. Hij neemt op Schiphol deel aan een kapingsoefening en volgt een week lang bij de Politieacademie een training in gijzelingsonderhandelingen. Als Westerman zelf het gesprek aan moet gaan met ‘Henk’ die zijn vrouw ‘Marloes’ onder schot houdt, loopt het herhaaldelijk mis. De scheidslijn tussen het goede en het verkeerde zeggen blijkt flinterdun.

Bij de nabespreking heeft [politietrainer] Ruud gezegd dat ik te vaak en te snel met tegenwerpingen kom, Daardoor beland ik in een bokswedstrijd. Henk slaat en slaat. Ik neem de handschoen op.
‘Hij ziet jou als een opponent, en wat doe jij? Jij gedráágt je als een opponent.’
Ik moest toegeven dat ik op mijn strepen was gaan staan.
‘Maar het gaat niet om jou,’ peperde Ruud me in. Pas als ik mijn ego opzij zou zetten, kon ik contact maken. Dit was nou zo’n basisregel: laat je niet opnaaien.

Eigenlijk, merk je, komt Westerman er ook niet helemaal uit. Het woord is sterker dan de kogel, omdat het zo moet zijn – maar in de praktijk is dat meestal niet het geval. Hij vlucht dan in retoriek. De daders van de aanslag tegen Charlie Hebdo doodde ook een politieagent. Wat had hij kunnen zeggen tegen zijn moordenaars? fantaseert Westerman aan het einde van zijn boek. Het was hoe dan ook ‘een beter verhaal [...] – op dat vlak won hij het duel [tussen kogel en woord] glansrijk’. Maar ondertussen is deze agent wel dood. Al zijn fictieve woorden hebben het afgelegd tegen de kogels.

Toch wil ik Westerman niet tekort doen. De vragen die hij opwerpt zetten wel aan het denken. Neem een recent nieuwsbericht over de RAF. De Britse luchtmacht heeft in achttien maanden bijna duizend IS-strijders boven Syrië en Irak gedood. Het is eigenlijk niet meer dan een fait divers in de constante berichtenstroom over de strijd tegen terreur. Maar dankzij Een woord een woord ging ik er niet schouderophalend aan voorbij, maar vroeg ik me af of al die bommen het beste antwoord zijn op deze bedreiging. Misschien zijn ook andere oplossingen mogelijk.

Maarten Dessing is freelance journalist voor onder meer KnackDe StandaardBoekbladBibliotheekblad en Schrijven Magazine. Zie ook zijn blog maartendessing.blogspot.com.

MINDBOOKSATH : athenaeum