Recensie: De onzichtbare fotograaf

22 december 2017 , door Lodewijk Brunt
| | |

Hoe fotografeer je een ongeluk? Hoe begon de straatfotografie? (Met goed observerende schrijvers en journalisten.) Hoe verhoudt de straatfotograaf zich tot zijn onderwerpen? Colin Westerbeck & Joel Meyerowitz stelden een schitterend boek samen over dit centrale genre binnen de kunstvorm, van de negentiende eeuw tot nu: Bystander.

Voeten

Drie foto’s van een ongeluk op straat. Wat er precies gebeurd is, weet je niet. Je ziet mannenbenen op het wegdek liggen, in feite niet meer dan een paar voeten. Verkeersongeluk misschien, of het slachtoffer van een schietpartij? De eerste foto is van Robert Frank, nu eens niet in New York, maar in Parijs, Avenue du Maine, 1949. Over de voeten heen is de lens gericht op de passanten, ze staan stil op een paar meter afstand. Een vrouw staat voorop. Broek, colbertje, zakelijke tas in de linkerhand, rechterhand in de zijzak van haar jasje. Achter haar een heel rijtje toeschouwers, alsof de mensen aanschuiven voor de kassa van een bioscoop. Op de gezichten lees je een mengeling van ontzetting en berusting. De liggende man is blijkbaar dood, niets meer aan te doen.

De tweede foto is van Garry Winogrand, New York, 1960. Onder de toeschouwers is alleen een jongetje duidelijk zichtbaar, de anderen zie je op de rug, of maar half. Vlak voor het jochie ligt een hoed op straat en daarnaast een plas bloed. Het slachtoffer is blijkbaar versleept, je ziet alleen zijn voeten nog, gepoetste schoenen. Er staat een geüniformeerde man over hem heengebogen, en daarnaast een non. Zou die haastig zijn toegesneld? Werk aan de winkel.

De derde foto is een collage van John Baldessari uit 1976: ‘Slachtoffer en menigte’ heet het werkstuk. Een egaal grijze plaat met daarin zeven kleine cirkels die ieder een afbeelding van geschoeide voeten bevatten. Links de lichte schoenen van iemand die op de grond ligt, rechts de ‘menigte’, in de vorm van schoenen, een paar hoge hakken, een rechterschoen, een linkerschoen, een zool en hak van iemand die op zijn knieën zit.

Het straatleven centraal

Colin Westerbeck laat de drie afbeeldingen zien als illustratie van de uiteenlopende opvattingen over straatfotografie in zijn inleiding tot Bystander: A History of Street Photography. Het boek is door hem vervaardigd in nauwe samenwerking met de fotograaf Joel Meyerowitz. Het onderwerp houdt het tweetal al enkele decennia bezig en zo’n twintig jaar geleden, in 1994, publiceerden ze een eerdere versie van het boek. De zojuist verschenen tweede versie is een nogal grondige herziening, mede naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen op hun gebied, technisch, maar ook theoretisch en maatschappelijk.

Uit: Bystander: A History of Street Photography, by Colin Westerbeck and Joel Meyerowitz

Westerbeck is een begenadigd auteur (en Meyerowitz ongetwijfeld een begenadigd redacteur) die het genre van de straatfotografie toegankelijk afbakent en in de context plaatst. Ruimschoots geïllustreerd met schitterende foto’s die je niet al duizend keer hebt gezien. Voor leken op het gebied van fotografie een verademing naast de ontelbare andere fotografieboeken waarin je doodgedrukt wordt onder het gewicht van het technische jargon: diafragma, sluitertijd, pixels, filters, light painting, lens flare, panorama.

De geschiedenis begint uiteraard in de negentiende eeuw, maar de samenstellers laten zien dat de straatfotografen werden voorafgegaan door andere sociale ontdekkingsreizigers, in Frankrijk bijvoorbeeld Victor Hugo, die het straatleven in de volle schijnwerpers plaatsten. De journalist Victor Fournel schreef over de Parijse straat als een ‘theater’ en over de ‘flaneur’ als waarnemer die ‘op de eerste rang’ zat als hij een straatwandeling maakte. Als je goed oplette kon je van de voorbijgangers raden wat ze voor de kost deden en hoe hun huiselijke leven eruitzag.

De straatonderzoeker ging op in de menigte, zonder zijn eigen individualiteit te verliezen. En dat is exact hoe Westerbeck en Meyerowitz de essentie van straatfotografie omschrijven: ‘... to take pictures of people who are going about their business unaware of the photographer’s presence.’

Van getto tot selfie

Overigens bespreken ze in hun boek verschillende beroemde straatfotografen die aan deze definitie niet voldeden. Weegee (Arthur Fellig) was een voorbeeld. Voor zijn beroemde politiefoto’s werkte hij vooral ’s nachts en zonder kunstlicht was dat onmogelijk. Het was onderdeel van zijn tactiek: de mensen schrokken zich een ongeluk van zijn plotselinge flitslamp en voordat ze konden protesteren, was hij al gevlogen.

Precies zoals Jacob Riis vijftig jaar eerder had gedaan bij het fotograferen van de straatarme New Yorkse achterbuurten waar kersverse immigranten bij elkaar hokten: hij verlichtte zijn scènes met zwavelvuur. De hoofdstukken over individuele fotografen (waaronder Cartier-Bresson, Brassaï, Atget, maar natuurlijk ook Amerikanen als Evans, Winogrand, Arbus) zijn misschien het boeiendst, maar ook in die onderdelen verliezen de samenstellers nooit de context uit het oog.

Een groot deel van de twintigste eeuw was de straatfotografie het centrale genre van de fotografie. Het ging om een gerespecteerde kunstvorm, de belangrijkste vertegenwoordigers kwamen met hun werk in de grote musea terecht. De periode van het foto getto, zoals de inleiders zeggen. Maar door de nieuwe ontwikkelingen van het selfie en de digitale fotografie in het algemeen, is zo’n beetje iedereen een straatfotograaf geworden. Straatfotografie is ‘gedemocratiseerd’ en komt niet meer overwegend terecht in gespecialiseerde fototijdschriften en boeken maar op de vele duizenden websites van amateurfotografen. Geen reden tot nostalgie, aldus Westerbeck en Meyerowitz: ‘Thus do they keep the genre alive and vital.’

Lodewijk Brunt is stadssocioloog.

MINDBOOKSATH : athenaeum