Recensie: Het Vietnam van Viet Thanh Nguyen

08 juni 2017 , door John Kleinen
| | |

Over geen enkele Amerikaanse oorlog en de gevolgen daarvan zijn meer boeken geschreven en films gemaakt dan over de Vietnamoorlog. En toch zijn we er nog lang niet over uitgeschreven en -gefilmd. Terecht, getuige het verrassende werk van Viet Thanh Nguyen. John Kleinen las voor De Nederlandse Boekengids 2016-5 The Sympathizer, nu vertaald door Paul Bruijn en Jetty Huisman als De sympathisant. Wij mogen het stuk doorplaatsen.

N.B. We brachten al een fragment uit De sympathisant en lieten de vertalers aan het woord over de humor in de roman.

Een kleine achthonderd films zijn er inmiddels geproduceerd over wat in het Westen de Vietnamoorlog, maar in Vietnam de Amerikaanse oorlog heet. De aantallen groeien nog steeds. In de VS bloeit een omvangrijke herinneringsliteratuur van overlevenden van het Indochinese drama. Inmiddels dient een generatie van jonge auteurs zich aan die de herinnering aan de oorlog in Vietnam een nieuwe inhoud met vooral ook verrassende inzichten geeft.

De onlangs met de Pulitzerprijs bekroonde debuutroman van Viet Thanh Nguyen (1971) is daarvan een goed voorbeeld. ‘Vietnam’ viel wel vaker in de prijzen zoals blijkt uit klinkende namen van eerdere winnaars als Neil Sheehan, Peter Arnett en Seymour M. Hersh. Dat was vooral excellente journalistiek en non-fictie, ofschoon de enigszins vergeten Frances Fitzgerald voor haar desastreuze visie op het land en zijn geschiedenis met haar boek Vuur onder het meer: het Vietnamees mirakel er ook toe behoorde. In de categorie literatuur wonnen schrijvers als Philippe Caputo over de oorlog zelf en Norman Owen Butler over een Vietnamese migrantengemeenschap in de VS. Michael Herr’s Dispatches verwierf wereldfaam, maar geen Pulitzer.

Dat dit jaar de eer ging naar een Vietnamese vluchteling is opmerkelijk. Nguyen is in het wetenschappelijk circuit geen onbekende: hij staat met geestverwanten aan Amerikaanse universiteiten en een generatie van jonge schrijvers model voor een generatie van postkoloniale critici die aandacht heeft voor de gevolgen van oorlogen als die in Vietnam voor de eigen multiculturele samenleving.

Perfect Spy

De roman The Sympathizer is het fictieve verhaal, of beter gezegd, de literaire vorm van een bekentenis van een Vietnamese dubbelspion die na de val van Saigon 1975 met talloze landgenoten naar de VS is gevlucht. In modern jargon is hij een ‘slaper’ aangestuurd door Hanoi. Hij spioneert niet alleen voor een naar Amerika gevluchte Zuid-Vietnamese generaal die een legertje van huurlingen op de been brengt om zijn land terug te winnen op de communisten, maar ook voor de Vietnamese Stasi. Hij herinnert vaag aan Graham Greenes Alden Pyle in zijn beroemde boek The Quiet American wiens liefde voor de enigmatische Phuong onbeantwoord blijft. Zijn voorliefde voor drank en vrouwen maken hem tot een Vietnamese James Bond. Toch doet de naamloze verteller vooral denken aan een alter-ego van de Perfect Spy, het opzienbarende boek van de Vietnamese journalist Pham Xuan An, die de redactie van Time Magazine in Saigon als dekmantel gebruikte voor activiteiten als Vietcong-agent. De complexiteit van zijn leven in twee verschillende werelden en het ogenschijnlijk moeiteloos schakelen van identiteit maken van de verteller bijna letterlijk iemand met twee gezichten. Heel in de verte lijkt de roman op Adam Johnsons The Orphan Master’s Son (Pulitzer 2013) die zich in Noord-Korea afspeelt, maar dat geldt hoogstens voor de beschrijving van martelingen en het helse bestaan van politieke gevangenen.

Wat de naamloze hoofdpersoon van The Sympathizer bijzonder maakt, is zijn achtergrond als het onmogelijke kind van een Franse priester en een ongetrouwde Vietnamese vrouw. Een Euraziatische bastaard dus met het stigma van een halfbloed, een métis, of in het Vietnamees een ‘con bui’ (straatstofkind). Na de onafhankelijkheid verguisd in het land van herkomst, en gewantrouwd in dat van aankomst dat de oorlog verloren heeft: ziedaar het lot van deze Vietnamese mol, die met succes integreert en wiens carrière vlekkeloos lijkt. Hij staat model voor de succesvolle Amerasian migrant, maar wordt met argusogen bejegend. De ironie van de titel is dat de hoofdpersoon niet alleen sympathiseert met zijn communistische opdrachtgevers, maar ook met de mensen die hij bespioneert. Zijn dubbelhartig voorkomen stelt hem in staat zaken van twee kanten te bekijken met voor zichzelf en anderen desastreuze gevolgen.

Desillusie

Het verhaal begint tijdens de laatste dagen van de Vietnamoorlog. De aanstaande val van Saigon leidt tot een exodus van Vietnamese en Amerikaanse militairen en burgers. De door een Frans-Amerikaanse CIA agent opgeleide verteller krijgt opdracht om zijn baas, een Zuid-Vietnamese generaal en diens vrouw, te volgen naar de VS. Samen met zijn beide vrienden – van wie de een zijn handler is en de ander een collega die in Vietnam voor het beruchte Phoenix-programma werkte – vestigen ze zich in een niet nader genoemde wijk van Los Angeles (die veel wegheeft van Orange County). Om zijn loyaliteit ter plekke te bewijzen en om de aandacht van zichzelf af te leiden, wijst hij iemand in de omgeving van de ex-generaal aan als verrader en vermoordt hem.

Het privélegertje dat het communistische Vietnam moet gaan heroveren, krijgt steun van uiterst rechtse politici, die ook geld steken in de productie van Vietnamfilms. Vermakelijk is de wijze waarop Nguyen het roemruchte relaas van the making of Apocalypse Now door Coppola’s echtgenote voor een lachspiegel zet met de ‘sympathizer’ als adviseur voor het casten van Vietnamese bijrolletjes in een fictieve film genaamd The Hamlet. Achter dit ogenschijnlijk hilarische deel schuilt een vlijmscherpe analyse van Hollywoods’ Vietnamfilms als onderdeel van wat Nguyen in een gelijktijdig verschenen boek Amerika’s oorlogsmachine noemt, het ‘filmisch equivalent van de Amerikaanse militaire strategie, de shock-and-awe-doctrine’ bedoeld om alle competitie (en verzet) uit te schakelen en de oorlog achteraf toch te winnen.

Hoewel de dubbele identiteit van de verteller in de roman letterlijk moet worden genomen, hindert diens ambivalente houding over zijn daden hem tenslotte zelf het meest. Zijn verhouding met vrouwen onder wie de Japans-Amerikaanse Ms. Mori – die het Japans overigens net zomin machtig is als John F. Kennedy het Gaelic –, leidt tot een confrontatie met haar vrienden, maar ook tot een nieuwe moord, die geen enkel politiek doel dient. Tegen de wens van zijn opdrachtgevers in vertrekt hij tenslotte met de ex-generaal en zijn mannen naar Vietnam.

De huurlingen hebben geen schijn van kans. De dubbelspion belandt in een heropvoedingskamp samen met een boezemvriend die aan de kant van de Zuid-Vietnamezen vocht en met wie hij indertijd uit Vietnam vluchtte. Een van de populaire standaardtechnieken om gevangenen te ondervragen – ook al tijdens de Vietnamoorlog door de Vietcong en de noordelijke troepen toegepast – was het schrijven van een zelfbekentenis (ly lich), en wordt tot op heden in afgezwakte vorm nog steeds gebruikt voor het testen van iemands politieke loyaliteit. Wanneer zijn ondervrager, en opdrachtgever, ontevreden is over de kwaliteit van zijn relaas, wacht hem een reeks van martelingen die deels ontleend zijn aan Westerse militaire handboeken, toegepast in Indochina, Algerije en later in Irak en Afghanistan.

Uiteindelijk komt onze ‘sympathizer’ tot de conclusie dat zijn communistische medestanders geen haar beter zijn dan hun vijanden. Gedesillusioneerd voegen hij en zijn vriend en medegevangene zich bij de bootvluchtelingen om het land voor een tweede keer te ontvluchten.

Verzoening en verzet

De meervoudige gelaagdheid van The Sympathizer is gestoeld op het wetenschappelijk werk van Nguyen. Vrijwel tegelijkertijd met zijn roman verscheen Nothing Ever Dies: Vietnam and the Memory of War, een deels op zijn persoonlijke ervaringen gebaseerd betoog over herdenken en vergeten. De auteur onderzoekt aan de hand van literatuur, film en kunst wat de Vietnamoorlog betekent… niet alleen voor Amerikanen, maar vooral ook voor de direct betrokkenen in Zuidoost-Azië. Met dat doel brengt hij de belangrijkste herinneringsplaatsen in de VS, Cambodja en Vietnam in kaart. Sporen van die zoektocht, nauw verweven met zijn eigen odyssee, zijn terug te vinden in de roman.

Een belangrijk thema in beide boeken is de sociale positie en representatie van Aziatische migranten, veelal ook vluchtelingen, in droomland Amerika, een onderwerp dat hij eerder al in zijn dissertatie behandelde. Aanwezig zijn en niet gezien worden; succesvol zijn en niet gehoord worden; anders zijn en bejegend worden met geromantiseerde etnocentrische gevoelens, die met enige regelmaat uitmonden in alledaags racisme en andere vormen van sociale en culturele uitsluiting. De ontwerper van de zwartgranieten herdenkingsmuur voor het Vietnam-monument in Washington D.C., de in de VS geboren Maya Lin, werd aanvankelijk weggezet als ‘de Ander’ die als jonge, Chinees-Amerikaanse niet in staat werd geacht om een monument voor Amerikaanse – lees mannelijke – soldaten te maken.

Het succes van de Amerikaans-Vietnamese schrijfster Le Ly Hayslip, met haar boeken over vlucht en aanpassing – zoals When Heaven and Earth Changed Places (1989), gevolgd door Oliver Stone’s euforische verfilming (1993) – mag dan een teken zijn van verzoening tussen slachtoffers en daders, maar staat in schril contrast met de onverschillige en veelal openlijk racistische behandeling van minderheden in de VS zelf. Vandaar dat een jongere generatie Asian-Americans zich verzet tegen de valse indruk van een geslaagde verzoening, hoezeer dat ook indruist tegen de opvattingen en wensen van hun vaak fel anticommunistische, conservatieve en oorlogsgezinde ouders. Hoe dat gebeurt, onderzoekt Nguyen aan de hand van literatuur, film en kunst. Succesvolle schrijfsters als Le Thi Diem Thuy (The Gangster We Are All Looking For, 2003) en Monique Truong (The Book of Salt, idem) zijn spraakmakende stemmen van deze generatie die zich verzet tegen ethnische profilering, het etiket ‘migrantenliteratuur’, zaakwaarnemerschap en neerbuigende behandeling. ‘Vietnam is een ramp, maar een gesocialiseerde ramp, terwijl Amerika … een eenzame nachtmerrie is’ citeert Nguyen met instemming de Vietnamees-Amerikaans schrijver Linh Dinh (2016, p. 215).

Representatie en herinnering

Zoals gezegd neemt Nguyen Amerikaanse Vietnamfilms op de korrel waarin Vietnamezen onzichtbaar zijn of onderwerp zijn van ridiculisering of demonisering. Frances Coppola’s claim dat Apocalypse Now ‘niet over Vietnam gaat, maar Vietnam is‘ mag als een schaamteloze overdrijving gelden, voor hele generaties filmliefhebbers is die film hét symbool van de Vietnamoorlog in al zijn gruwelijke details. Nguyen wijst er fijntjes op dat de film net zo goed een product is van de Amerikaanse oorlogsmachine als de helikopter. Oorlog en film zijn op een griezelige, directe manier met elkaar verstrengeld.

In het echt brandde het land Vietnam, en in foto’s en televisiebeelden, en op celluloid brandde Vietnam steeds weer opnieuw. Vietnam was een schokkend schouwspel en tevens te genieten, soms als morele afwijzing en soms als erotisch kijkgenot, misschien wel door dezelfde toeschouwer. (Nguyen 2016, p. 122)

Niet voor niets begint Jarhead, het filmisch relaas van de ervaringen van een soldaat in de Golfoorlog, met een vertoning van Apocalypse Now aan rekruten, die als onderdeel van hun training kijken naar de fameuze aanval van helikopters op een Vietnamees dorp. Sam Mendes beschouwde zijn film dan ook als een liefdesdrankje voor de Golfoorlog zelf. Of zoals Nguyen fijntjes opmerkt: een metaforisch seksueel voorspel voor wat er zou komen. Het voorlopige dieptepunt is inmiddels wel bereikt met het sterke staaltje geweldsporno in de film 13 Hours: The Secret Soldiers of Benghazi van regisseur Michael Bay, waarin de aanval op de compound van de VS-missie in Libië in 2012 in al zijn gore details herleeft, en die het Hillary Clinton nog knap lastig zal maken in de presidentsverkiezing van dit jaar.

Fascinerend is hoe Nguyen de oorlogen van de VS bijna letterlijk typeert als eeuwigdurende conflicten. Het begrip The Forever War, ooit een titel van een sciencefiction boek, maar nu ook voor de eindeloze reeks oorlogen in het Midden-Oosten, is niet alleen van toepassing op de Vietnamoorlog, maar kennelijk ook een Amerikaans recept voor politiek beleid. Het Vietnamsyndroom en het vermijden van het V-woord zijn van korte duur als in 1990 de aanval op Koeweit wordt ingezet. Kort daarna begint de Endless War in het Midden-Oosten.

Nguyen wijst daarbij niet alleen op het moedwillig vergeten van verloren oorlogen zoals die in Vietnam, maar ook op de ervaring van Vietnamese vluchtelingen die onverschillig of juist vaak vijandig bejegend worden door hun mede-Amerikanen omdat hun aanwezigheid hen aan het Vietnamdebacle herinnert. Wat Vietnamese Amerikanen is aangedaan lijkt te zijn vergeten, of erger nog; ze zijn medeschuldig aan de nederlaag.

Monument

Hoe Amerikanen en met hen Vietnamezen, Cambodjanen en Laotianen zich de Vietnamoorlog herinneren, is een thema dat zowel in Nothing Ever Dies als in The Symphatizer centraal staat. Zoals gezegd maakte Nguyen een pelgrimstocht langs de belangrijkste oorlogsmonumenten in de landen die bij de oorlog betrokken waren. Ook hier toont hij met verve het ambivalente en contradictoire karakter van deze nationale herinneringsplaatsen, die net zoals elders in de wereld een open zenuw zijn voor machthebbers, overlevenden, winnaars en verliezers.

Het bekendste is het Vietnam Veterans Memorial, tevens een monument van in- en uitsluiting. In de woorden van oorlogsfotograaf Philip Jones Griffiths:

Iedereen zou een eenvoudig optelsommetje moeten hanteren: het gedenkteken voor de Amerikaanse doden is nog geen 137 meter lang; als hetzelfde monument met de dezelfde dichtheid aan namen voor de Vietnamezen die stierven in de oorlog zou worden gebouwd, zou dat meer dan 14 kilometer lang moeten zijn. (Aperture 2008)

Controverses als deze spelen net zo’n belangrijke rol in de VS als bij ons, of het nu om het gelijktijdig herdenken van geallieerde en Duitse soldaten gaat of om de vraag of er weer een Holocaustmonument bij moet komen in Amsterdam.

In de landen waar de Vietnamoorlog woedde (Laos, Cambodja en Vietnam), speelt zich een soortgelijk drama af: ook daar bestaat geen alles en iedereen omvattende herinnering aan de oorlog, ook al zijn er met wisselend succes verzoeningspogingen tussen voormalige vijanden – waarbij het Amerikanen in Vietnam over het algemeen overigens gemakkelijker afgaat dan Zuid-Vietnamezen (Nguyen 2013, p. 154). De vergeten asymmetrische oorlog die Zuid-Koreanen in Vietnam uitvochten als beloning voor de hulp van de VS heeft tot nu geen enkel gedenkteken opgeleverd, zelfs niet een van protest zoals dat in My Lai.

De verliezers zullen vaker vergeten worden dan de overwinnaars. Vergeten is echter ook een opmaat naar individueel herdenken, terwijl het selectieve geheugen voorbehouden lijkt aan regeringen, voor wie een beroep op het nationale bewustzijn belangrijker is dan het toegeven van het eigen falen. Zo scheppen, verheerlijken en reproduceren zij een verleden dat nooit heeft bestaan. The Sympathizer is fictie, maar weet de werkelijkheid een stuk dichter te benaderen dan de architecten van dit type herinneringscultuur.

John Kleinen (1948) was als antropoloog en historicus werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam.

MINDBOOKSATH : athenaeum